Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL5317

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-02-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
200909065/2/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 oktober 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Aalten (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een pluimveehouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 15 oktober 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/553
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909065/2/M2.

Datum uitspraak: 16 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Aalten,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Aalten (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een pluimveehouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 15 oktober 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [verzoekers] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 november 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 22 december 2009.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 december 2009, hebben [verzoekers] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[verzoekers] alsmede vergunninghoudster hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen gezonden.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 28 januari 2010, waar [verzoekers], in persoon en bijgestaan door mr. M.J. Smaling, en het college, vertegenwoordigd door H.G. Eskes, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Verder is daar vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. [verzoekers] hebben zich wat betreft de grond inzake de toepassing van de beste beschikbare technieken beperkt tot het herhalen van de over het ontwerp van het besluit naar voren gebrachte zienswijzen. In het bestreden besluit heeft het college zijn reactie op die zienswijzen gegeven. [verzoekers] hebben in het verzoekschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom deze reactie onjuist zou zijn. Deze grond kan dan ook niet tot het treffen van een voorlopige voorziening leiden.

2.3. [verzoekers] voeren aan dat het college in zijn beoordeling van de vanwege de inrichting te duchten geurhinder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een toename van geurhinder vanwege het in werking zijn van de koelventilatoren in de bestaande stallen. In dit verband stellen zij dat de lucht afkomstig van de koelventilatoren tegen de nieuwe stal wordt aangeblazen waardoor de lucht in een luchtcorridor wordt gevangen. Bij een zuidelijke wind en een hoge luchtvochtigheid ondervinden zij als gevolg hiervan ernstige stankhinder, aldus [verzoekers]. Bovendien heeft het college volgens hen ten onrechte geen rekening gehouden met de omstandigheid dat de uitgeblazen lucht ingeklemd raakt vanwege een hoge muur die zich op een aan de inrichting aangrenzend perceel bevindt.

2.3.1. Ingevolge artikel 10, aanhef en onder a, van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wet geurhinder) in samenhang gelezen met artikel 2, eerste lid, van de Regeling geurhinder en veehouderij moet de geurbelasting vanwege de tot veehouderijen behorende dierenverblijven op een geurgevoelig object met inachtneming van het verspreidingsmodel 'V-Stacks vergunning' worden berekend.

Blijkens het bestreden besluit heeft het college de geurbelasting vanwege de inrichting op geurgevoelige objecten in de omgeving van de inrichting aan de hand van het verspreidingsmodel 'V-Stacks vergunning' berekend. Uit deze berekening kan worden afgeleid dat de ingevolge de Wet geurhinder geldende geurnorm niet wordt overschreden. Niet in geschil is dat deze berekening juist is.

Voorts heeft het college voor de situatie waarin de koelventilatoren in werking zijn, aan de hand van het verspreidingsmodel 'V-Stacks vergunning' een indicatieve berekening uitgevoerd. Uit deze indicatieve berekening blijkt eveneens dat de ingevolge de Wet geurhinder geldende geurnorm niet wordt overschreden. Niet is gebleken dat het college bij toepassing van het verspreidingsmodel - voor zover binnen het model mogelijk - niet met de door [verzoekers] genoemde omstandigheden rekening heeft gehouden.

Gezien beide uitgevoerde berekeningen is de voorzitter niet aannemelijk geworden dat het college zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de Wet geurhinder niet aan verlening van de gevraagde vergunning in de weg staat. Het verzoek van [verzoekers] om het treffen een voorlopige voorziening dient om die reden in zoverre te worden afgewezen.

2.4. [verzoekers] voeren aan dat het college bij het bestreden besluit ten onrechte de in de bij besluit van 18 december 2001 verleende vergunning gestelde geluidgrenswaarde van 35 dB(A) voor de nachtperiode heeft verhoogd naar 36 dB(A) in plaats van te onderzoeken of met geluidreducerende maatregelen aan de eerder gestelde geluidgrenswaarde van 35 dB(A) kan worden voldaan.

2.4.1. De vraag of de geluidgrenswaarde voor de nachtperiode met 1 dB(A) kon worden verhoogd is niet zodanig spoedeisend, dat zij noopt in deze procedure te onderzoeken of een voorlopige voorziening moet worden getroffen.

2.5. [verzoekers] voeren aan, zo begrijpt de voorzitter het verzoek, dat met het in werking zijn van de koelventilatoren de in de vergunning gestelde geluidgrenswaarden niet kunnen worden nageleefd. In dit verband betogen zij voorts dat het college ten onrechte geen correctie voor tonaal geluid heeft toegepast bij de vaststelling van de geluidbelasting van de koelventilatoren.

2.5.1. Blijkens de stukken heeft het college een berekening gemaakt van de geluidbelasting vanwege het in werking zijn van de koelventilatoren. Uit deze berekening kan worden afgeleid dat de geluidbelasting vanwege de koelventilatoren op de gevel van de woning van [verzoekers] maximaal 35 dB(A) zal bedragen.

Voor zover [verzoekers] hebben gesteld dat het college bij deze berekening ten onrechte geen correctie voor tonaal geluid vanwege de koelventilatoren heeft toegepast, overweegt de voorzitter dat met de enkele stelling dat het geluid van de koelventilatoren een duidelijk herkenbaar brommend geluid is, niet is onderbouwd dat het geluid vanwege de koelventilatoren tonaal geluid is.

[verzoekers] hebben ook voor het overige niet aannemelijk gemaakt dat deze berekening onjuist is.

Nu, gelet op het voorgaande, de geluidbelasting vanwege de koelventilatoren lager is dan de laagst gestelde geluidgrenswaarde van 36 dB(A) in de nachtperiode, is de voorzitter niet aannemelijk geworden dat de bijdrage vanwege de koelventilatoren leidt tot overschrijding van de in de vergunning gestelde geluidgrenswaarden.

2.6. Voorts vrezen [verzoekers] onaanvaardbare geluidhinder vanwege achteruitrijdende vrachtwagens. In dit verband is volgens hen tevens van belang dat met de uitbreiding van de inrichting ook het aantal vrachtwagenbewegingen toeneemt.

2.6.1. Blijkens de aanvraag zijn per week 8 verkeersbewegingen met een vrachtwagen aangevraagd. De vergunning is overeenkomstig de aanvraag verleend. Gezien het geringe aantal vergunde verkeersbewegingen met een vrachtwagen en mede gelet op het feit dat de afstand tussen de in- en uitrit van de inrichting en de woning van [verzoekers] meer dan 120 meter bedraagt, is niet aannemelijk dat deze verkeersbewegingen bij de woning van [verzoekers] een zodanige geluidbelasting zullen veroorzaken, dat aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen.

2.7. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van der Zijpp

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2010

262-596.