Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL4531

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
19-02-2010
Zaaknummer
200901436/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2009:BH1492, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitzetting / weigering toegang / verhaal kosten op vervoerder / escortering

De vraag of escortering noodzakelijk is, dient primair door de staatssecretaris te worden beantwoord, zodat zijn standpunt daarover door de rechter terughoudend dient te worden getoetst. Binnen dat kader overweegt de Afdeling dat uit de incidentnotitie voldoende duidelijk blijkt dat de vreemdeling zich op 19 mei 2005 heeft verzet tegen zijn uitzetting en dat op grond van die incidentnotitie kan worden geconcludeerd dat eerst dat verzet aanleiding is geweest te besluiten tot geëscorteerde uitzetting. De staatssecretaris kan worden gevolgd in zijn betoog dat, indien van verzet geen sprake zou zijn geweest, de vreemdeling ongehinderd met de vlucht op die datum zou zijn vertrokken. Voorts ligt het niet voor de hand dat, indien reeds eerder tot escortering zou zijn besloten, de Koninklijke marechaussee (hierna: de Kmar) desondanks zou hebben gepoogd de vreemdeling op 19 mei 2005 zonder escorts uit te zetten. Dit in aanmerking genomen bestaat, gelet op de door de staatssecretaris genoemde en in 2.2. weergegeven belangen die met het garanderen van een ordentelijke uitzetting worden gediend, geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat op grond van het verzet bij de voorgenomen uitzetting op 19 mei 2005 escortering noodzakelijk was. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het besluit van 30 april 2008 in zoverre onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen.

Nu, zoals in 2.2.2. is overwogen, geen grond bestaat voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat op 19 mei 2005 de noodzaak tot escortering van de vreemdeling bestond, en zich tussen die datum en de uitzetting op 30 juni 2005 geen feiten of omstandigheden hebben voorgedaan, die aanleiding konden geven voor het oordeel dat van verzet tegen de uitzetting niet wederom sprake zou zijn, bestaat, mede gelet op de door de staatssecretaris uiteengezette en in 2.2. weergegeven belangen, evenmin grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen aanleiding bestond het besluit tot escortering met het oog op de uitzetting van 30 juni 2005 te herzien. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat het besluit van 30 april 2008 in zoverre onvoldoende zorgvuldig is voorbereid.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 65
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 6.3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/138
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200901436/1/V2.

Datum uitspraak: 17 februari 2010

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 27 januari 2009 in zaak nr. 08/18820 in het geding tussen:

Ukraine International Airlines

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 april 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) de in verband met de uitzetting van een vreemdeling gemaakte kosten op Ukraine International Airlines (hierna: UIA) verhaald.

Bij besluit van 30 april 2008 heeft de staatssecretaris het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 27 januari 2009, verzonden op 28 januari 2009, heeft de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem (hierna: de rechtbank), het daartegen door UIA ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 25 februari 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

UIA heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 februari 2010, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. D. Kuiper, werkzaam bij het Ministerie van Justitie, en UIA, vertegenwoordigd door F. Bekirov, bijgestaan door mr. R.M. Dessaur, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 65, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), voor zover hier van belang, vervoert de vervoersonderneming op aanwijzing van een ambtenaar belast met de grensbewaking de vreemdeling om niet terug naar een plaats buiten Nederland en vindt daartoe zo nodig een ander middel voor terugbrenging. Is zulks niet binnen redelijke tijd mogelijk dan kunnen de kosten van uitzetting uit Nederland op die vervoersonderneming worden verhaald.

Ingevolge artikel 6.2 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000), voor zover hier van belang, is de staatssecretaris bevoegd de kosten van uitzetting, bedoeld in artikel 65, tweede lid, van de Vw 2000 te verhalen op de vreemdeling of op een vervoersonderneming.

Ingevolge artikel 6.3, eerste lid, van het Vb 2000 zijn de kosten van uitzetting van een vreemdeling welke ingevolge artikel 65, tweede lid, van de Vw 2000 op een vervoersonderneming kunnen worden verhaald, verschuldigd aan het openbaar lichaam te welks laste die kosten zijn gekomen.

Ingevolge artikel 6.3, tweede lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000 omvatten de in het eerste lid genoemde kosten in ieder geval de kosten verbonden aan de begeleiding van de vreemdeling naar een plaats van vertrek uit Nederland, alsmede zijn begeleiding naar een plaats buiten Nederland, voor zover deze noodzakelijk is.

Ingevolge artikel 6.3, tweede lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000 omvatten de in het eerste lid genoemde kosten in ieder geval de kosten verbonden aan het verblijf van de vreemdeling in Nederland in de periode nadat de vervoersonderneming van een ambtenaar belast met de grensbewaking de aanwijzing heeft gekregen de vreemdeling terug te vervoeren naar een plaats buiten Nederland.

2.2. In zijn eerste grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat uit de incidentnotitie van 19 mei 2005 (hierna: de incidentnotitie) niet blijkt dat op het moment van uitzetting van de betrokken vreemdeling begeleiding door escorts noodzakelijk was. Daartoe heeft de rechtbank ten onrechte redengevend geacht dat uit die incidentnotitie niet kan worden afgeleid dat eerst het verbale verzet van de vreemdeling op 19 mei 2005 begeleiding door escorts noodzakelijk maakte en dat niet reeds eerder een beslissing om de vreemdeling geëscorteerd uit te zetten was genomen, aldus de staatssecretaris.

Ter zitting heeft de staatssecretaris toegelicht dat vóór een uitzetting op grond van het eerder vertoonde gedrag van een vreemdeling op de mogelijke noodzaak tot escortering wordt geanticipeerd, maar dat de uiteindelijke beslissing dat een vreemdeling geëscorteerd zal worden uitgezet afhankelijk is van het gedrag van de vreemdeling op de datum van de beoogde uitzetting. In het geval van de hier betrokken vreemdeling is van belang dat hij heeft gepoogd Nederland in te reizen met een vals paspoort en dat hij niet op basis van de luchtvaartclaim wenste terug te keren naar Kiev, maar het verbale verzet van 19 mei 2005 is de directe aanleiding geweest voor de beslissing over te gaan tot escortering. Dit volgt ook uit de omstandigheid dat voor de vreemdeling voor de vlucht van 19 mei 2005 een ticket was geboekt en dat, indien van verzet van de zijde van de vreemdeling geen sprake zou zijn geweest, niets hem in de weg zou hebben gestaan om ook daadwerkelijk met die vlucht te vertrekken.

Voorts heeft de staatssecretaris aangegeven dat bij de beslissing over te gaan tot escortering rekening dient te worden gehouden met de eventuele gevolgen van een uitzetting zonder escorts van een mogelijk opstandige vreemdeling. In dat verband heeft hij gewezen op vertragingen en last minute annuleringen waarmee luchtvaartmaatschappijen zich geconfronteerd zien, alsmede de overlast die en het gevaar dat voor personeel en medepassagiers kan worden veroorzaakt.

2.2.1. De incidentnotitie van 19 mei 2005, voor zover hier van belang, vermeldt dat de betrokken vreemdeling op die dag naar Havana zou vliegen, maar aangaf niet naar Cuba te willen omdat hij daar vermoord zou worden. Voorts vermeldt de notitie dat de vreemdeling niet fysiek lastig is geweest, maar dat hij, nadat hem verteld was dat hij met escorts zou worden gebracht, heeft gezegd dat dat toch niet zou lukken.

2.2.2. De vraag of escortering noodzakelijk is, dient primair door de staatssecretaris te worden beantwoord, zodat zijn standpunt daarover door de rechter terughoudend dient te worden getoetst. Binnen dat kader overweegt de Afdeling dat uit de incidentnotitie voldoende duidelijk blijkt dat de vreemdeling zich op 19 mei 2005 heeft verzet tegen zijn uitzetting en dat op grond van die incidentnotitie kan worden geconcludeerd dat eerst dat verzet aanleiding is geweest te besluiten tot geëscorteerde uitzetting. De staatssecretaris kan worden gevolgd in zijn betoog dat, indien van verzet geen sprake zou zijn geweest, de vreemdeling ongehinderd met de vlucht op die datum zou zijn vertrokken. Voorts ligt het niet voor de hand dat, indien reeds eerder tot escortering zou zijn besloten, de Koninklijke marechaussee (hierna: de Kmar) desondanks zou hebben gepoogd de vreemdeling op 19 mei 2005 zonder escorts uit te zetten. Dit in aanmerking genomen bestaat, gelet op de door de staatssecretaris genoemde en in 2.2. weergegeven belangen die met het garanderen van een ordentelijke uitzetting worden gediend, geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat op grond van het verzet bij de voorgenomen uitzetting op 19 mei 2005 escortering noodzakelijk was. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het besluit van 30 april 2008 in zoverre onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De grief slaagt derhalve.

2.3. In de tweede grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld door tussen 19 mei 2005 en het uiteindelijke vertrek op 30 juni 2005 niet te onderzoeken of begeleiding door escorts op die laatste datum nog immer noodzakelijk was. Daartoe betoogt hij dat vertrouwd kan worden op de deskundigheid en ervaring van de Kmar en wijst hij er op dat de vreemdeling er tussen 19 mei 2005 en zijn uiteindelijke vertrek op 30 juni 2005 geen blijk van heeft gegeven dat hij zich niet langer zou verzetten tegen verwijdering, zodat geen aanleiding bestond het besluit tot escortering te herzien.

Ter zitting heeft de staatssecretaris toegelicht dat, als de noodzaak tot escortering eenmaal is vastgesteld, in de periode tussen de dag waarop noodzaak van escortering is vastgesteld en de dag van vertrek in beginsel niet wordt overgegaan tot een nieuwe beoordeling of de noodzaak van escortering op de dag van vertrek nog immer bestaat. Niet is uitgesloten dat zich omstandigheden zouden kunnen voordoen die ertoe leiden dat de vreemdeling toch nog bereid zal zijn vrijwillig te vertrekken, maar over het algemeen moet het risico alsnog af te zien van eerder geïndiceerde escortering gelet op de in 2.2. weergegeven belangen als te hoog worden ingeschat. De heroverweging van een eerder besluit tot escortering zou bovendien tot herhaalde frustratie van de uitzetting kunnen leiden.

2.3.1. Nu, zoals in 2.2.2. is overwogen, geen grond bestaat voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat op 19 mei 2005 de noodzaak tot escortering van de vreemdeling bestond, en zich tussen die datum en de uitzetting op 30 juni 2005 geen feiten of omstandigheden hebben voorgedaan, die aanleiding konden geven voor het oordeel dat van verzet tegen de uitzetting niet wederom sprake zou zijn, bestaat, mede gelet op de door de staatssecretaris uiteengezette en in 2.2. weergegeven belangen, evenmin grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen aanleiding bestond het besluit tot escortering met het oog op de uitzetting van 30 juni 2005 te herzien. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat het besluit van 30 april 2008 in zoverre onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. De tweede grief slaagt eveneens.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het besluit van 30 april 2008 worden getoetst in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden in zoverre daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

2.5. In beroep heeft UIA betoogd dat de staatssecretaris niet heeft gemotiveerd waarom hij gebruik heeft gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid de uitzettingskosten te verhalen op UIA en niet op de vreemdeling.

In het besluit van 30 april 2008, voor zover hier van belang, heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat hij de uitzettingskosten, voor zover mogelijk, heeft verhaald op de betrokken vreemdeling door zijn oorspronkelijke ticket te gebruiken om zijn ticket voor de vlucht van 30 juni 2005 te betalen. De vreemdeling was niet in het bezit van voldoende middelen van bestaan om verdere kosten op hem te kunnen verhalen.

Gelet op dat standpunt bestaat geen grond voor het oordeel dat het besluit in zoverre onvoldoende is gemotiveerd.

2.6. Daarnaast heeft UIA in beroep betoogd dat in het besluit niet is gemotiveerd waarom de kosten van de uitzetting, gelet op de omstandigheden van het geval, niet zijn gematigd. Voorts klaagt UIA dat de staatssecretaris onzorgvuldig heeft gehandeld door de schijn te hebben gewekt dat uitsluitend de kosten voor de benodigde tickets zouden worden verhaald.

2.6.1. In het besluit van 30 april 2008, voor zover hier van belang, heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat het te verhalen bedrag is opgesteld aan de hand van de tarievenlijst 2007, genoemd in paragraaf A2/7.1.6. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), zoals deze gold ten tijde van het besluit. Aangezien het uiteindelijk verhaalde bedrag is gebaseerd op gepubliceerde beleidsregels, had UIA kunnen weten dat dit hoger zou uitvallen dan de aanvankelijke prijsopgave van de Kmar, waarin uitsluitend de ticketkosten waren opgenomen. Nu de vaststelling van het kostenbedrag op grond van voormelde tarievenlijst is gebeurd en aan UIA in zoverre is tegemoetgekomen dat de kosten van het verblijf van de vreemdeling in Nederland niet zijn doorberekend, kan niet worden gesteld dat het te verhalen bedrag onjuist dan wel onredelijk is, aldus de staatssecretaris in zijn besluit.

2.6.2. Paragraaf A2/7.1.6 van de Vc 2000, voor zover hier van belang, vermeldt dat de kosten die ingevolge artikel 65 van de Vw 2000, in samenhang met artikel 6.3 van het Vb 2000, op de vervoersonderneming kunnen worden verhaald zijn opgenomen in de tarievenlijst. De daarin gestandaardiseerde tarieven betreffen de kosten van uitzetting en de kosten van verblijf die de overheid maakt met betrekking tot vreemdelingen aan wie de toegang tot Nederland is geweigerd. De tarieven zijn gebaseerd op de werkelijk gemaakte kosten van de diverse betrokken instanties en worden jaarlijks - per 1 januari – herzien en gepubliceerd in de Staatscourant.

2.6.3. Niet in geschil is dat de staatssecretaris op grond van artikel 65 van de Vw 2000, in samenhang met artikel 6.3 van het Vb 2000, bevoegd was de kosten van de uitzetting op UIA te verhalen. Nu uit artikel 6.3, tweede lid, van het Vb 2000 voortvloeit welke kosten door de staatssecretaris kunnen worden verhaald en de hoogte daarvan bepaald kan worden aan de hand van voormelde gepubliceerde tarievenlijst bestaat geen grond voor het oordeel dat het standpunt van de staatssecretaris dat UIA had kunnen weten hoe hoog het te verhalen bedrag zou uitvallen in rechte geen stand kan houden. Voorts is niet gebleken dat sprake is van enige concrete toezegging, waaraan het gerechtvaardigd vertrouwen kon worden ontleend dat de te verhalen kosten beperkt zouden blijven tot de ticketkosten. De stelling ten slotte dat de staatssecretaris niet heeft gemotiveerd waarom de verhaalde kosten niet zijn gematigd mist feitelijke grondslag, reeds omdat de staatssecretaris in het besluit van 30 april 2008 heeft aangegeven dat de aanzienlijke kosten gemoeid met het verblijf van de vreemdeling in Nederland niet in rekening worden gebracht.

2.7. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

2.8. Het inleidend beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 27 januari 2009 in zaak nr. 08/18820;

III. verklaart het door Ukraine International Airlines bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. H. Troostwijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Zwemstra

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2010

91-574.

Verzonden: 17 februari 2010

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser