Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL4420

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-01-2010
Datum publicatie
18-02-2010
Zaaknummer
200904490/2/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 september 2008 heeft het dagelijks bestuur appellant onder oplegging van een dwangsom gelast de in een bijlage bij het besluit vermelde (bouwkundige) voorzieningen te treffen. Bij besluit van 18 maart 2009 heeft het dagelijks bestuur het door appellant gemaakte bezwaar tegen zijn besluit van 26 september 2008 ongegrond verklaard, onder wijziging van de dwangsomoplegging. Het dagelijks bestuur heeft de bezwaren van appellant van 10 november 2009 doorgezonden aan de Afdeling met verwijzing naar art. 5:39 Awb, zoals die wet per 1 juli 2009 luidt. Ingevolge het eerste lid van dat artikel heeft het hoger beroep tegen de last onder dwangsom mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist. Volgens het dagelijks bestuur is daarom niet het dagelijks bestuur, maar de Afdeling bevoegd om te beslissen op de bezwaren van appellant.

Ingevolge art. IV van de Wet van 25 juni 2009 tot aanvulling van de Awb (Vierde tranche Awb; Stb. 2009, 264) blijft, indien een bestuurlijke sanctie wordt opgelegd wegens een overtreding die plaatsvond voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, het recht van toepassing zoals dat gold voor dat tijdstip.

De last onder dwangsom is bij het besluit van 26 september 2008 opgelegd wegens een overtreding die plaatsvond voor 1 juli 2009. Ingevolge art. IV van de Vierde tranche Awb is op de overtreding het recht van toepassing zoals dat gold voor dat tijdstip. Volgens de MvT op dat artikel (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 165) is de daarin opgenomen regeling slechts van toepassing op overtredingen die plaatsvinden na de inwerkingtreding van die wet omdat, voor zover thans van belang, voor herstelsancties het praktischer is dat in een lopend handhavingsproces het oude recht van toepassing blijft. Gelet op artikel IV van de Vierde tranche, gelezen in samenhang met voormelde passage, blijft ook ten aanzien van de brieven waarbij het dagelijks bestuur heeft besloten tot invordering van de door appellant verbeurde dwangsommen over te gaan, het recht van toepassing zoals dat tot 1 juli 2009 gold. Art. 5:37, eerste lid, en art. 5:39, eerste lid, Awb zijn daarop niet van toepassing, zodat de Afdeling niet bevoegd is om de bezwaren van appellant te betrekken bij het hoger beroep dat betrekking heeft op het besluit van 26 september 2009. De burgerlijke rechter is bevoegd kennis te nemen van geschillen omtrent de invorderingen van dwangsommen die worden verbeurd ten gevolge van dat besluit, gelezen in samenhang met het besluit van 18 maart 2009.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2010, 77 met annotatie van F.C.M.A. Michiels
NJB 2010, 191
ABkort 2010/31

Uitspraak

200904490/2/H1.

Datum uitspraak: 13 januari 2010

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[appellant], wonend te [plaats],

appellant,

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zeeburg van de gemeente Amsterdam,

verweerder.

1 Procesverloop

Bij uitspraak van 9 juni 2009, in zaak nrs. 09/1955 en 09/1845, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam, voor zover hier van belang, het beroep van [appellant] (hierna: [appellant]), gericht tegen het besluit van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zeeburg van de gemeente Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) van 18 maart 2009, ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, ingekomen op 23 juni 2009, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 30 september 2009 heeft het dagelijks bestuur door [appellant] verbeurde dwangsommen tot een gezamenlijk bedrag van € 15.000,00 van hem ingevorderd en bij brief van 12 oktober 2009 tot een gezamenlijk bedrag van € 20.000,00.

Bij afzonderlijke brieven van 10 november 2009 heeft [appellant] bezwaar gemaakt tegen de brieven van 30 september 2009 en 12 oktober 2009.

Bij brief, ingekomen op 23 november 2009, heeft het dagelijks bestuur de bezwaarschriften ter behandeling aan de Raad van State doorgezonden.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 26 september 2008 heeft het dagelijks bestuur [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de in een bijlage bij het besluit vermelde (bouwkundige) voorzieningen te treffen. Bij besluit van 18 maart 2009 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen zijn besluit van 26 september 2008 ongegrond verklaard, onder wijziging van de dwangsomoplegging.

2.2. Het dagelijks bestuur heeft de bezwaren van [appellant] van 10 november 2009 doorgezonden aan de Afdeling met verwijzing naar artikel 5:39 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), zoals die wet per 1 juli 2009 luidt. Ingevolge het eerste lid van dat artikel, heeft het hoger beroep tegen de last onder dwangsom mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist. Volgens het dagelijks bestuur is daarom niet het dagelijks bestuur, maar de Afdeling bevoegd om te beslissen op de bezwaren van [appellant].

2.3. Ingevolge artikel IV van de Wet van 25 juni 2009 tot aanvulling van de Awb (Vierde tranche Awb; Stb. 2009, 264) blijft, indien een bestuurlijke sanctie wordt opgelegd wegens een overtreding die plaatsvond voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, het recht van toepassing zoals dat gold voor dat tijdstip.

2.4. De last onder dwangsom is bij het besluit van 26 september 2008 opgelegd wegens een overtreding die plaatsvond voor 1 juli 2009. Ingevolge artikel IV van de Vierde tranche Awb is op de overtreding het recht van toepassing zoals dat gold voor dat tijdstip. Volgens de Memorie van Toelichting op dat artikel (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 165) is de daarin opgenomen regeling slechts van toepassing op overtredingen die plaatsvinden na de inwerkingtreding van die wet omdat, voor zover thans van belang, voor herstelsancties het praktischer is dat in een lopend handhavingsproces het oude recht van toepassing blijft. Gelet op artikel IV van de Vierde tranche, gelezen in samenhang met voormelde passage, blijft ook ten aanzien van de brieven waarbij het dagelijks bestuur heeft besloten tot invordering van de door [appellant] verbeurde dwangsommen over te gaan, het recht van toepassing zoals dat tot 1 juli 2009 gold. Artikel 5:37, eerste lid, en artikel 5:39, eerste lid, van de Awb zijn daarop niet van toepassing, zodat de Afdeling niet bevoegd is om de bezwaren van [appellant] te betrekken bij het hoger beroep dat betrekking heeft op het besluit van 26 september 2009. De burgerlijke rechter is bevoegd kennis te nemen van geschillen omtrent de invorderingen van dwangsommen die worden verbeurd ten gevolge van dat besluit, gelezen in samenhang met het besluit van 18 maart 2009.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. Th.G. Drupsteen en mr. P.J.J. van Buuren, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak

Voorzitter

w.g. Huijben

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2010

Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan bij de Afdeling (artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht).

- Verzet dient schriftelijk en binnen zes weken na verzending van deze uitspraak te worden gedaan.

- In het verzetschrift moeten de redenen worden vermeld waarom de indiener het niet eens is met de gronden waarop de beslissing is gebaseerd.

- Indien de indiener over het verzet door de Afdeling wenst te worden gehoord, dient dit in het verzetschrift te worden gevraagd. Het horen gebeurt dan uitsluitend over het verzet.

66-313.

Verzonden: 13 januari 2010

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser