Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL4171

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
17-02-2010
Zaaknummer
200900331/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 december 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van de door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heiloo (hierna: het college van burgemeester en wethouders) bij besluit van 28 oktober 2008 vastgestelde uitwerkingsplannen "Bestemmingsplan Zuiderloo, uitwerkingsplan 1", "Bestemmingsplan Zuiderloo, uitwerkingsplan 2" en "Bestemmingsplan Zuiderloo, uitwerkingsplan 4" (hierna: uitwerkingsplan 1, 2 respectievelijk 4).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200900331/1/R1.

Datum uitspraak: 17 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], waarvan de vennoten zijn [vennoot 1] en [vennoot 2], gevestigd respectievelijk wonend te [plaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 december 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van de door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heiloo (hierna: het college van burgemeester en wethouders) bij besluit van 28 oktober 2008 vastgestelde uitwerkingsplannen "Bestemmingsplan Zuiderloo, uitwerkingsplan 1", "Bestemmingsplan Zuiderloo, uitwerkingsplan 2" en "Bestemmingsplan Zuiderloo, uitwerkingsplan 4" (hierna: uitwerkingsplan 1, 2 respectievelijk 4).

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 januari 2009, [appellant sub 2], bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 januari 2009, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 maart 2009, en [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 maart 2009, beroep ingesteld. [appellant sub 3] heeft haar beroep aangevuld bij brief van 25 maart 2009.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft het college van burgemeester en wethouders schriftelijke uiteenzettingen gegeven.

Het college van burgemeester en wethouders heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 december 2009, waar [appellant sub 3], vertegenwoordigd door [gemachtigde], [appellant sub 2], vertegenwoordigd door [vennoot 1], [appellant sub 4], in persoon en bijgestaan door mr. O.H. Minjon, advocaat te Opmeer, en het college, vertegenwoordigd door mr. K.J.T.M. Hehenkamp, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen. Voorts is ter zitting het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door L. Bas, ambtenaar in dienst van de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

Toetsingskader

2.1. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan moet worden uitgewerkt volgens bij het plan te geven regelen. Bij het besluit over de goedkeuring van een uitwerkingsplan dient het college te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven uitwerkingsregelen is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de WRO gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) rust daarnaast op het college de taak te onderzoeken of het plan binnen de bij het bestemmingsplan gegeven regelen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Het plan

2.2. De uitwerkingsplannen zijn uitwerkingen van de in het bestemmingsplan "Zuiderloo" (hierna: het bestemmingsplan) vervatte bestemmingen "Uit te werken bestemming wonen (UW2)" en "Uit te werken bestemming wonen (UW3)", die voorzien in een deel van de woningbouwlocatie Zuiderloo, waar, voor zover het betreft voormeld bestemmingsplan, in totaal maximaal 700 woningen zijn voorzien. De uitwerkingsplannen voorzien in de bouw van 117 woningen.

Het beroep van [appellant sub 4]

2.3. Ter zitting heeft [appellant sub 4] zijn beroepsgrond dat het college van burgemeester en wethouders in tegenstelling tot zijn toezegging, geen groenstrook langs zijn perceel in het plan heeft opgenomen, ingetrokken.

2.4. [appellant sub 4] voert aan dat uitwerkingsplan 1 leidt tot een aantasting van zijn woon- en leefklimaat en wijst in dit verband in het bijzonder op de situering van de twee appartementengebouwen met een parkeerterrein vrijwel direct grenzend aan zijn woonperceel. In dit kader wijst hij er op dat hij in 1997 een deel van zijn perceel ten behoeve van de ontwikkeling van het woongebied aan de gemeente heeft verkocht. Bij de verkoop heeft hij bedongen dat hij op het resterende deel van zijn perceel drie woningen mocht bouwen en op aandringen van het gemeentebestuur is zijn woning, in tegenstelling tot de andere twee woningen, gesitueerd aan de achterzijde van het perceel, direct grenzend aan het plangebied van uitwerkingsplan 1, aldus [appellant sub 4]. Voorts wordt er volgens hem in het rapport "Masterplan water Zuiderloo en Zandzoom, Heiloo" van Wareco ingenieurs van 20 maart 2008 (hierna: het rapport van Wareco) ten onrechte van uitgegaan dat het plangebied grotendeels bestaat uit zandgrond en had het college zijn standpunt dat voldoende ontwatering kan worden gerealiseerd in het plangebied niet op dit rapport mogen baseren.

2.4.1. Het college heeft zich in navolging van het college van burgemeester en wethouders op het standpunt gesteld dat de keuze voor de locatie van de appartementengebouwen voortvloeit uit het in het beleidsstuk "Beeldkwaliteitplan Wonen in het groen Heiloo/Limmen" van januari 2006 (hierna: het beeldkwaliteitplan) opgenomen uitgangspunt van spreiding van appartementengebouwen over het woongebied en uit het in het bestemmingsplan opgenomen aantal te realiseren gestapelde woningen. Voorts is in uitwerkingsplan 1 naar aanleiding van de inspraakreactie van [appellant sub 4] een groenstrook met een greppel - ten behoeve van de afwatering - voorzien en is het bouwvlak ten behoeve van het voorziene zuidelijke appartementengebouw zodanig verschoven dat er tussen het gebouw en de woning van [appellant sub 4] een afstand van minimaal 16 meter moet worden aangehouden.

2.4.2. De gronden waarop de appartementengebouwen zijn voorzien zijn bestemd als "Wonen" met de aanduiding "bouwvlak". Blijkens de plankaart in samenhang bezien met de planvoorschriften geldt op deze gronden een maximum bouwhoogte van 10 meter en mogen ter plaatse van beide bouwvlakken maximaal 8 woningen worden gerealiseerd. Tussen het perceel van [appellant sub 4] en de voorziene appartementengebouwen ligt een strook grond met een breedte van 5 meter die is bestemd als "Groen". Ingevolge de planvoorschriften zijn ter plaatse onder meer groenvoorzieningen en water toegestaan. Ten oosten van deze strook ligt het plandeel met de bestemming

"Verkeer-Verblijf", dat onder meer is bestemd voor een parkeerterrein.

2.4.3. Ter zitting heeft [appellant sub 4] zijn standpunt dat er in het rapport van Wareco ten onrechte van wordt uitgegaan dat het plangebied bestaat uit zandgrond toegelicht in die zin dat volgens hem de toplaag bestaat uit zandgrond maar dat zich daaronder op een diepte van ongeveer 2,2 meter veengrond bevindt. Nu in het rapport van Wareco onder meer staat dat zich ter plaatse van het perceel van [appellant sub 4] hetzij geen veen bevindt hetzij veen op een diepte van meer dan 2 meter onder het maaiveld bevindt, mist dit betoog van [appellant sub 4] feitelijke grondslag.

Het betoog van [appellant sub 4] dat als gevolg van het realiseren van de uitwerkingsplannen en in het bijzonder het ten behoeve daarvan ophogen van de gronden in de plangebieden, ter plaatse van zijn gronden wateroverlast zal ontstaan, faalt. In dit verband acht de Afdeling van belang dat in het rapport van Wareco is vermeld dat bij het ophogen van de gronden in het onderzoeksgebied een voldoende ontwatering kan worden gerealiseerd. Bovendien is in dit kader van belang dat het college van burgemeester en wethouders op verzoek van [appellant sub 4] zekerheidshalve de aanleg van een greppel mogelijk heeft gemaakt tussen het perceel van [appellant sub 4] en de voorziene appartementengebouwen en dat ten behoeve hiervan een dwarsprofiel op de plankaart is opgenomen. [appellant sub 4] heeft niet aannemelijk gemaakt dat er geen maatregelen kunnen worden getroffen om eventuele wateroverlast ter plaatse van zijn gronden als gevolg van het realiseren van de uitwerkingsplannen, te voorkomen.

2.4.4. Niet in geschil is dat de voorziene appartementengebouwen en het voorziene parkeerterrein zullen leiden tot een aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 4]. Er bestaat echter geen grond voor het oordeel dat sprake zal zijn van een zodanige aantasting hiervan dat het college bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang bij het realiseren van appartementengebouwen ter plaatse dan aan het belang van [appellant sub 4] bij het behoud van zijn huidige woon- en leefklimaat. In dit verband overweegt de Afdeling dat de appartementengebouwen op een minimale afstand van 14 tot 16 meter - afhankelijk van het meetpunt; ter plaatse van de gevel dan wel ter plaatse van de dakoversteek - en 33 meter van de woning van [appellant sub 4] mogen worden gebouwd, de maximum bouwhoogte van deze gebouwen slechts 10 meter mag bedragen, het parkeerterrein op een afstand van 11 meter van de woning van [appellant sub 4] zal worden gerealiseerd en tussen de woning van [appellant sub 4] enerzijds en de appartementengebouwen en het parkeerterrein anderzijds een 5 meter brede groenstrook is mogelijk gemaakt. Dat de woning van [appellant sub 4] op aandringen van het gemeentebestuur aan de achterzijde van zijn perceel is gesitueerd doet aan dit oordeel niet af, nu [appellant sub 4] er ten tijde van de bouw van zijn woning van op de hoogte was dat aangrenzend aan zijn perceel een woongebied zou worden ontwikkeld. In dit verband is van belang dat [appellant sub 4] er weliswaar niet op had gerekend dat er appartementengebouwen op het naast zijn woning gelegen perceel zouden worden gerealiseerd, maar dat niet in geschil is dat er toentertijd hieromtrent geen toezeggingen zijn gedaan. Voorts overweegt de Afdeling dat gelet op de in acht te nemen afstanden, bouwhoogte en groene afscherming, het betoog van [appellant sub 4] dat uitwerkingsplan 1, voor zover daarin de bouw van vorenbedoelde appartementengebouwen wordt mogelijk gemaakt, niet in overeenstemming is met de in artikel 12, derde lid, onder 3, van de bestemmingsplanvoorschriften opgenomen uitwerkingsregel dat de uitwerking van de bestemming plaatsvindt in goede afstemming met de aangrenzende bestemmingen, faalt.

De beroepen van [appellant sub 3], [appellant sub 1] en [appellant sub 2]

Formele aspecten

2.5. Wat betreft het standpunt van [appellant sub 3] dat zij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld haar bedenkingen mondeling toe te lichten, overweegt de Afdeling dat zij blijkens de openbare kennisgeving van het vastgestelde plan in de gelegenheid is gesteld schriftelijk of mondeling haar bedenkingen naar voren te brengen. Uit de WRO, de Awb noch enige andere wettelijke bepaling vloeit de verplichting voort om degenen die bedenkingen hebben ingebracht in de gelegenheid te stellen een mondelinge toelichting te geven sinds de hoorplicht die destijds was vervat in artikel 27, derde lid, van de WRO per 1 juli 2005 is komen te vervallen. Evenmin is de Afdeling gebleken van bijzondere omstandigheden die het college ertoe hadden moeten brengen om nietttemin in dit geval uit zorgvuldigheidsoverwegingen tot het horen over te gaan.

2.6. Wat betreft het standpunt van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] dat hun inspraakmogelijkheden worden beperkt doordat het college van burgemeester en wethouders voor de motivering van zijn vaststellingsbesluit verwijst naar beleid, waaronder het beeldkwaliteitplan, dat zonder inspraakprocedure tot stand is gekomen, overweegt de Afdeling dat de redelijkheid van het beleid en de concrete toepassing daarvan in de uitwerkingsplannen, in deze procedure aan de orde kan worden gesteld. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat sprake is van een beperking van de inspraakmogelijkheden.

Begrenzing uitwerkingsplannen 1, 2 en 4

2.7. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat het gehele uit te werken woongebied in één uitwerkingsplan had moeten worden vervat omdat het nu niet mogelijk is de gevolgen van alle uitwerkingsplannen tezamen te bezien en onduidelijkheid bestaat over de invulling van het overige deel van het woongebied, dat niet is vervat in de uitwerkingsplannen. [appellant sub 1] vreest dat als gevolg van het aantal voorziene woningen in de uitwerkingsplannen het overige deel van het gebied een hoge woningdichtheid zal moeten krijgen, hetgeen zijn woon- en leefklimaat zal aantasten.

[appellant sub 3] betoogt dat de ontsluitingsweg van de uitwerkingsplannen voor langzaam doorgaand verkeer, de Spanjaardslaan, in de uitwerkingsplannen had moeten worden opgenomen. Deze laan ligt immers midden tussen de plangebieden en door het niet opnemen van deze laan in de uitwerkingsplannen wordt haar de mogelijkheid onthouden hiertegen op te komen en in dat verband alternatieve ontsluitingen door de plangebieden van de uitwerkingsplannen 1, 2 en 4 voor te stellen.

2.7.1. Het college stelt zich op het standpunt dat uit het onherroepelijke bestemmingsplan duidelijk volgt dat in het gebied, na uitwerking, woningbouw mogelijk is en dat dit bestemmingsplan niet in de weg staat aan uitwerking door middel van meerdere en gefaseerde uitwerkingsplannen. Het college heeft zich voorts in navolging van het college van burgemeester en wethouders op het standpunt gesteld dat aan het noordelijke deel van de Spanjaardslaan in het bestemmingsplan reeds een definitieve verkeersbestemming is toegekend en dat de uitwerkingsplannen niet grenzen aan de gronden ter plaatse van het voorziene zuidelijke deel van de Spanjaardslaan, zodat deze laan niet in de uitwerkingsplannen 1, 2 en 4 behoefde te worden opgenomen.

2.7.2. Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart als "Uit te werken bestemming wonen (UW2)" aangegeven gronden bestemd voor de aanleg van een woongebied.

Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, worden bij de realisatie van deze bestemming de volgende doeleinden nagestreefd: Woningen: - de realisatie van 210-334 woningen, overwegend in de vorm van eengezinswoningen, als onderdeel van de maximaal 700 in het plangebied te realiseren woningen;

- de realisatie van aantrekkelijke en gevarieerde woonmilieus in een groene setting.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart als "Uit te werken bestemming wonen (UW3)" aangegeven gronden bestemd voor de aanleg van een woongebied.

Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, worden bij de realisatie van deze bestemming de volgende doeleinden nagestreefd: Woningen: - de realisatie van 136-216 woningen, overwegend in de vorm van eengezinswoningen, als onderdeel van de maximaal 700 in het plangebied te realiseren woningen;

- de realisatie van aantrekkelijke en gevarieerde woonmilieus in een groene setting.

2.7.3. De Afdeling overweegt dat in dit geval de uitwerkingsplichten het college van burgemeester en wethouders de vrijheid bieden de uitwerking van het gebied gefaseerd ter hand te nemen. Hierbij mag het college van burgemeester en wethouders zich in beginsel baseren op de beschikbaarheid van de gronden. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat het college van burgemeester en wethouders voor fasering mag kiezen voor zover tussen de gronden waaraan een uit te werken bestemming is toegekend een grote mate van samenhang bestaat. In hetgeen [appellant sub 2], [appellant sub 1] en [appellant sub 3] hebben aangevoerd, wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat in dit geval sprake is van een zodanige mate van samenhang dat het college van burgemeester en wethouders niet voor fasering had mogen kiezen. In dit verband overweegt de Afdeling dat gelet op de oppervlakte van de plandelen met de bestemmingen "Uit te werken bestemming wonen (UW2)" en "Uit te werken bestemming wonen (UW3)" die nog niet zijn uitgewerkt in een uitwerkingsplan en het totaal aantal van 180 te realiseren gestapelde woningen binnen deze plandelen, geen grond bestaat voor het oordeel dat geen invulling hiervan meer mogelijk is zonder dat een ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1] zal optreden. Voorts is in dit kader van belang dat het noordelijke deel van de Spanjaardslaan niet in de uitwerkingsplannen kon worden opgenomen nu in het bestemmingsplan aan dit deel van deze laan reeds een definitieve verkeersbestemming is toegekend. Voor zover [appellant sub 3] eveneens betoogt dat het zuidelijk deel van de voorziene Spanjaardslaan in de uitwerkingsplannen had moeten worden opgenomen, overweegt de Afdeling dat hiervoor geen grond bestaat nu de uitwerkingsplannen niet grenzen aan deze voorziene langzaamverkeersontsluiting en deze ontsluiting indicatief op de plankaart van het bestemmingsplan is weergegeven. Overigens is niet gebleken dat de door [appellant sub 3] overgelegde overeenkomst die door haar en de gemeente is ondertekend, als gevolg van de uitwerkingsplannen niet meer kan worden nagekomen.

Gelet op het vorenstaande wordt in hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben aangevoerd geen grond gevonden voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de begrenzing van de uitwerkingsplannen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Overige aspecten

2.8. De Afdeling overweegt voorts dat het betoog van [appellant sub 1] dat op de tijdelijke ontsluitingswegen van de drie uitwerkingsplannen een verkeersonveilige situatie zal ontstaan, faalt. In dit verband is van belang dat de uitwerkingsplannen 1, 2 en 4 de bouw van 56, 39 respectievelijk 22 woningen mogelijk maken en dat de plangebieden tijdelijk worden ontsloten via de Zevenhuizerlaan, de Hoogeweg respectievelijk de Kennemerstraatweg. Het verkeer op deze wegen zal als gevolg van de uitwerkingsplannen 1, 2 en 4 toenemen van 1.733, 1.519 en 17.900 motorvoertuigbewegingen per etmaal naar 2.023, 1.714 respectievelijk 18.010 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Gelet op deze relatief geringe stijging van het aantal motorvoertuigbewegingen per etmaal en het feit dat door het college van burgemeester en wethouders onweersproken is gesteld dat deze drie wegen geschikt zijn voor 4.000, 2.500 respectievelijk 25.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal, bestaat geen grond voor het oordeel dat de drie uitwerkingsplannen zullen leiden tot verkeersonveilige situaties. Nu uit het voorgaande volgt dat het aantal motorvoertuigbewegingen per etmaal op de Hoogeweg tijdelijk slechts beperkt toeneemt, doet het feit dat de Hoogeweg, die veel wordt gebruikt door fietsverkeer van en naar een nabijgelegen school, de tijdelijke ontsluitingsweg van uitwerkingsplan 2 vormt, hieraan niet af.

2.9. Met betrekking tot het standpunt van [appellant sub 2] dat een goede bereikbaarheid van zijn handels- en transportonderneming niet is gegarandeerd nu de Hoogeweg als gevolg van de uitwerkingsplannen van het bestemmingsplan "Zuiderloo" - die in totaal de bouw van ongeveer 700 woningen mogelijk zullen maken - steeds drukker wordt, overweegt de Afdeling dat het bedrijf van [appellant sub 2] in het bestemmingsplan "Zuiderloo, partiële herziening Hoogeweg 26D" niet als zodanig is bestemd. Dit betekent dat het bedrijf binnen de planperiode van tien jaar ter plaatse zal worden beëindigd. Gelet hierop behoefde het college bij het besluit omtrent goedkeuring van de uitwerkingsplannen aan het voornoemde belang van [appellant sub 2] geen doorslaggevend gewicht toe te kennen en hoefde het college hierin geen aanleiding te zien goedkeuring te onthouden aan de uitwerkingsplannen. Hierbij betrekt de Afdeling dat het bedrijf van [appellant sub 2] ook na de realisering van de uitwerkingsplannen bereikbaar blijft via de Hoogeweg. Voorts is in dit kader van belang dat in deze procedure alleen de uitwerkingsplannen 1, 2 en 4 ter beoordeling voorliggen, dat ter zitting is gebleken dat daarvan enkel uitwerkingsplan 2 tijdelijk wordt ontsloten via de Hoogeweg en dat de realisering van dit plan, zoals is overwogen onder 2.8., slechts zal leiden tot een toename van het aantal motorvoertuigbewegingen op deze weg van 1.519 naar 1.714 per etmaal, terwijl de weg geschikt is voor 2.500 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De Afdeling overweegt ten slotte dat geen grond bestaat voor het oordeel dat in de uitwerkingsplannen een dwarsprofiel van de Hoogeweg had moeten worden opgenomen, nu de Hoogeweg buiten de plangebieden van de uitwerkingsplannen valt. De betogen van [appellant sub 2] falen.

Conclusie

2.10. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 4], [appellant sub 3], [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de uitwerkingsplannen 1, 2 en 4 niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen zijn ongegrond.

Proceskosten

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. D.A.C. Slump en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.P. Vroegindeweij, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Vroegindeweij

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2010

410-559.