Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL4170

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
17-02-2010
Zaaknummer
200901215/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juli 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college) een verzoek om handhavend op te treden tegen het in werking hebben van een inrichting in strijd met artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 1.1
Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2010/2693
Milieurecht Totaal 2010/1674
JM 2010/39
JOM 2010/610
JOM 2010/234
OGR-Updates.nl 10-36
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200901215/1/M1.

Datum uitspraak: 17 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging Vereniging Wetering Verbetering, gevestigd te Amsterdam, e.a.

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college) een verzoek om handhavend op te treden tegen het in werking hebben van een inrichting in strijd met artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, afgewezen.

Bij besluit van 8 januari 2009 heeft het college het door de vereniging Vereniging Wetering Verbetering en anderen hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben de Vereniging Wetering Verbetering en [appellant] (hierna: Wetering Verbetering e.a.) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 februari 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 november 2009, waar Wetering Verbetering e.a., vertegenwoordigd door drs. J. Monasso, [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.A. Minderhoud, advocaat te Amsterdam, en mr. E.W. Beukenhorst en ing. A.G. van der Bijl, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is het Projectbureau Noord/Zuidlijn, vertegenwoordigd door mr. A. ten Veen, advocaat te Amsterdam, mr. R. Bakker, mr. B.N. van Densen en ing. A. Bernik, werkzaam bij de gemeente Amsterdam, en [persoon] ter zitting als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Wetering Verbetering e.a. betogen dat de bouwplaats voor de aanleg van het metrostation Vijzelgracht voor de Noord/Zuidlijn, gelet op de lange duur van de activiteiten, alsmede de onderlinge samenhang tussen activiteiten, dient te worden aangemerkt als een inrichting zoals bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Zij wijzen op de uitspraken van de Afdeling van 13 januari 2000, in zaak nr. E03971595 (BR 2000, 234), van 6 april 1999, in zaak nr. E03.97.0711 (M&R 1999, 81) en van 9 juli 2003, in zaak 200203679/1 en de uitspraak van de voorzitter van de Afdeling van 14 oktober 1999, in zaak 1999900925/1 (JM 2000, 68). Voorts voldoet de bouwplaats volgens hen aan de kenmerken van categorie 1, onderdeel 1.1 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit, aangezien motoren en installaties zoals bedoeld in deze categorie geruime tijd op de bouwplaats aanwezig zijn. Gelet daarop is de bouwplaats volgens hen ten onrechte zonder vergunning als bedoeld in de Wet milieubeheer in werking, en dient het college handhavend op te treden.

2.1.1. Het college betoogt dat de bouwplaats geen inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer is. Het college betoogt in dit verband dat op de bouwplaats steeds andere activiteiten plaats vinden. Ook vinden de activiteiten volgens het college plaats op wisselende locaties. Volgens het college is er gelet daarop geen sprake van eenzelfde activiteit die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.

Het college betoogt voorts dat de activiteiten op het bouwterrein deels plaatsvinden op openbaar terrein. Onder meer loopt de trambaan over het terrein. Volgens het college is er gelet daarop geen exclusieve aanspraak op het gebruik van het terrein, en is er daarom geen sprake van een begrenzing als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

Het college betoogt voorts dat als de bouwplaats al een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer zou zijn, zij in ieder geval niet is aangewezen als een inrichting waarop de Wet milieubeheer van toepassing is. Volgens het college is ook geen sprake van een inrichting als bedoeld in categorie 1, onderdeel 1.1 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit, aangezien motoren en installaties tijdelijk in deze omgeving aanwezig zijn, en daarom gelet op onderdeel 1.2 buiten beschouwing blijven.

2.2. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder inrichting: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht;

Ingevolge het derde lid van dit artikel worden bij algemene maatregel van bestuur categorie├źn van inrichtingen aangewezen, die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken;

Ingevolge het vierde lid wordt elders in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder inrichting verstaan een inrichting, behorende tot een categorie die krachtens het derde lid is aangewezen.

Ingevolge de in het vierde lid bedoelde AMVB, het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, bijlage I, categorie 1, onderdeel 1.1 zijn als inrichtingen die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken aangewezen inrichtingen waar:

a. een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een vermogen of een gezamenlijk vermogen groter dan 1,5 kW, met dien verstande, dat bij de berekening van het gezamenlijk vermogen een elektromotor met een vermogen van 0,25 kW of minder buiten beschouwing blijft;

b. een of meer verbrandingsmotoren aanwezig zijn met een vermogen of een gezamenlijk vermogen groter dan 1,5 kW, met dien verstande, dat bij de berekening van het gezamenlijk vermogen een verbrandingsmotor met een vermogen van 0,25 kW of minder buiten beschouwing blijft;

c. een of meer voorzieningen of installaties aanwezig zijn voor het verstoken van brandstoffen met een thermisch vermogen of een gezamenlijk thermisch vermogen groter dan 130 kW.

Ingevolge onderdeel 1.2 onder a blijven voor de toepassing van onderdeel 1.1 buiten beschouwing: elektromotoren, verbrandingsmotoren en installaties voor het verstoken van brandstoffen die tijdelijk in een bepaalde omgeving aanwezig zijn.

2.3. Ter beoordeling staat uitsluitend de vraag of de Wet milieubeheer van toepassing is op de bouwactiviteiten ten behoeve van de realisatie van het metrostation.

De Afdeling overweegt dat met de Wet milieubeheer niet is beoogd om bescherming te bieden tegen nadelige gevolgen voor het milieu die bouwactiviteiten met zich kunnen brengen, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (ondermeer in de uitspraken van 13 januari 2000 in zaak E03.97.1595 (BR 2000, 234), 21 juli 2004 in zaak 200308221/1 en van 24 november 2004, in zaak nr. 200402899/1. Bouwactiviteiten zijn als zodanig dan ook niet in het Inrichtingen- en vergunningenbesluit aangewezen als inrichting die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Blijkens onderdeel 1.2 van de door Wetering Verbetering e.a. genoemde categorie 1 van bijlage I is ook met deze categorie niet beoogd om bouwactiviteiten onder de werking van de Wet milieubeheer te brengen.

Hetgeen is aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de bouwplaats in dit geval - in afwijking van het voorafgaande - als inrichting moet worden aangemerkt. De door Wetering Verbetering e.a. genoemde jurisprudentie maakt dat niet anders. Voor zover in deze uitspraken sprake was van een inrichting, hebben zij betrekking op situaties waar, naast bouwactiviteiten, activiteiten plaatsvinden waarop toepassing van de Wet milieubeheer wel beoogd is.

2.4. De conclusie is dat de Wet milieubeheer geen betrekking heeft op de onderhavige bouwactiviteiten. Gelet daarop heeft het college terecht geweigerd om handhavend op te treden tegen het zonder vergunning als bedoeld in de Wet milieubeheer in werking zijn van de bouwplaats.

2.5. Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. W.D.M. van Diepenbeek, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Postma, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Postma

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2010

539.