Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL4163

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
17-02-2010
Zaaknummer
200902820/1/V6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 19 juni 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) [appellante] een boete opgelegd van € 47.500,00 onderscheidenlijk € 66.500,00 wegens overtreding van de artikelen 2, eerste lid en 15, tweede lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200902820/1/V6.

Datum uitspraak: 17 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 17 maart 2009 in zaak nrs. 07/1665 en 07/1666 in de gedingen tussen:

[appellante]

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1. Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 19 juni 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) [appellante] een boete opgelegd van € 47.500,00 onderscheidenlijk € 66.500,00 wegens overtreding van de artikelen 2, eerste lid en 15, tweede lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Bij onderscheiden besluiten van 22 en 15 juni 2007 heeft de minister van sociale zaken en werkgelegenheid (hierna: de minister) de daartegen door [appellante] gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 17 maart 2009, verzonden op 20 maart 2009, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) de daartegen door [appellante] ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 april 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 26 mei 2009. Deze brieven zijn aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 september 2009, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. M.P.H. van Wezel, advocaat te Utrecht, vergezeld door haar [bedrijfsleidster], en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.M. Odijk, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op dit geding is de Wav van toepassing zoals die wet luidde tot de inwerkingtreding van de wet van 25 juni 2009 (Stb. 2009, 265) op 1 juli 2009.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel b, onder 1˚, van de Wav, wordt onder werkgever verstaan degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge het tweede lid is het verbod, bedoeld in het eerste lid, niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling ten aanzien van wie tevens een ander als werkgever optreedt, indien die ander beschikt over een voor de desbetreffende arbeid geldige tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, draagt de werkgever die door een vreemdeling arbeid laat verrichten bij een andere werkgever er bij de aanvang van de arbeid door de vreemdeling onverwijld zorg voor dat de werkgever bij wie de arbeid feitelijk wordt verricht een afschrift van het document, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1˚ tot en met 3˚, van de Wet op de identificatieplicht, van de vreemdeling ontvangt.

Ingevolge het tweede lid stelt de werkgever die het afschrift van het document, bedoeld in het eerste lid, ontvangt, de identiteit van de vreemdeling vast aan de hand van het genoemde document en neemt het afschrift op in de administratie.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, wordt het niet naleven van de artikelen 2, eerste lid, en 15 als beboetbaar feit aangemerkt.

Ingevolge artikel 19, derde lid, stelt, in afwijking van afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), de op grond van artikel 19a, eerste lid, aangewezen ambtenaar binnen een door hem te bepalen termijn de persoon, bedoeld in het eerste lid, in de gelegenheid om naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen alvorens de boete wordt opgelegd.

Ingevolge artikel 19a, eerste lid, legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit.

Ingevolge het tweede lid gelden de ter zake van deze wet gestelde beboetbare feiten ten opzichte van elk persoon, met of ten aanzien van wie een beboetbaar feit is begaan.

Ingevolge artikel 19d, eerste lid, voor zover thans van belang, is de hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door een rechtspersoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 45.000,00.

Ingevolge het derde lid stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld.

Volgens artikel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav 2007 worden bij de berekening van een boete als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wav voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de ‘Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav’ (hierna: de Tarieflijst), die als bijlage bij de beleidsregels is gevoegd.

Volgens artikel 4 bestaat de totale bij een boetebeschikking op te leggen boete, ingeval er sprake is van meer beboetbare feiten, uit de som van de per beboetbaar feit berekende boetebedragen.

Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, op € 8.000,00 en voor overtreding van artikel 15, tweede lid, op € 1.500,00 gesteld per persoon per beboetbaar feit.

2.2. Het door inspecteurs van de Arbeidsinspectie op ambtsbelofte opgemaakte boeterapport van 13 oktober 2005 houdt in dat op 17 mei 2005 vijf vreemdelingen van Chinese onderscheidenlijk Bulgaarse nationaliteit via [bedrijf A], gevestigd te [plaats], verbouwingswerkzaamheden hebben verricht in het pand [locatie] te [plaats] (hierna: het pand) zonder dat hiervoor tewerkstellingsvergunningen waren verleend, terwijl deze waren vereist.

Het door inspecteurs van de Arbeidsinspectie op ambtsbelofte onderscheidenlijk ambtseed opgemaakte boeterapport van 15 maart 2006 houdt in dat op 14 juni 2005 via [bedrijf A] en [naam], wonende te [woonplaats], zeven vreemdelingen van Poolse nationaliteit verbouwingswerkzaamheden hebben verricht in het pand zonder dat hiervoor tewerkstellingsvergunningen waren verleend, terwijl deze waren vereist.

Blijkens uittreksels uit het handelsregister zijn in het pand [appellante] en [bedrijf B] gevestigd. [bedrijf B] is directeur en enig aandeelhouder van [appellante] en heeft als bedrijfsomschrijving het beheren van aandelen. De directeur van [bedrijf B] is [bedrijfsleidster]. [appellante] heeft als bedrijfsomschrijving, voor zover thans van belang, de exploitatie van een wokrestaurant.

Het pand is blijkens informatie van de Dienst voor het kadaster en de openbare registers eigendom van [bedrijf B].

[bedrijfsleidster] is, blijkens de bij de boeterapporten gevoegde verklaringen, over de overtredingen op 17 mei onderscheidenlijk 14 juni 2005 op 25 mei onderscheidenlijk 6 september 2005 door inspecteurs van de Arbeidsinspectie gehoord en heeft bij laatstgenoemd gehoor verklaard dat zij de verklaring van 25 mei 2005 eveneens namens [appellante] heeft afgelegd.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, samengevat weergegeven, de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] is aan te merken als werkgever in de zin van de Wav van de twaalf vreemdelingen. Daartoe voert zij aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat volgens de wetsgeschiedenis van de Wav degene die de vreemdeling feitelijk arbeid laat verrichten vergunningplichtig werkgever is en niet degene ten dienste van wie de arbeid wordt verricht. Voorts voert zij aan dat zij geen opdracht tot de verbouwingswerkzaamheden heeft gegeven en deze haar evenmin ten goede zijn gekomen. Volgens haar heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de omstandigheid dat [bedrijf B] eigenaar van het pand is, er niet aan in de weg staat [appellante] als werkgever in de zin van de Wav aan te merken. Ten slotte heeft de rechtbank niet onderkend dat de minister zijn standpunt dat [appellante] vergunningplichtig werkgever is, heeft gebaseerd op de omstandigheid dat het pand eigendom is van [appellante], aldus [appellante].

2.3.1. Blijkens de memorie van toelichting bij de artikelen 1 en 2 van de Wav is degene die een vreemdeling feitelijk arbeid laat verrichten vergunningplichtig werkgever. Anders dan [appellante] aanvoert heeft de wetgever beoogd ook degene voor wie de arbeid feitelijk wordt verricht, als zodanig aan te merken (Kamerstukken II 1993/94, 23 574, nr. 3, blz. 13 en 14). Dat in opdracht of ten dienste van een ander arbeid wordt verricht is voor het feitelijk werkgeverschap reeds voldoende, aldus de memorie van antwoord (Kamerstukken II 1993/94, 23 574, nr. 5, blz. 2).

[bedrijfsleidster] heeft op 6 september 2005 tegenover inspecteurs van de Arbeidsinspectie verklaard dat zij een overeenkomst heeft overhandigd tussen [appellante] en [bedrijf A], waaruit blijkt dat deze laatste de gehele interieurbouw van het restaurant voor haar rekening neemt. Bij de stukken bevindt zich een op 6 maart 2005 gesloten overeenkomst tussen [bedrijf B] en [bedrijf A] betreffende de verbouwing van het pand. Voorts bevinden zich bij de stukken een op 2 september 2005 gedateerde, aan [appellante] gerichte afrekening van [bedrijf A] betreffende de door haar uitgevoerde werkzaamheden en daarnaast rekeningafschriften op naam van [appellante] waaruit blijkt dat daarvoor termijnbetalingen aan [bedrijf A] zijn voldaan. De rechtbank heeft in het licht van deze feiten en omstandigheden terecht overwogen dat, samengevat weergegeven, de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de verbouwingswerkzaamheden mede in opdracht en ten dienste van [appellante] zijn verricht.

Voor de stelling van [appellante] dat de minister voor zijn standpunt dat zij vergunningplichtig werkgever is bepalend heeft geacht dat het pand haar eigendom is, bestaat geen feitelijke grondslag. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat de omstandigheid dat het pand eigendom van [bedrijf B] is, er niet aan in de weg staat [appellante] als vergunningplichtig werkgever aan te merken. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 juli 2008 in zaak nr. 200706421/1) is in geval van bouwwerkzaamheden bij de vraag naar het werkgeverschap de eigendomssituatie noch het recht op gebruik en genot van het betrokken object doorslaggevend. Evenmin staat de omstandigheid dat [appellante] ten tijde van de werkzaamheden nog geen restaurant in het pand exploiteerde, anders dan [appellante] betoogt, eraan in de weg om [appellante] als vergunningplichtig werkgever aan te merken.

De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat, samengevat weergegeven, de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zij als werkgever in de zin van de Wav van de twaalf vreemdelingen is aan te merken.

Het betoog faalt.

2.4. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de besluiten van 15 en 22 juni 2007 onrechtmatig zijn, omdat de minister haar ten onrechte niet heeft gehoord en haar evenmin in de gelegenheid heeft gesteld een zienswijze naar voren te brengen, aangezien de boeterapporten en de boetekennisgevingen aan [bedrijf B] zijn gericht. Volgens haar had de rechtbank hier ambtshalve onderzoek naar moeten doen, te meer omdat zij had aangevoerd dat [bedrijf B] eigenaar van het pand is en de minister [appellante] en [bedrijf B] kennelijk met elkaar heeft verward.

2.4.1. De vraag of [appellante] ten onrechte niet is gehoord en niet in de gelegenheid is gesteld een zienswijze naar voren te brengen, hangt niet onverbrekelijk samen met de aangevoerde beroepsgrond dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] als werkgever in de zin van de Wav is aan te merken, omdat [bedrijf B] eigenaar van het pand is. Derhalve bestond voor de rechtbank geen aanleiding de rechtsgronden in zoverre ambtshalve aan te vullen. Evenmin was zij gehouden ambtshalve te toetsen of artikel 3:2 van de Awb en artikel 19, derde lid, van de Wav zijn geschonden, aangezien de hierin neergelegde bepalingen niet van openbare orde zijn.

Het betoog faalt reeds hierom.

2.5. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank weliswaar heeft overwogen dat zij vol dient te toetsen of de hoogte van de boete in redelijke verhouding staat tot de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding, maar dat zij deze toets niet heeft uitgevoerd. Volgens [appellante] heeft de rechtbank ten onrechte geen grond gevonden voor het oordeel dat de minister de door hem gehandhaafde boetes had moeten matigen.

Daartoe voert zij aan dat zij geen financieel voordeel heeft behaald, zodat het opleggen van een boete van € 8.000,00 per vreemdeling onevenredig is. Volgens haar heeft de rechtbank, door te overwegen dat de cumulatie uit de wet voortvloeit, niet onderkend dat de minister niet verplicht is een boete van € 8.000,00 per vreemdeling op te leggen.

Voorts zijn de overtredingen minder verwijtbaar. Zij is feitelijk niet in staat voortdurend toezicht uit te oefenen. Twee van de op 17 mei 2005 aangetroffen vreemdelingen waren eerst sinds één dag werkzaam. Voorts heeft zij [bedrijf A] na de op die dag verrichte controle te kennen gegeven er extra alert op te zijn dat geen vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning werkten en bedongen dat boetes die in het kader van de Wav zullen worden opgelegd voor rekening van [bedrijf A] komen, aldus [appellante].

2.5.1. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraken van 11 juli 2007 in zaak nr. 200607461/1, 12 maart 2008 in zaak nr. 200704906/1, 3 juni 2009 in zaak nr. 200803230/1/V6, 17 juni 2009 in zaak nr. 200806748/1/V6, 16 september 2009 in zaak nr. 200900632/1/V6) vloeit het volgende voort.

De minister heeft in redelijkheid de in de beleidsregels opgenomen boetenormbedragen kunnen vaststellen, zodat hij deze bij de vaststelling van de hoogte van de boete als uitgangspunt dient te nemen. Gelet op de aard van het te nemen besluit zal de minister bij de besluitvorming in het concrete geval echter ook het in artikel 3:4 van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel in acht dienen te nemen. Dit betekent dat de minister zich bij het vaststellen van de hoogte van een boete moet afvragen of de uit de boetenormbedragen voortvloeiende boete, gelet op alle omstandigheden van het geval, evenredig is aan het door de wetgever beoogde doel. Tot de omstandigheden van het geval behoren in ieder geval de aard en de ernst van de overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en de omstandigheden waaronder deze is gepleegd. Wanneer het toepassen van het boetenormbedrag niet evenredig is, is matiging van dit bedrag passend en geboden.

Artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), dat op het opleggen van boete als waarom het hier gaat van toepassing is, brengt met zich dat de rechter zonder terughoudendheid dient te toetsen of de door de minister in het concrete geval opgelegde boete in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel.

Indien de rechter van oordeel is dat dit niet het geval is en hij op die grond het besluit vernietigt, neemt hij bij het zelf bepalen van de hoogte van de boete de boetenormbedragen eveneens als uitgangspunt.

2.5.2. De rechtbank heeft, gelet op de inhoud van de rechtsoverwegingen 2.17 tot en met 2.24 van de aangevallen uitspraak, zonder terughoudendheid getoetst of de door de minister gehandhaafde boetes evenredig is.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 maart 2008 in zaak nr. 200705380/1) is in artikel 19a, tweede lid, van de Wav, zoals ook uit de geschiedenis van de totstandkoming van dit artikellid volgt (Kamerstukken II 1993/94, 29 523, nr. 3, blz. 17), een cumulatiebepaling neergelegd. Dat in geval van illegale tewerkstelling van vijf onderscheidenlijk zeven vreemdelingen, telkens vijf onderscheidenlijk zeven overtredingen zijn begaan waarvoor afzonderlijk een boete kan worden opgelegd, vloeit uit de wet voort. Weliswaar is de minister bevoegd een lagere boete dan € 8.000,00 per overtreding op te leggen, maar hij heeft hiervoor in de omstandigheid dat de overtredingen [appellante] geen financieel voordeel hebben opgeleverd, wat hier ook van zij, terecht geen aanleiding gezien. Deze omstandigheid laat onverlet dat door het niet aanvragen van tewerkstellingsvergunningen niet is vastgesteld of van verdringing van legaal arbeidsaanbod sprake was en doet evenmin afbreuk aan de ernst van de overtredingen, alsmede aan de mate waarin deze aan [appellante] kunnen worden verweten.

Voorts is gesteld noch gebleken, dat [appellante] heeft getracht de op 17 mei 2005 geconstateerde overtredingen te voorkomen. [appellante] heeft, zoals [bedrijfsleidster] op 25 mei 2005 tegenover inspecteurs van de Arbeidsinspectie heeft verklaard, nimmer gecontroleerd of de zonder tewerkstellingsvergunningen via [bedrijf A] werkzame personen gerechtigd waren om in Nederland arbeid te verrichten. Reeds hierom leidt de stelling van [bedrijf A] dat twee van de op 17 mei 2005 aangetroffen vreemdelingen eerst sinds één dag werkzaam waren, niet tot het oordeel dat [appellante] ten aanzien van de op die dag geconstateerde overtredingen verminderd verwijtbaar heeft gehandeld.

Evenmin leidt de omstandigheid dat [appellante], zoals [bedrijfsleidster] op 6 september 2005 tegenover inspecteurs van de Arbeidsinspectie heeft verklaard, [bedrijf A] na de op 17 mei 2005 verrichte controle heeft bevolen dat alle papieren van haar personeel in orde moesten zijn en [bedrijf A] haar dit heeft beloofd, tot het oordeel dat [appellante] zich ten aanzien van de op 14 juni 2005 geconstateerde overtredingen minder verwijtbaar heeft gedragen. [bedrijfsleidster] was, blijkens haar verklaring van 6 september 2005, ten tijde van de op 14 juni 2005 verrichte controle weliswaar in het pand, maar heeft niet naar de identiteitsdocumenten van de daar werkzame personen gevraagd. [appellante] heeft na de op 17 mei 2005 verrichte controle nimmer gecontroleerd of de via [bedrijf A] en [naam] werkzame personen gerechtigd waren om in Nederland te werken, terwijl [bedrijfsleidster] ten tijde van het gehoor van 25 mei 2005 door inspecteurs van de Arbeidsinspectie op haar eigen verantwoordelijkheid is gewezen. Dat [appellante], blijkens een door haar overgelegd stuk van 31 mei 2005, op schrift heeft bedongen dat [bedrijf A] de kosten en boetes voortvloeiend uit de Wav zal betalen, leidt niet tot het oordeel dat zij zich minder verwijtbaar heeft gedragen. Dit beding houdt slechts in dat [bedrijf A] aansprakelijk is, ingeval [appellante] wordt beboet wegens overtreding van de Wav, en is niet gericht op het voorkomen van een zodanige overtreding.

De rechtbank heeft gelet op het vorenstaande terecht overwogen dat, samengevat weergegeven, de minister de door hem gehandhaafde boetes terecht niet heeft gematigd.

Het betoog faalt.

2.6. [appellante] betoogt terecht dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op haar betoog dat de door de minister gehandhaafde boetes onevenredig zijn, gelet op het enorme verschil tussen het, vóór de invoering van de bestuurlijke boete in de Wav, gemiddelde bedrag van de strafrechtelijke boete van € 984,00 ten opzichte van het door de minister uiteindelijk in zijn beleid neergelegde boetebedrag van € 8.000,00 per overtreding. Dit betoog kan evenwel niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Met de invoering van de, ten opzichte van het strafrecht hogere, bestuursrechtelijke boete is blijkens de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2003/04, 29 523, nr. 3, blz. 6, Kamerstukken I 2004/05, 29 523, C, blz. 2) beoogd illegale tewerkstelling verder te ontmoedigen en verstoorde concurrentieverhoudingen weer recht te zetten. Zoals in 2.5.1 is overwogen, heeft de minister in redelijkheid de in de beleidsregels opgenomen boetenormbedragen kunnen vaststellen.

2.7. [appellante] betoogt verder tevergeefs dat de rechtbank - door te overwegen dat het betoog dat het opleggen van boetes wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, en 15, tweede lid, van de Wav leidt tot een onaanvaardbare dubbele bestraffing, faalt - niet heeft onderkend dat sprake is van een voortgezette handeling in strafrechtelijke zin. Het niet beschikken door [appellante] over tewerkstellingsvergunningen voor de door de twaalf vreemdelingen verrichte werkzaamheden en het nalaten de identiteit van deze vreemdelingen te controleren en een afschrift van hun identiteitsdocumenten in haar administratie op te nemen, zijn niet aan te merken als gelijksoortige overtredingen.

2.8. [appellante] betoogt ten slotte dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden. De rechtbank heeft dit niet onderkend, aldus [appellante].

2.8.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 14 maart 2007 in zaak nr. 200604911/1), is de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM overschreden, indien de duur van de totale procedure onredelijk lang is. Voorts heeft, zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 september 2009 in zaak nr. 200806642/1), voor de behandeling van het beroep in eerste aanleg als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet en dat deze termijn aanvangt op het moment dat vanwege het betrokken bestuursorgaan jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd. Voor de beslechting van het geschil aangaande een punitieve sanctie in hoger beroep heeft, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 oktober 2009 in zaak nr. 200806899/1/V6), als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien, behoudens bijzondere omstandigheden, niet binnen vier jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak is gedaan.

2.8.2. Zoals de Afdeling evenzeer eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 december 2009 in zaak nr. 200900175/1/V6) wordt in de regel eerst met de in artikel 19 van de Wav bedoelde kennisgeving van de boete jegens de beboete een handeling verricht waaraan deze de verwachting kan ontlenen dat hem een boete zal worden opgelegd. Zoals ook tot uitdrukking is gebracht in de geschiedenis van de totstandkoming van de Wav (Kamerstukken II 2003/04, 23 523, nr. 3, blz. 14) valt evenwel niet uit te sluiten dat in een concreet geval sprake is van specifieke omstandigheden waarbij, in afwijking van voormeld uitgangspunt, reeds voordat de boetekennisgeving wordt gedaan, jegens de beboete een concrete handeling wordt verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een boete zal worden opgelegd.

De brief van 20 mei 2005, waarin de Arbeidsinspectie [bedrijfsleidster] uitnodigt om een verklaring af te leggen en het gehoor van [bedrijfsleidster] op 25 mei 2005 zijn, anders dan [appellante] betoogt, niet als zodanige handelingen aan te merken. Zoals volgt uit hetgeen de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 december 2008 in zaak nr. 200803832/1), brengen deze omstandigheden op zichzelf niet mee dat de minister voornemens is een boete op te leggen. Voorts is, zoals de Afdeling in voormelde uitspraak van 9 december 2009 heeft overwogen, de enkele aanzegging van het boeterapport door een inspecteur van de Arbeidsinspectie te onbepaald van aard, om als een zodanige handeling te kunnen worden aangemerkt. De redelijke termijn is derhalve, anders dan [appellante] betoogt, evenmin aangevangen op het moment dat [appellante] het boeterapport van 13 oktober 2005 heeft ontvangen.

Aan de boetekennisgevingen van 3 mei 2006 heeft [appellante] wel in redelijkheid de verwachting kunnen ontlenen dat haar boetes zouden worden opgelegd, zodat de redelijke termijn op die datum een aanvang heeft genomen en eindigde op 3 mei 2008. De rechtbank heeft op 26 februari 2008 de onderzoeken gesloten. Op dat moment was geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn en deze was, uitgaande van de wettelijke termijn voor het doen van een uitspraak, ook niet te voorzien. De rechtbank heeft vervolgens bij onderscheiden brieven van 7 april 2008 de onderzoeken heropend en op 17 maart 2009 uitspraak gedaan, zodat de behandelduur van de procedures op dat moment ruim twee jaar en tien maanden bedroeg. Nu [appellante] na heropening van het onderzoek evenwel niet over een overschrijding van de redelijke termijn heeft geklaagd, hoewel zij daartoe wel in de gelegenheid was, was de rechtbank niet gehouden te toetsen of hiervan sprake was.

2.8.3. Voor zover [appellante] voorts heeft beoogd te betogen dat thans de redelijke termijn is overschreden, faalt dit betoog. De beslechting van het geschil in hoger beroep is geëindigd met de uitspraak van heden, zodat de procedure in totaal niet langer dan vier jaar heeft geduurd.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Groenendijk

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2010

164-485.