Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL4152

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
17-02-2010
Zaaknummer
200903895/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 juli 2008 heeft de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) een verzoek van [appellanten] (hierna in enkelvoud: [appellant]) om het pand gelegen aan de [locatie] te [plaats] af te voeren van het monumentenregister als bedoeld in de Monumentenwet 1988, afgewezen.

Wetsverwijzingen
Monumentenwet 1988
Monumentenwet 1988 1
Monumentenwet 1988 3
Monumentenwet 1988 6
Monumentenwet 1988 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2010/70 met annotatie van J.W. van Zundert
JB 2010/84
JOM 2010/275
JOM 2010/232
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903895/1/H2.

Datum uitspraak: 17 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 22 april 2009 in zaak nr. 08/2111 in het geding tussen:

[appellanten]

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 juli 2008 heeft de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) een verzoek van [appellanten] (hierna in enkelvoud: [appellant]) om het pand gelegen aan de [locatie] te [plaats] af te voeren van het monumentenregister als bedoeld in de Monumentenwet 1988, afgewezen.

Bij besluit van 22 oktober 2008 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 april 2009, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Zwolle (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State per fax ingekomen op 28 mei 2009, hoger beroep ingesteld. Bij brief van 24 juni 2009 zijn de gronden van het hoger beroep aangevuld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 november 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. E. Hardenberg, advocaat te Apeldoorn, en de architect ir. E.A. Hulstein als deskundige, en de minister, vertegenwoordigd door mr. G.H.J. Tellers, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b 1, van de Monumentenwet 1988, zoals deze wet luidde ten tijde van belang, wordt in deze wet en de daarop rustende bepalingen verstaan onder monument: alle vóór tenminste vijftig jaar vervaardigde zaken welke van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde.

Ingevolge die aanhef en onder d wordt verstaan onder beschermde monumenten: onroerende monumenten welke zijn ingeschreven in de ingevolge deze wet vastgestelde registers.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, kan de minister, al dan niet op verzoek van belanghebbenden, onroerende monumenten aanwijzen als beschermd monument.

Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, vraagt de minister, voordat hij ter zake een beschikking geeft, advies aan burgemeester en wethouders van de gemeente waarin het monument is gelegen.

Ingevolge het zesde lid beslist de minister, de Raad voor cultuur (hierna: de Raad) gehoord, binnen tien maanden na de datum van de verzending van de adviesaanvraag aan het college, dan wel indien om aanwijzing is verzocht, binnen tien maanden na ontvangst van dat verzoek.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, houdt de minister voor elke gemeente een register aan van de beschermde monumenten. In het register schrijft hij de monumenten in die hij heeft aangewezen, voor zover geen beroep tegen die aanwijzing is ingesteld of een beroep is afgewezen.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, is de minister bevoegd ambtshalve of op verzoek van belanghebbenden in het register wijzigingen aan te brengen. De artikelen 3 tot en met 7 zijn van overeenkomstige toepassing.

2.2. [appellant] heeft op 21 november 2005 een verzoek ingediend om het aan haar in eigendom toebehorende pand gelegen aan de [locatie] te [plaats] af te voeren van het monumentenregister. Het pand is als rijksmonument aangewezen en in 1973 ingeschreven in het register van beschermde monumenten. De daarin opgenomen omschrijving van het pand luidt: "Gave boerderij van het Staphorstse type". Het pand bestaat thans nog uit een voorhuis en een aangebouwd bezikhuisje. Het bedrijfsgedeelte van het pand is in 1997 gesloopt.

2.3. De Raad heeft ter zake van de aanvraag positief geadviseerd. Volgens de Raad is door de sloop van het bedrijfsgedeelte van de boerderij de monumentale waarde van de boerderij zodanig verminderd dat afvoering van de rijksmonumentenlijst gerechtvaardigd is.

Het college van burgemeester en wethouders van Staphorst (hierna: het college) heeft ter zake van de aanvraag negatief geadviseerd. Het is van mening dat het pand een rijksmonument dient te blijven. Hierbij is onder andere gewezen op het unieke karakter van het pand. Objecten met een bezikhuisje komen niet veel voor in Staphorst. De voorgevels van de boerderijen vertegenwoordigen volgens het college de grootste karakteristieke waarde in Staphorst. Dit is volgens het college ook bij dit pand het geval.

2.4. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 18 juli 2008 heeft de minister in navolging van het advies van het college het verzoek van [appellant] afgewezen. De minister stelt zich op het standpunt dat de monumentale waarde van het voorhuis en het aangebouwde bezikhuisje voldoende reden zijn om het pand aan te blijven merken als beschermd monument. De huidige technische staat van het pand is matig tot slecht, maar het object verkeert nog altijd in een zodanige toestand dat restauratie mogelijk is. Ondanks het ontbreken van het achterhuis - het voormalige bedrijfsgedeelte - heeft het voorhuis nog altijd architectuurhistorische en cultuurhistorische waarde, aldus de minister.

2.5. [appellant] betoogt - samengevat - dat de rechtbank ten onrechte de minister is gevolgd in zijn standpunt dat de monumentale waarde van het pand moet worden beoordeeld kennelijk zonder acht te slaan op de redengevende omschrijving. De rechtbank gaat er volgens [appellant] aan voorbij dat het pand is aangewezen als monument juist omdat het ging om een gave boerderij van het Staphorstse type. Dat blijkt volgens [appellant] uitdrukkelijk uit de redengevende omschrijving en die vormde de motivering van de aanwijzing als monument. Het pand is echter al lang niet meer in deze staat. [appellant] is daarom van mening dat de minister een onjuiste beoordeling van de monumentwaardigheid heeft verricht en ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van de in artikel 8 van de Monumentenwet 1988 opgenomen bevoegdheid. Daarbij heeft zij gesteld dat indien het pand in 1973 in de huidige staat zou zijn geweest, het nimmer zou zijn aangewezen omdat het niet als monument kan worden aangemerkt. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister het advies van het college zwaarder heeft mogen laten meewegen dan het advies van de Raad en daarnaast ten onrechte is voorbijgegaan aan het in beroep overgelegde deskundige tegenadvies van ir. E.A. Hulstein.

2.6. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het pand nog immer als monument in de zin van de Monumentenwet 1988 kan worden aangemerkt. Indien een onroerende zaak niet monumentaal is kan deze immers niet worden aangewezen als beschermd monument en gelet op het wettelijke systeem kan - en moet - een bestaande aanwijzing als beschermd monument ongedaan worden gemaakt als een onroerende zaak zijn monumentale aspecten heeft verloren. De ongedaanmaking geschiedt door het aanbrengen van een wijziging in het register van beschermde monumenten, bestaande uit het doorhalen van de inschrijving. De beslissing op een verzoek als hier aan de orde kan worden gebaseerd op een herbeoordeling van de monumentwaardigheid op basis van de thans, ten tijde van de besluitvorming, bestaande feitelijke situatie. Dit kan leiden tot een ongedaanmaking van de aanwijzing, als hier verzocht, of, onder omstandigheden, tot een aanpassing van de redengevende omschrijving waarin de beschermenswaardige monumentale aspecten tot uitdrukking komen.

2.6.1. In dit geval is er sprake van tegenstrijdige adviezen. Tegenover het standpunt van het college en de, op de deskundigheid van de eigen Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (voorheen genaamd de Rijksdienst voor de Monumentenzorg en thans de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) gebaseerde, opvatting van de minister, staan de adviezen van de Raad en van E.A. Hulstein.

Ter zitting heeft de - vertegenwoordiger van de - minister de stelling van [appellant] dat het pand, indien het nog geen monument was, in de huidige staat niet monumentaal zou worden geacht en niet zou worden aangewezen als beschermd monument, bevestigd. Het pand is daarvoor onvoldoende gaaf bewaard gebleven. Daarmee bevestigt de minister feitelijk de adviezen van de Raad en van Hulstein. Het achterhuis is indertijd met vergunning van het college gesloopt. De rest van het pand is bouwvallig. Hoewel het destijds gebruikelijk was dat redengevende omschrijvingen bij de aanwijzing summier waren en om die reden daaraan niet in alle opzichten het gewicht toekomt dat [appellant] eraan wil toekennen, moet wel worden vastgesteld dat aan de indertijd redengevend geachte omschrijving, waarbij de gaafheid van het totaal wordt benadrukt, niet meer wordt voldaan. Gelet op deze feiten en omstandigheden kan het pand dan ook niet meer als monument in de zin van de Monumentenwet 1988 worden aangemerkt en is er geen ruimte om het pand nog langer als beschermd (rijks)monument aan te merken, zodat de aanwijzing ongedaan diende te worden gemaakt en het daartoe strekkende verzoek had dienen te worden ingewilligd.

2.7. Hieruit volgt dat het hoger beroep gegrond is en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal met toepassing van het vierde lid van artikel 8:72 van de Algemene wet bestuursrecht op de hierna te melden wijze zelf in de zaak voorzien en de minister opdragen de inschrijving van het pand in het register van beschermde (rijks)monumenten ongedaan te maken.

2.8. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Deze kosten zijn bepaald op basis van het ingeleverde formulier proceskosten en met inachtneming van de daarvoor geldende forfaitaire regeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 22 april 2009 in zaak nr. 08/2111;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 22 oktober 2008, kenmerk CFI/OND-2008/138279M;

V. verklaart het bezwaar gegrond;

VI. herroept het besluit van 18 juli 2008, kenmerk MS 2005-4956;

VII. willigt het verzoek van [appellanten] van 21 november 2005 tot ongedaanmaking van de aanwijzing als beschermd monument van het pand [locatie] te [plaats] in en bepaalt dat de minister de inschrijving van dit pand in het register van beschermde monumenten doorhaalt;

VIII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 22 oktober 2008;

IX. veroordeelt de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.374,38 (zegge: tweeduizenddriehonderdvierenzeventig euro en achtendertig cent), waarvan een bedrag van € 1.288,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

X. gelast dat de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan [appellanten] het voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van totaal € 368,00 (zegge: driehonderdachtenzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. H.G. Lubberdink, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Dallinga

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2010

47+18.