Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL4150

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
17-02-2010
Zaaknummer
200903733/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 april 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een nertsenhouderij aan de [locatie 1] te [plaats]. Dit besluit is op 13 april 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet geurhinder en veehouderij
Wet geurhinder en veehouderij 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2010/2644
JOM 2010/236
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903733/1/M2.

Datum uitspraak: 17 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Bont voor Dieren, gevestigd te Amsterdam,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een nertsenhouderij aan de [locatie 1] te [plaats]. Dit besluit is op 13 april 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft de stichting Stichting Bont voor Dieren (hierna: Bont voor Dieren) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 mei 2009, beroep ingesteld.

Vergunninghoudster heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 december 2009, waar Bont voor Dieren, vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, en het college, vertegenwoordigd door E.L.A. Kramer en M. van Gils, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Verder is daar vergunninghoudster, vertegenwoordigd door ing. J.B.M. Lauwerijssen en J.A. de Koning, als partij gehoord.

2. Overwegingen

Algemeen toetsingskader

2.1. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Geluid

2.2. Bont voor Dieren voert aan dat in strijd met artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, geen deugdelijke controlevoorschriften aan de bij het bestreden besluit verleende milieuvergunning zijn verbonden. In dit verband stelt zij dat de aan de milieuvergunning verbonden voorschriften 6.6 tot en met 6.8 niet toereikend zijn aangezien deze voorschriften het mogelijk maken dat de controle wordt uitgevoerd terwijl de inrichting nog niet is voltooid en in werking is gebracht.

2.2.1. In voorschrift 6.6, voor zover hier van belang, is bepaald dat ter controle, door middel van een akoestisch onderzoek, moet worden aangetoond dat aan de geluidgrenswaarden van de voorschriften 6.1 en 6.2 wordt voldaan. De resultaten daarvan dienen te worden vastgelegd in een rapport.

In voorschrift 6.7 is bepaald dat de controle, zoals voorgeschreven in voorschrift 6.6, moet zijn uitgevoerd door een daartoe deskundig bureau of deskundige binnen 6 maanden na het onherroepelijk worden van deze beschikking, dan wel binnen 1 maand nadat de inrichting is voltooid en in werking is gebracht.

In voorschrift 6.8 is bepaald dat het rapport, zoals voorgeschreven in voorschrift 6.6, binnen 1 maand na controle, zoals hiervoor beschreven in voorschrift 6.7, ter beoordeling aan het bevoegd gezag worden voorgelegd.

2.2.2. Het college heeft met de voorschriften 6.6 tot en met 6.8 beoogd voorschriften te stellen als bedoeld in artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit.

2.2.3. Ingevolge artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, voor zover hier van belang, is bepaald dat, voor zover aan een vergunning voorschriften worden verbonden als bedoeld in het eerste lid, daaraan in ieder geval ook voorschriften worden verbonden, inhoudende dat:

a. moet worden bepaald of aan de eerstbedoelde voorschriften wordt voldaan, waarbij de wijze van bepaling wordt aangegeven, die ten minste betrekking heeft op de methode en de frequentie van de bepaling en de procedure voor de beoordeling van de bij die bepaling verkregen gegevens en die tevens betrekking kan hebben op de organisatie van die bepalingen en beoordelingen en op de registratie van die gegevens en de resultaten van die beoordelingen;

b. de bij die bepaling verkregen gegevens aan het bevoegd gezag moeten worden gemeld of ter inzage gegeven of anderszins ter beschikking moeten worden gesteld van het bevoegd gezag.

2.2.4. Uit het bepaalde in voorschrift 6.7 kan worden afgeleid dat vergunninghoudster de keuze is gelaten om te bepalen op welk moment zij aantoont dat aan de voorschriften 6.1 en 6.2 wordt voldaan. Ingevolge voorschrift 6.7 wordt met het uitvoeren van een controle, zoals voorgeschreven in voorschrift 6.6, binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van de bij het bestreden besluit verleende vergunning, voldaan aan de controleverplichting. Met het gestelde in voorschrift 6.7 wordt echter geen rekening gehouden met de situatie dat in de periode van zes maanden na het onherroepelijk worden van de bij het bestreden besluit verleende vergunning de inrichting nog niet is voltooid en in werking is gebracht. Indien in een dergelijke situatie een controle, zoals voorgeschreven in voorschrift 6.6, wordt uitgevoerd, wordt niet in overeenstemming met artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, bepaald dat de in werking zijnde inrichting aan de grenswaarden voldoet. Gelet hierop is het voorschrift 6.7 ontoereikend als controlevoorschrift. Het bestreden besluit is dan ook op dit punt in strijd met artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit.

De beroepsgrond slaagt.

2.3. Bont voor Dieren betoogt dat niet aan de grenswaarde van 45 dB(A) voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de dagperiode kan worden voldaan omdat uit figuur 1.6.1 van bijlage 3 behorend bij het akoestisch rapport van 23 september 2008, opgesteld door G&O consult (hierna: het akoestisch rapport), kan worden afgeleid dat deze grenswaarde op minder dan 50 meter afstand van de grens van de inrichting wordt overschreden. Volgens haar is de gestelde geluidgrenswaarde op dit punt dan ook niet naleefbaar.

2.3.1. In voorschrift 6.1 is, voor zover hier van belang, een geluidgrenswaarde van 45 dB(A) voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau gesteld in de dagperiode op de dichtstbijzijnde woning van derden en op 50 meter van de inrichtingsgrens.

2.3.2. Blijkens tabel 5.1 van het akoestisch rapport waarin de resultaten van de uitgevoerde berekeningen zijn neergelegd, kan zowel op de geluidgevoelige objecten [locatie 2] en [locatie 3], als op een afstand van 50 meter ten noorden, oosten, westen en zuiden van de inrichting worden voldaan aan de gestelde geluidgrenswaarde van 45 dB(A).

Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college bij de beoordeling van de vanwege de inrichting te duchten geluidhinder niet het standpunt heeft kunnen innemen dat aan de in de vergunning gestelde grenswaarde kan worden voldaan.

De beroepsgrond faalt.

Bestemmingsplan

2.4. Bont voor Dieren voert aan dat het college de milieuvergunning had moeten weigeren wegens strijd met regels bij of krachtens de Wet ruimtelijke ordening dan wel wegens strijd met het bestemmingsplan. In dit verband stelt zij dat nu uit de uitspraak van 26 november 2008 in zaak nr. 200706894/1 volgt dat het besluit van het college van gedeputeerde staten waarbij aan de bestemming "Agrarisch bedrijf" met de nadere aanduidingen "intensieve veehouderij" en "verwevingsgebied" op de locatie [locatie 1] te [plaats] goedkeuring is onthouden, in stand is gelaten, de milieuvergunning voor een inrichting met een dergelijke bestemming niet had mogen worden verleend.

2.4.1. Artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer, zoals deze bepaling bij Wet van 25 juni 2009 (Stb. 2009, 297) met terugwerkende kracht tot 1 juli 2008 is gewijzigd, bepaalt dat in afwijking van het eerste lid de vergunning tevens kan worden geweigerd ingeval door verlening van de vergunning strijd zou ontstaan met een bestemmings- of inpassingsplan, een beheersverordening of regels gesteld bij of krachtens een provinciale verordening of een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 4.1, derde lid, onderscheidenlijk artikel 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening.

2.4.2. Het college heeft op grond van artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer beoordeeld of door verlening van de vergunning strijd zou ontstaan met het geldende bestemmingsplan. Hierbij is het college ervan uitgegaan dat geen sprake is van strijd met het bestemmingsplan omdat de inrichting is gelegen binnen een bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch bedrijf". Voorts heeft het college ter zitting te kennen gegeven dat indien er al sprake was van strijd met het bestemmingsplan, deze strijd zal worden opgeheven aangezien de aangevraagde activiteiten van de inrichting planologisch worden ingepast in de in voorbereiding zijnde herziening van het bestemmingsplan. Gelet op het voorgaande heeft het college in redelijkheid kunnen besluiten dat de vergunning niet krachtens artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer behoefde te worden geweigerd.

De beroepsgrond faalt.

Geur

2.5. Bont voor Dieren voert aan dat de gebouwen aan de [locatie 2 en 3] als geurgevoelige objecten moeten worden aangemerkt. Volgens haar wordt ten aanzien van deze objecten niet aan de ingevolge de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wet geurhinder) aan te houden minimumafstand voldaan, zodat de gevraagde vergunning had moeten worden geweigerd.

2.5.1. Het college stelt zich op het standpunt dat wordt voldaan aan de op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet geurhinder aan te houden minimale afstand van 50 meter tot de door Bont voor Dieren bedoelde gebouwen, die tot andere veehouderijen behoren, zodat de Wet geurhinder in zoverre niet aan vergunningverlening in de weg staat.

2.5.2. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet geurhinder betrekt het bevoegd gezag bij een beslissing inzake de vergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 9.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet geurhinder, voor zover hier van belang, bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet geurhinder bedraagt de afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel, voor zover hier van belang, wordt de afstand of de geuremissiefactor voor pelsdieren vastgesteld bij ministeriële regeling.

Ingevolge artikel 3 van de Regeling geurhinder en veehouderij (hierna: de Regeling geurhinder) is de afstand, als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Wet geurhinder opgenomen in bijlage 2.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Regeling wordt de afstand, bedoeld in de artikelen 3, tweede en derde lid, en 4, eerste lid, van de wet gemeten vanaf de buitenzijde van het geurgevoelig object tot het dichtstbijzijnde emissiepunt.

2.5.3. Niet in geschil is dat de woning aan de [locatie 2] een geurgevoelig object is dat deel uitmaakt van een andere veehouderij en dat deze woning buiten de bebouwde kom is gelegen op een afstand van meer dan 50 meter tot het dichtstbijzijnde emissiepunt van de inrichting. Het door Bont voor Dieren bedoelde gebouw aan de [locatie 3] is eveneens op een grotere afstand van het dichtstbijzijnde emissiepunt van de inrichting gelegen.

2.5.4. Nertsen zijn pelsdieren die onder de in artikel 4, eerste lid, van de Wet geurhinder genoemde dieren van een diercategorie vallen waarvoor bij ministeriële regeling geen geuremissiefactor is vastgesteld. Het bepaalde in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet geurhinder is, anders dan het college veronderstelt, niet van toepassing op deze diercategorie. De minimaal aan te houden afstanden voor pelsdieren zijn opgenomen in bijlage 2 bij de Regeling geurhinder.

2.5.5. Op grond van bijlage 2 van de Regeling geurhinder, zoals deze luidde ten tijde van het bestreden besluit, diende bij het aangevraagde en vergunde veebestand van 12.000 fokteven een minimale afstand van 200 meter te worden aangehouden tussen de woning [locatie 2] en het dichtstbijzijnde emissiepunt van de nertsenverblijven. Vaststaat dat de afstand tussen de woning [locatie 2] en het dichtstbijzijnde emissiepunt van de nertsenverblijven minder dan 200 meter bedraagt. Nu in zoverre niet werd voldaan aan de op grond van bijlage 2 van de Regeling geurhinder, zoals deze luidde ten tijde van het bestreden besluit, in acht te nemen afstand heeft het college de gevraagde vergunning ten onrechte verleend.

De beroepsgrond slaagt.

2.5.6. Nu het aspect geurhinder bepalend is voor het antwoord op de vraag of de vergunning kan worden verleend, is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit in zijn geheel te worden vernietigd. De Afdeling zal ten aanzien van voorschrift 6.7 op de hierna te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit, voor zover dit is vernietigd.

2.5.7. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, behoudens voor zover het voorschrift 6.7 betreft, in stand blijven en overweegt daartoe het volgende.

2.5.8. Op 16 april 2009 is de Regeling tot wijziging van de Regeling geurhinder in werking getreden (Stcrt. 2009, 70). Vanwege het ontbreken van overgangsrecht is, voor zover hier van belang, de aldus gewijzigde Regeling geurhinder van toepassing op elk besluit dat na deze datum wordt genomen.

Ingevolge bijlage 2 bij de Regeling geurhinder (nieuw), onder 4, sub b, voor zover hier van belang, bedraagt de afstand tot een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, ten minste 50 meter indien het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom is gelegen.

2.5.9. De ingevolge bijlage 2 bij de Regeling geurhinder (nieuw), onder 4, sub b, met betrekking tot de woning aan de [locatie 2] geldende afstandseis van ten minste 50 meter wordt niet overschreden. De afstand tot het door Bont voor Dieren bedoelde gebouw aan de [locatie 3] is eveneens groter dan 50 meter. In de Wet geurhinder, in samenhang gelezen met de Regeling geurhinder (nieuw), is dan ook geen grond gelegen voor de weigering van de vergunning wegens het niet voldoen aan de thans op grond daarvan geldende afstandseisen ten aanzien van de gebouwen aan [locatie 2] en [locatie 3].

Slotoverwegingen

2.6. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel van 8 april 2009, kenmerk WM/3978;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het onder II genoemde besluit in stand blijven, behoudens voor zover het voorschrift 6.7 betreft;

IV. bepaalt dat vergunningvoorschrift 6.7 als volgt luidt:

"De controle, zoals voorgeschreven in voorschrift 6.6, moet zijn uitgevoerd door een daartoe deskundig bureau of deskundige binnen 1 maand nadat de inrichting is voltooid en in werking is gebracht.";

V. bepaalt dat deze uitspraak wat voorschrift 6.7 betreft in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel tot vergoeding van bij de stichting Stichting Bont voor Dieren in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel aan de stichting Stichting Bont voor Dieren het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Van der Zijpp

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2010

407-598.