Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL4149

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
17-02-2010
Zaaknummer
200902660/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 februari 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij met brijvoerinstallatie gelegen aan de [locatie 1] te [plaats]. Dit besluit is op 3 maart 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/238
JOM 2010/266
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200902660/1/M2.

Datum uitspraak: 17 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen, wonend te [woonplaats]

2. stichting Stichting Anti Big Pig, gevestigd te Kruisland, gemeente Steenbergen,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij met brijvoerinstallatie gelegen aan de [locatie 1] te [plaats]. Dit besluit is op 3 maart 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 april 2009, en de stichting Stichting Anti Big Pig (hierna: ABP) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 april 2009, beroep ingesteld.

Het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) heeft een verweerschrift ingediend.

Nadere stukken zijn ingezonden door ABP en door [belanghebbende] van [appellant sub 1] e.a. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant sub 1] e.a., het college en ABP hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 januari 2010, waar [appellant sub 1] e.a., vertegenwoordigd door [appellant sub 1], en ABP, vertegenwoordigd door H. Baptist, en het college, vertegenwoordigd door J.B.J.M. Merkx en ing. Van Dooren, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Tevens zijn [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis, en [gemachtigde] en het college van burgemeester en wethouders van Steenbergen, vertegenwoordigd door W. Foppen en ing. A.C. Ferket- van Ooi, werkzaam bij de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het college voert aan dat bij het beroepschrift van [appellant sub 1] e.a. dezelfde handtekeningenlijst van buurtbewoners is overgelegd als bij de ingediende zienswijzen. Nu bij het beroep geen nieuwe lijst is overgelegd is het college van mening dat alleen [appellant sub 1] ontvankelijk geacht kan worden in beroep.

Uit de overgelegde handtekeningenlijst blijkt dat de in deze lijst opgenomen belanghebbenden [appellant sub 1] machtigen namens hen beroep in te stellen tegen het bestreden besluit. Het beroep is in zoverre derhalve ontvankelijk.

2.2. Het college voert aan te betwijfelen of ABP als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht kan worden aangemerkt. Het college stelt dat niet gebleken is dat ABP werkzaamheden verricht waaruit blijkt dat zij het rechtstreeks bij het besluit betrokken belang in het bijzonder behartigt.

2.2.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

Voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb, is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt.

2.2.2. Op grond van artikel 2 van haar statuten heeft ABP tot doel de aantasting van natuur, milieu en landschap, alsmede de leefbaarheid van Kruisland en omgeving door intensieve veehouderij te voorkomen.

In het door ABP ingediende nader stuk beschrijft zij de door haar ondernomen werkzaamheden, waaronder het voeren van overleg met politieke partijen en het college van burgemeester en wethouders. Gelet hierop en de ter zitting door zowel ABP als het college van burgemeester en wethouders gegeven toelichting, stelt de Afdeling vast dat ABP blijkens haar doel en haar feitelijke activiteiten in het bijzonder het belang behartigt dat met het bestreden besluit is gemoeid. ABP is dan ook belanghebbende in de zin van de Awb.

2.3. Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, kan een belanghebbende tegen een besluit op grond van deze wet beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Wanneer krachtens de Wet milieubeheer een vergunning voor het oprichten en het in werking hebben dan wel het veranderen van een inrichting of een zogenoemde revisievergunning wordt verleend, zijn naast de aanvrager onder meer de eigenaren en bewoners van percelen waarop milieugevolgen van deze inrichting kunnen worden ondervonden belanghebbenden. Alleen de woningen van [appellant sub 1], [namen 2 appellanten] liggen op een dusdanige afstand tot de inrichting dat het, gelet op de aard en omvang van de inrichting, aannemelijk is dat zij daar milieugevolgen van de inrichting kunnen ondervinden. De overige appellanten van [appellant sub 1] e.a. zijn geen belanghebbende, zodat het beroep voor zover door hen ingediend niet-ontvankelijk is.

2.4. ABP betoogt dat het bestreden besluit in strijd is met de Richtlijn 96/61/EG van de Raad van de Europese Unie van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (hierna: de IPPC-richtlijn). Volgens haar dient het bestreden besluit rechtstreeks aan deze richtlijn te worden getoetst.

Niet is gebleken dat de IPPC-richtlijn, voor zover hier van belang, op incorrecte wijze is geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. Verder geeft hetgeen ABP heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de Wet milieubeheer zodanig wordt toegepast dat het met de IPPC-richtlijn beoogde resultaat niet wordt bereikt. Rechtstreeks beroep op de bepalingen van de IPPC-richtlijn is in dit geval dan ook niet mogelijk. Deze beroepsgrond faalt.

2.5. ABP voert aan dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de strengere welzijnsnormen die ingevolge het Varkensbesluit op 1 januari 2013 gaan gelden. Volgens ABP had daarom geen vergunning voor onbepaalde tijd verleend mogen worden.

2.5.1. Het college stelt dat bij de beoordeling van het bestreden besluit geen toetsing behoeft plaats te vinden of de inrichting voldoet aan de bepalingen van het Varkensbesluit. Alleen al daarom behoeft volgens het college geen rekening te worden gehouden met eventuele strengere eisen van het Varkensbesluit in de toekomst.

2.5.2. Het Varkensbesluit vormt, daargelaten dat het in de onderhavige omstandigheden niet mogelijk is een vergunning met een beperkte geldigheidsduur te verlenen, geen toetsingskader voor een aanvraag ingevolge de Wet milieubeheer. Deze beroepsgrond faalt.

2.6. [appellant sub 1] e.a. achten het niet aanvaardbaar dat de voorkeursgrenswaarde voor het maximale geluidsniveau gedurende de nachtperiode wordt overschreden. ABP voert aan dat er daarmee ten onrechte een toename van de geluidsruimte is vergund.

2.6.1. Het college stelt dat uit het bij de aanvraag gevoegde akoestischrapport blijkt dat aan de grenswaarden voor het maximale geluidsniveau op de gevels van woningen van derden kan worden voldaan.

2.6.2. Het college heeft bij de invulling van de beoordelingsvrijheid voor het aspect geluidhinder hoofdstuk 4 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van het Ministerie van VROM uit 1998 (hierna: de Handreiking) tot uitgangspunt genomen. De Handreiking laat het college de ruimte tot het stellen van een maximaal geluidsniveau van 70 dB(A) als etmaalwaarde. Dit geldt ook als uit akoestisch onderzoek blijkt dat met een lagere grenswaarde kan worden volstaan. De Afdeling is derhalve van oordeel dat niet kan worden gesteld dat het college door het opnemen van de onderhavige geluidgrenswaarde buiten de grenzen van de hem toekomende beoordelingsvrijheid is getreden. Deze beroepsgrond faalt.

2.7. [appellant sub 1] e.a. en ABP voeren aan dat veel hinder wordt ondervonden van passerende vrachtwagens gedurende de nacht en in de avonduren. [appellant sub 1] e.a. achten het niet aanvaardbaar dat de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) met 5 dB(A) wordt overschreden. Volgens hen is ten onrechte niet onderzocht of er maatregelen te treffen zijn om de overschrijding tegen te gaan of te reduceren.

2.7.1. Het college stelt dat de geluidhinder, veroorzaakt door het verkeer van en naar de inrichting voldoet aan de in de circulaire van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 29 februari 1996, inzake Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting, gestelde normering.

2.7.2. De Afdeling overweegt dat de gevolgen voor het milieu van het af- en aanrijdende verkeer niet meer aan het in werking zijn van de inrichting toegerekend kunnen worden, indien dit verkeer kan worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Dat is het geval wanneer het aan- en afrijdende verkeer zich ter plaatse van de dichtstbijzijnde woning door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet meer zal onderscheiden van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden.

Gegeven de ligging van de inrichting zal het verkeer van en naar de inrichting ter plaatse van woningen van derden akoestisch niet te onderscheiden zijn van het overige verkeer. Deze beroepsgrond faalt.

2.8. [appellant sub 1] e.a. en ABP voeren aan dat het college de aanvraag ten onrechte niet heeft getoetst aan de op 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wet geurhinder).

2.8.1. Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Wet geurhinder blijft, indien een aanvraag om een vergunning is ingediend vóór het tijdstip waarop deze wet met betrekking tot zodanige aanvraag in werking treedt, het vóór dat tijdstip ten aanzien van zodanige aanvraag geldende recht van toepassing tot het tijdstip waarop de beschikking op de aanvraag onherroepelijk is geworden.

2.8.2. In deze zaak is op 21 december 2006 een aanvraag om een revisievergunning voor de inrichting bij het college ingekomen. Op 28 augustus 2007, 2 januari 2008, 17 juni 2008 en 16 januari 2009 heeft het college aanvullingen op de aanvraag ontvangen. Naar het oordeel van de Afdeling gaat het niet om zodanige wijzigingen dat niet meer gesproken kan worden van dezelfde aanvraag. Daarnaast heeft [vergunninghoudster] niet beoogd de aanvraag van 21 december 2006 in te trekken of een geheel nieuwe aanvraag in te dienen. Het college is dan ook terecht uitgegaan van 21 december 2006 als de datum van indiening van de aanvraag. Gelet op het bepaalde in artikel 14, eerste lid, van de Wet geurhinder is het college er terecht van uitgegaan dat de Wet geurhinder in dit geval niet van toepassing is. In hetgeen [appellant sub 1] e.a. en ABP overigens hebben aangevoerd, is geen grond gelegen om uit te gaan van de in de Wet geurhinder neergelegde normering. Deze beroepsgrond faalt.

2.9. [appellant sub 1] e.a. en ABP stellen dat de woningen [locatie 2], [locatie 3] en [locatie 4] ten onrechte zijn aangemerkt als categorie III-objecten als bedoeld in de brochure "Veehouderij en Hinderwet" van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de brochure). Voorts is het college volgens hen voorbij gegaan aan het feit dat zich op de [locatie 5] (thans [locatie 6]) een woning bevindt die dient te worden aangemerkt als een categorie III-object als bedoeld in de brochure.

2.9.1. Bij de beoordeling van de van de inrichting te duchten stankhinder heeft het college de richtlijn "Veehouderij en stankhinder" van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de richtlijn) gehanteerd. Voor zover het de indeling in omgevingscategorieën betreft, is toepassing gegeven aan de brochure.

Ten aanzien van de woning [locatie 5] (thans [locatie 6]) stelt het college dat deze woning moet worden aangemerkt als een categorie IV-object als bedoeld in de brochure, nu dit een woning betreft bij een voormalig tuinbouwbedrijf en de huidige bewoners, tevens de voormalige eigenaren van dit bedrijf, de omliggende landerijen aan derden verhuren.

2.9.2. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat de woningen [locatie 2], [locatie 3] en [locatie 4] in gebruik zijn als burgerwoning. De woningen staan op een afstand van circa 400 meter ten noorden van een zestal andere burgerwoningen. De woningen liggen onderling op een afstand van circa 100 meter van elkaar. Gelet hierop is hier, zoals omschreven in de brochure, geen sprake van 'meerdere verspreid liggende niet-agrarische bebouwingen die aan het desbetreffende buitengebied een bepaalde woonfunctie verlenen'. Het college heeft de woningen [locatie 2], [locatie 3] en [locatie 4] terecht als een categorie III-object aangemerkt.

Uit het deskundigenbericht blijkt, naar het oordeel van de Afdeling, dat de woning [locatie 5] (thans [locatie 6]) minimaal tien jaar als burgerwoning in gebruik is. Gedurende minstens een zelfde periode zijn er geen bedrijfmatige tuinbouwactiviteiten meer verricht door de bewoners van deze woning, noch zijn door anderen bedrijfsmatige activiteiten verricht in de op het perceel aanwezige bebouwing. Uitgaande van de systematiek van de brochure betekent dit dat voor deze woning de omgevingscategorie III geldt. De niet nader onderbouwde stelling van [belanghebbende] in zijn brief van 25 november 2009 inhoudende dat nog steeds land- en tuinbouw-werkzaamheden zouden worden verricht, doet hieraan niet af. Gelet hierop heeft het college de woning [locatie 5] (thans [locatie 6]) ten onrechte als een categorie IV-object aangemerkt.

Niet in geschil is dat met de vergunde veebezetting niet wordt voldaan aan de volgens de richtlijn minimaal aan te houden afstanden. Deze beroepsgrond treft doel en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden geen verdere bespreking.

2.10. Het beroep van [appellant sub 1] e.a. is, voor zover ontvankelijk, gegrond. Het besluit van 20 februari 2009 komt voor vernietiging in aanmerking.

2.11. Het college dient ten aanzien van [appellant sub 1] e.a. en Anti Big Pig op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en anderen niet-ontvankelijk voor zover het niet [appellant sub 1], [namen 2 appellanten] betreft;

II. verklaart de beroepen voor het overige gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 20 februari 2009, kenmerk 1476806;

IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellant sub 1] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 28,05 (zegge: achtentwintig euro vijf), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij stichting Stichting Anti Big Pig in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 28,05 (zegge: achtentwintig euro vijf);

V. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 1] en anderen en € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) voor stichting Stichting Anti Big Pig vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. W.D.M. van Diepenbeek, leden, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Klap

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2010

315.