Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL4147

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
17-02-2010
Zaaknummer
200905465/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 29 februari 2008 heeft de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) [wederpartij] ongeschikt verklaard voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën C, D, E bij C en E bij D en heeft zij [wederpartij] geschikt verklaard voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën B en E bij B met de beperkingen "bril of contactlenzen" en "alleen tijdens privé-gebruik".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905465/1/H3.

Datum uitspraak: 17 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 10 juni 2009 in zaak nr. 08/1996 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats],

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen.

1. Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 29 februari 2008 heeft de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) [wederpartij] ongeschikt verklaard voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën C, D, E bij C en E bij D en heeft zij [wederpartij] geschikt verklaard voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën B en E bij B met de beperkingen "bril of contactlenzen" en "alleen tijdens privé-gebruik".

Bij besluit van 7 november 2008 heeft het CBR het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 juni 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 7 november 2008 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het CBR bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 juli 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 21 augustus 2009.

Bij besluit van 25 augustus 2009 heeft het CBR het bezwaar van [wederpartij] tegen de besluiten van 29 februari 2008 opnieuw ongegrond verklaard.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 januari 2010, waar het CBR, vertegenwoordigd door mr. M.C.A. van den Hil-van Vliet, werkzaam bij het CBR, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 97, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen worden verklaringen van geschiktheid op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief door het CBR in het rijbewijzenregister geregistreerd ten behoeve van een ieder die voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen. Het CBR doet van deze registratie mededeling aan de aanvrager.

Ingevolge artikel 102, eerste lid, wordt door de aangewezen arts of artsen aan het CBR schriftelijk medegedeeld voor welke rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën de aanvrager naar zijn of hun oordeel voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke of geestelijke geschiktheid en voor welke rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën hij aan die eisen niet voldoet.

Ingevolge artikel 103, eerste lid, registreert het CBR, indien de aanvrager naar zijn oordeel voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft, in het rijbewijzenregister ten behoeve van de aanvrager voor die categorie of categorieën een verklaring van geschiktheid.

Ingevolge artikel 1 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (hierna: de Regeling) wordt in deze regeling verstaan onder:

a. groep 1: bestuurders van motorrijtuigen van de categorieën A, B en B + E;

b. groep 2: bestuurders van motorrijtuigen van de categorieën C, C + E, D en D + E.

Ingevolge artikel 2 worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

Paragraaf 7.6 van deze bijlage, met als opschrift "Doorbloedingsstoornissen van de hersenen", luidt:

"Doorbloedingsstoornissen van de hersenen omvatten beroerten (hersenbloeding of herseninfarct, ook wel CVA), TIA's (transient ischemic attacks), verwijdingen van de slagaders (aneurysmata) en andere vaatmisvormingen van de hersenvaten."

Paragraaf 7.6.2.2, met als opschrift "TIA en beroerte", luidt:

"Na een TIA of beroerte zijn personen ongeschikt voor rijbewijzen van groep 2 voor een periode van vijf jaar. Zij kunnen na deze periode weer geschikt worden verklaard als uit het neurologisch rapport blijkt dat zij vrij zijn van geestelijke of lichamelijke functiestoornissen. De maximale geschiktheidstermijn is drie jaar. Voor personen met epilepsie geldt tevens paragraaf 7.2."

2.2. Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit heeft het CBR ten grondslag gelegd dat [wederpartij] minder dan vijf jaar geleden een TIA heeft gehad. In het besluit van 7 november 2008 heeft het CBR daaraan toegevoegd dat een TIA een voorbijgaande verminderde bloedtoevoer van de hersenen of een gedeelte daarvan betreft en dat de daarmee gepaard gaande verschijnselen binnen 24 uur volledig zijn verdwenen. Omdat een TIA niet door middel van onderzoeken kan worden aangetoond wordt de diagnose op grond van een anamnese gesteld. Het CBR acht het voor de toepassing van paragraaf 7.6.2.2 van de bijlage bij de Regeling voldoende dat [wederpartij] in 2004 zeer waarschijnlijk een TIA heeft gehad.

2.3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het bij haar bestreden besluit onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd, nu niet voldoende overtuigend is onderbouwd waarom de aan de orde zijnde waarschijnlijkheidsdiagnose dat [wederpartij] een TIA heeft gehad voldoende is om paragraaf 7.6.2.2 van de bijlage bij de Regeling van toepassing te doen zijn. Daarvoor is naar het oordeel van de rechtbank de algemene stelling dat in de medische wereld, en in het geval van TIA's vaker, een diagnose niet met honderd procent zekerheid kan worden gesteld onvoldoende, aangezien dat uitgangspunt bij de opstelling van de bijlage bij de Regeling als zonder meer bekend moet worden verondersteld en derhalve in aanmerking moet zijn genomen bij de opstelling van de tekst.

Voorts heeft de rechtbank overwogen dat zij voorbijgaat aan de door het CBR in het verweerschrift gegeven aanvullende motivering, dat hypercholesterolemie en een cardinale emboliebron de kans op een TIA vergroten, omdat daaraan geen medische beoordeling ten grondslag ligt, althans niet kenbaar.

2.4. Het CBR betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat voor de toepassing van paragraaf 7.6.2.2 van de bijlage bij de Regeling voldoende is dat een TIA zeer waarschijnlijk is. Omdat de diagnose TIA nooit met honderd procent zekerheid kan worden gesteld gaan neurologen uit van de meest waarschijnlijke oorzaak voor neurologische uitvalsverschijnselen, aldus het CBR. Voorts voert het CBR aan dat, indien de Gezondheidsraad bij elke medische diagnose die niet met honderd procent zekerheid kan worden gesteld zou adviseren in de bijlage op te nemen dat met een waarschijnlijkheidsdiagnose kan worden volstaan, dit er toe zou leiden dat dit aan bijna iedere paragraaf in de bijlage zou moeten worden toegevoegd. Omdat dit zo vanzelfsprekend is, is daarvan afgezien, aldus het CBR.

Verder is de rechtbank er ten onrechte aan voorbij gegaan dat doorslaggevende waarde dient te worden gehecht aan de conclusie van neuroloog dr. J. Boiten (hierna: Boiten), omdat deze neuroloog [wederpartij] direct na het voorval op 4 december 2004 tijdens een ziekenhuisopname van negen dagen heeft onderzocht. Voorts is de keuringsarts dr. E. Vanroose (hierna: Vanroose) in zijn reactie op het tegenrapport van dr. G.W. van Dijk (hierna: Van Dijk) bij zijn diagnose TIA gebleven. Het CBR is dan ook van mening dat zij aannemelijk heeft gemaakt dat aan paragraaf 7.6.2.2 is voldaan. Dat Vanroose in die reactie ook heeft verklaard dat hij het goed zou vinden dat [wederpartij] voor rijbewijzen van groep 2 wordt goedgekeurd is volgens het CBR niet van belang, omdat Vanroose bij zijn eerdere diagnose TIA blijft.

Voorts betoogt het CBR dat de rechtbank ten onrechte de door het CBR aanvullend gegeven motivering in het verweerschrift niet in de beoordeling heeft betrokken. Het betreft algemeen bekende medische informatie, aldus het CBR.

2.4.1. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat een TIA een aandoening van voorbijgaande aard is, die over het algemeen niet leidt tot een beschadiging van de hersenen. Omdat een TIA niet door middel van onderzoeken kan worden aangetoond wordt de diagnose gesteld aan de hand van de symptomen (neurologische uitvalverschijnselen) die zich hebben voorgedaan. De diagnose TIA is dan ook niet met absolute zekerheid vast te stellen. Gelet op de specifieke aard van de aandoening en de onmogelijkheid deze met zekerheid vast te stellen heeft het CBR zich op het standpunt mogen stellen dat in het kader van de beoordeling of aan paragraaf 7.6.2.2 is voldaan voldoende is dat zich zeer waarschijnlijk een TIA heeft voorgedaan. Voor dat standpunt biedt die paragraaf voldoende grondslag. De regelgever heeft in die paragraaf slechts aandoeningen opgenomen. Aangenomen moet worden dat zij er vanuit is gegaan dat voor de wijze waarop moet worden beoordeeld of een daar vermelde aandoening zich heeft voorgedaan, de algemene medische opvattingen bepalend zijn, ook al is dit niet expliciet in de regeling vermeld. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Het betoog slaagt.

2.4.2. Het CBR heeft zich in het besluit van 7 november 2008 op het standpunt gesteld dat [wederpartij] zeer waarschijnlijk een TIA heeft gehad. Daaraan heeft het adviezen van Boiten en Vanroose ten grondslag gelegd. Boiten heeft in een brief van 5 januari 2005 aan de huisarts van [wederpartij] bericht dat zich zeer waarschijnlijk tweemaal een TIA bij cardiale emboliebron en hypercholesterolaemie heeft voorgedaan. Keuringsarts Vanroose acht in een brief van 19 februari 2008 aan de medisch adviseur van het CBR [wederpartij] ongeschikt voor rijbewijzen van groep 2 voor vijf jaar, omdat hij in december 2004 tweemaal een transient neurologisch beeld vertoonde dat werd beschouwd als waarschijnlijk twee maal een TIA.

Vanroose heeft in zijn reactie van 27 augustus 2008 op het in opdracht van [wederpartij] door Van Dijk opgestelde deskundigenrapport, waarin enkele kanttekeningen bij de diagnose TIA werden geplaatst, de waarschijnlijkheid van de diagnose TIA nogmaals onderstreept. Echter gelet op de afwezigheid van nieuwe klachten en normaal neurologisch onderzoek zonder enige functionele beperkingen zou hij het goedvinden dat [wederpartij] ook voor rijbewijzen van groep 2 zou worden goedgekeurd.

2.4.3. Het CBR heeft zich mogen baseren op de adviezen van Boiten en Vanroose, waarbij in aanmerking dient te worden genomen dat Boiten direct na het voorval op 4 december 2004 tijdens een ziekenhuisopname van negen dagen als behandelend specialist van [wederpartij] is opgetreden en als zodanig contact met [wederpartij] heeft gehad en hem heeft kunnen observeren en dat Boiten naar aanleiding van het deskundigenrapport van Van Dijk bij de diagnose TIA is gebleven. Gelet daarop heeft het CBR zich op het standpunt mogen stellen dat paragraaf 7.6.2.2 op [wederpartij] van toepassing is. Dat Vanroose in zijn reactie op het deskundigenrapport van Van Dijk heeft verklaard het goed te vinden als [wederpartij] zou worden goedgekeurd leidt niet tot een ander oordeel, aangezien het CBR gelet op het bepaalde in paragraaf 7.6.2.2 geen andere mogelijkheid had dan de verklaring van geschiktheid voor een rijbewijs van groep 2 te weigeren. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat er onvoldoende feitelijke grondslag is voor de conclusie dat paragraaf 7.6.2.2 van de bijlage op [wederpartij] van toepassing is. Het betoog slaagt.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. Hetgeen overigens is aangevoerd behoeft geen bespreking meer. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 7 november 2008 alsnog ongegrond verklaren.

2.6. Het besluit van 25 augustus 2009 is een besluit, als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Afdeling zal dit besluit op de voet van artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van die wet, in de beoordeling betrekken. Het besluit van 25 augustus 2009 is genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank. Door de vernietiging van die uitspraak is de grondslag aan dat besluit komen te ontvallen. Om deze reden zal de Afdeling dat besluit vernietigen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Roermond van 10 juni 2009 in zaak nr. 08/1996;

III. verklaart het door [wederpartij] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. verklaart het beroep tegen het besluit van 25 augustus 2009 gegrond;

V. vernietigt het besluit van 25 augustus 2009.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. J.H. van Kreveld en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Graat

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2010

307-624.