Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL4145

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
17-02-2010
Zaaknummer
200902749/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 februari 2009 heeft de burgemeester van Moordrecht (hierna: de burgemeester) aan [appellant] een huisverbod opgelegd met betrekking tot de woning gelegen aan het [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2010, 104 met annotatie van J.G. Brouwer
NJB 2010, 510
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200902749/1/H3.

Datum uitspraak: 17 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 18 februari 2009 in zaak nrs. 330814 en 330819 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Moordrecht.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2009 heeft de burgemeester van Moordrecht (hierna: de burgemeester) aan [appellant] een huisverbod opgelegd met betrekking tot de woning gelegen aan het [locatie] te [plaats].

Bij uitspraak van 18 februari 2009, verzonden op 3 maart 2009, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 20 februari 2009 (hierna: het verlengingsbesluit) heeft de burgemeester het huisverbod met tien dagen verlengd.

Tegen de uitspraak van 18 februari 2009 heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 april 2009, hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 september 2009, waar [appellant], bijgestaan door mr. F. el Makhtari, advocaat te Capelle aan den IJssel, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. E.A. Slappendel, advocaat te Gouda, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth) kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de aard van de feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven om een huisverbod op te leggen.

Ingevolge artikel 6, derde lid, betrekt de rechter bij de beoordeling van het huisverbod tevens de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het opleggen van het huisverbod.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, kan de burgemeester een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet. De artikelen 2, vierde lid, en 6 tot en met 8 zijn van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge het tweede lid heeft het beroep of hoger beroep tegen het huisverbod mede betrekking op een beschikking tot verlenging van het huisverbod als bedoeld in het eerste lid, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

Ingevolge artikel 2 van het Besluit tijdelijk huisverbod (hierna: Besluit) betrekt de burgemeester bij de afweging of een huisverbod wordt opgelegd uitsluitend de in de bijlage bij het Besluit opgenomen feiten en omstandigheden.

Deze feiten en omstandigheden hebben betrekking op:

a. de persoon ten aanzien van wie wordt overwogen een huisverbod op te leggen;

b. het verloop van het incident dat de aanleiding is te overwegen een huisverbod op te leggen; en

c. de leefomstandigheden van de persoon, bedoeld onder a, en degenen die met deze persoon in dezelfde woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven.

Onder de feiten en omstandigheden, bedoeld onder a, worden mede begrepen de politiegegevens met betrekking tot de persoon ten aanzien van wie wordt overwogen een huisverbod op te leggen, voor zover de burgemeester deze gegevens behoeft in het kader van zijn afweging.

2.2. De burgemeester heeft aan het huisverbod ten grondslag gelegd dat dagelijks een gespannen sfeer heerst in het huishouden, dat [appellant] regelmatig goederen kapot gooit en dat hij in toenemende mate geweld jegens zijn vrouw gebruikt. De burgemeester heeft voorts aan het besluit ten grondslag gelegd dat [appellant] zijn alcoholprobleem niet erkent, afspraken niet nakomt en slechts in beperkte mate medewerking verleent aan de hulpverlening, dat problemen met werk en financiën onrust geven in het huishouden en dat het feit dat de schoonmoeder van [appellant], die lijdt aan de ziekte van Korsakov, inwoont, extra spanning oplevert. Voorts heeft de burgemeester overwogen dat het gedrag van [appellant] onberekenbaar is en dat hij het geweld bagatelliseert. Volgens de burgemeester bestaat een reëel gevaar voor toekomstig geweld.

2.3. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat uit het proces-verbaal van bevindingen van 12 februari 2009 blijkt dat hij in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken als bedoeld in artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb); ook heeft hij betoogd dat ten onrechte is overwogen dat geen twijfel bestaat aan de juistheid van het proces-verbaal. Volgens [appellant] bestaat wel twijfel aan de juistheid van het proces-verbaal, omdat hierin ten onrechte is vermeld dat de hulpofficier van Justitie (hierna: hulpofficier) het Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld (hierna: RiHG) volledig heeft ingevuld. Verder dient uit het proces-verbaal te blijken dat de interpretaties van de signalen die in het RiHG zijn ingevuld, zijn besproken met de betrokkene. Dit blijkt er echter niet uit. Voorts heeft de hulpofficier in het proces-verbaal niet vermeld welk persoonlijk belang [appellant] heeft bij het niet opleggen van het huisverbod.

2.3.1. Het betoog faalt. Uit het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal blijkt dat aan [appellant] het voornemen tot het opleggen van een huisverbod kenbaar is gemaakt en dat hierbij uitdrukkelijk is vermeld hoe de zienswijze van [appellant] luidde toen de hulpofficier het voornemen tot het opleggen van een huisverbod aan hem kenbaar maakte. Ook uit het door de hulpofficier ingevulde RiHG blijkt dat [appellant] in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. De voorzieningenrechter heeft op goede gronden geoordeeld dat uit het proces-verbaal blijkt dat [appellant] in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. De voorzieningenrechter heeft terecht geen grond gevonden om te twijfelen aan de juistheid van de inhoud van het proces-verbaal op dit punt. Dat in het proces-verbaal ten onrechte is vermeld dat de hulpofficier het RiHG volledig heeft ingevuld, leidt niet tot de conclusie dat de inhoud van het proces-verbaal met betrekking tot het naar voren brengen van de zienswijze van [appellant] onjuistheden bevat. Voorts volgt uit de Awb noch uit de Wth de verplichting dat het persoonlijk belang van [appellant] dient te worden vermeld in het proces-verbaal, dan wel dat uit het proces-verbaal dient te blijken dat de signalen uit het RiHG met hem dienden te worden besproken. Dat het proces-verbaal op deze punten, naar [appellant] stelt, niet volledig is, leidt evenmin tot de conclusie dat hij niet in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken.

2.4. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de omstandigheid dat het RiHG niet volledig is ingevuld, niet betekent dat niet aan artikel 2 van de Wth is voldaan, omdat dat geen wettelijk vereiste vormt. De voorzieningenrechter heeft daarmee het belang van een zorgvuldig en volledig ingevuld RiHG miskend. [appellant] voert aan dat het de taak van de burgemeester is om tot een zorgvuldige toepassing van het RiHG te komen.

2.4.1. Ook dit betoog faalt. Zoals de voorzieningenrechter terecht heeft vastgesteld, heeft de hulpofficier het RiHG niet volledig ingevuld, nu hij bij de twintig onderwerpen steeds een totaalbeoordeling heeft vermeld zonder de daarbij van toepassing zijnde punten aan te kruisen. In artikel 2 van het Besluit is bepaald welke feiten en omstandigheden de burgemeester dient te betrekken bij een besluit om op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wth een huisverbod op te leggen. De voorzieningenrechter heeft op goede gronden overwogen dat de blijkens het besluit van 12 februari 2009 door de burgemeester in aanmerking genomen feiten en omstandigheden voldoende aansluiting hebben bij de in artikel 2 van het Besluit genoemde feiten en omstandigheden. De voorzieningenrechter heeft voorts met juistheid overwogen dat de Wth het invullen van het RiHG niet eist. Nu de door de burgemeester in zijn besluit van 12 februari 2009 in aanmerking genomen feiten en omstandigheden voldoende aansluiten bij artikel 2 van het Besluit en het RiHG slechts een hulpmiddel is ten behoeve van de te maken afweging door de burgemeester bij de beantwoording van de vraag of aan de condities van artikel 2 van de Wth is voldaan, heeft de voorzieningenrechter op goede gronden geoordeeld dat het onvolledig invullen van het RiHG op zichzelf niet betekent dat het besluit van 12 februari 2009 onzorgvuldig tot stand is gekomen of dat de burgemeester een onjuiste belangenafweging aan het besluit ten grondslag heeft gelegd.

2.5. Tot slot betoogt [appellant] dat de voorzieningenrechter ten onrechte geen grond heeft gezien voor het oordeel dat het opgelegde huisverbod, gelet op de feiten en omstandigheden die zich na het opleggen van het huisverbod hebben voorgedaan, niet kan voortduren. Hiermee heeft de voorzieningenrechter miskend dat hij zowel ter zitting van de voorzieningenrechter als bij De Waag en stichting Brijder te kennen heeft gegeven zijn medewerking te zullen verlenen aan de hulpverlening. [appellant] betwist uitdrukkelijk dat hij te kennen heeft gegeven dat hij slechts "onder bepaalde voorwaarden" zou meewerken. Ook uit de na de zitting van de voorzieningenrechter overgelegde stukken blijkt dat hij zijn medewerking heeft verleend. Hij heeft op 17 februari 2009 een gesprek gehad met een medewerker van de reclassering, alsook met De Waag en de stichting Brijder. Zijn belang bij terugkeer naar huis dient te prevaleren, te meer nu niet duidelijk was of zijn huisgenoten belang hadden bij het huisverbod, aldus [appellant].

2.5.1. Uit het stelsel van de Wth volgt dat de rechter in de eerste plaats moet beoordelen of het huisverbod had mogen worden opgelegd en, ingeval het is verlengd, of het had mogen worden verlengd. Als het huisverbod nog geldt op de dag waarop de rechter zijn uitspraak doet, dient hij vervolgens in verband met artikel 6, derde lid, van de Wth te bezien of zich na de oplegging of de verlenging van het huisverbod feiten of omstandigheden hebben voorgedaan waaruit blijkt dat de dreiging van gevaar of het vermoeden daarvan zich ten tijde van de beoordeling door de rechter niet langer voordoet, zodat het niet gerechtvaardigd is het huisverbod te laten voortduren.

Zoals ook uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 6 van de Wth (Kamerstukken 30657, nr. 3, blz. 25) blijkt, is, als de uithuisgeplaatste na de oplegging of verlenging van het huisverbod een aanbod tot hulpverlening heeft aanvaard, dit een indicatie dat de dreiging van gevaar of het vermoeden daarvan mogelijk niet langer bestaat. Bij de beoordeling of die dreiging of het vermoeden daarvan daadwerkelijk niet langer bestaat, is van belang of de uithuisgeplaatste inmiddels een reële aanvang met de hulpverlening heeft gemaakt en of de verwachting gerechtvaardigd is dat hij aan de hulpverlening blijft meewerken.

2.5.2. Na de oplegging van het huisverbod hebben zich nieuwe feiten en omstandigheden voorgedaan. Op 17 februari 2009 heeft [appellant] een gesprek gehad met een medewerker van de reclassering. Voorts heeft de burgemeester op 18 februari 2009 een fax overgelegd, waarin onder meer is vermeld dat de hulpverlening inmiddels in gang was gezet. De voorzieningenrechter heeft terecht geoordeeld dat deze feiten en omstandigheden geen aanleiding geven om te oordelen dat de dreiging van het gevaar of het vermoeden daarvan voor de huisgenoten van [appellant] zich niet langer voortzet. Hoewel de burgemeester zijn fax na de zitting heeft overgelegd, heeft de voorzieningenrechter deze bij zijn beoordeling betrokken. Uit de fax blijkt weliswaar dat de hulpverlening inmiddels in gang was gezet, maar het betrof nog maar een eerste gesprek met een medewerker van de reclassering. Er kan niet gezegd worden dat hiermee op dat tijdstip een reële aanvang was gemaakt met de hulpverlening en dat toen de verwachting gerechtvaardigd was dat [appellant] zijn verdere medewerking zou blijven verlenen aan de hulpverlening. De voorzieningenrechter heeft terecht in aanmerking genomen dat [appellant] te kennen heeft gegeven alleen onder bepaalde voorwaarden zijn medewerking te zullen verlenen aan de hulpverlening. De enkele betwisting hiervan door [appellant] is onvoldoende voor het oordeel dat de verwachting gerechtvaardigd was dat [appellant] verdere medewerking zou verlenen aan de hulpverlening. Het betoog van [appellant] faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Ter zitting van de Afdeling heeft [appellant] het, na de aangevallen uitspraak genomen, verlengingsbesluit van 20 februari 2009 betwist. Ingevolge artikel 9, tweede lid, van de Wth heeft het hoger beroep mede betrekking op dat verlengingsbesluit.

2.8. De burgemeester heeft het huisverbod verlengd, omdat volgens hem de dreiging van gevaar zich voortzette. Hij heeft aan het verlengingsbesluit een advies van de GGD Hollands Midden ten grondslag gelegd waaruit blijkt dat de dreiging van gevaar zich nog altijd voortzette, zodat verlenging van het huisverbod noodzakelijk was, aldus de burgemeester. Een periode van tien dagen zou volgens de burgemeester voor [appellant] voldoende moeten zijn om de aangeboden hulp te aanvaarden en daarmee voldoende veiligheid te creëren.

2.9. [appellant] heeft ter zitting van de Afdeling betoogd dat ten tijde van de verlenging van het huisverbod geen gevaar bestond voor zijn huisgenoten. Hij heeft op 19 februari 2009 een gesprek gehad met een medewerker van de reclassering en op 20 februari 2009 met medewerkers van De Waag en stichting Brijder. De burgemeester heeft het huisverbod ten onrechte met tien dagen verlengd, aldus [appellant].

2.9.1. De burgemeester heeft aan het verlengingsbesluit een advies van de GGD Hollands Midden ten grondslag gelegd. [appellant] heeft de juistheid van dit advies niet betwist, hoewel hij - naar ter zitting van de Afdeling is gebleken - hiertoe de mogelijkheid had omdat hij de beschikking had over het advies. Daarom mocht de burgemeester dit advies aan het verlengingsbesluit ten grondslag leggen.

[appellant] heeft de stelling dat ten tijde van de verlenging van het huisverbod, anders dan volgens het advies het geval was, geen gevaar dreigde voor zijn huisgenoten, niet gestaafd met toereikende gegevens. Het enkele feit dat op 19 en 20 februari 2009 gesprekken hebben plaatsgevonden met hulpverleners van de reclassering, De Waag en de stichting Brijder, leidt niet tot het oordeel dat de burgemeester zich niet, onder verwijzing naar het advies, op het standpunt heeft mogen stellen dat de dreiging van gevaar zich nog voortzette als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wth.

Het betoog faalt.

2.10. Het beroep gericht tegen het besluit van de burgemeester van 20 februari 2009 zal ongegrond moeten worden verklaard.

2.11. [appellant] heeft verzocht de burgemeester te veroordelen tot vergoeding van de schade die hij stelt te hebben geleden door het huisverbod dan wel het vanaf 17 februari 2009 laten voortduren van het huisverbod. Nu de Afdeling zowel het hoger beroep als het beroep gericht tegen het besluit van 20 februari 2009 ongegrond zal verklaren, dient het verzoek tot schadevergoeding te worden afgewezen.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van de burgemeester van 20 februari 2009 ongegrond;

III. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, voorzitter, en mr. J.H. van Kreveld en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Graat

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2010

307-581.