Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL4140

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
17-02-2010
Zaaknummer
200903361/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 maart 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 30 maart 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2010/2287
JOM 2012/952
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903361/1/M2.

Datum uitspraak: 17 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Anti Big Pig, gevestigd te Kruisland, gemeente Steenbergen,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 maart 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 30 maart 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft de stichting Stichting Anti Big Pig (hierna: ABP) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 mei 2009, beroep ingesteld.

Nadere stukken zijn ontvangen van ABP. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 januari 2010, waar ABP, vertegenwoordigd door H. Baptist, en het college, vertegenwoordigd door J.B.J.M. Merkx en ing. Van Dooren, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Tevens zijn [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis, en het college van burgemeester en wethouders van Steenbergen, vertegenwoordigd door W. Foppen en ing. A.C. Ferket- van Ooi, werkzaam bij de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het college voert aan te betwijfelen of ABP als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht kan worden aangemerkt. Het college stelt dat niet gebleken is dat ABP werkzaamheden verricht waaruit blijkt dat zij het rechtstreeks bij het besluit betrokken belang in het bijzonder behartigt.

2.1.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

Voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb, is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt.

2.1.2. Op grond van artikel 2 van haar statuten heeft ABP tot doel de aantasting van natuur, milieu en landschap, alsmede de leefbaarheid van Kruisland en omgeving door intensieve veehouderij te voorkomen.

In het door ABP ingediende nader stuk beschrijft zij de door haar ondernomen werkzaamheden, waaronder het voeren van overleg met politieke partijen en het college van burgemeester en wethouders. Gelet hierop en de ter zitting door zowel ABP als het college van burgemeester en wethouders gegeven toelichting, stelt de Afdeling vast dat ABP blijkens haar doel en haar feitelijke activiteiten in het bijzonder het belang behartigt dat met het bestreden besluit is gemoeid. ABP is dan ook naar het oordeel van de Afdeling belanghebbende in de zin van de Awb.

2.2. ABP betoogt dat het bestreden besluit in strijd is met de Richtlijn 96/61/EG van de Raad van de Europese Unie van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (hierna: de IPPC-richtlijn). Volgens haar dient het bestreden besluit rechtstreeks aan deze richtlijn te worden getoetst.

Niet is gebleken dat de IPPC-richtlijn, voor zover hier van belang, op incorrecte wijze is geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. Verder geeft hetgeen ABP heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de Wet milieubeheer zodanig wordt toegepast dat het met de IPPC-richtlijn beoogde resultaat niet wordt bereikt. Een rechtstreeks beroep op de bepalingen van de IPPC-richtlijn is in dit geval dan ook niet mogelijk. Deze beroepsgrond faalt.

2.3. ABP voert aan dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de strengere welzijnsnormen die ingevolge het Varkensbesluit op 1 januari 2013 gaan gelden. Volgens ABP had daarom geen vergunning voor onbepaalde tijd verleend mogen worden.

2.3.1. Het college stelt dat bij de beoordeling van het bestreden besluit geen toetsing behoeft plaats te vinden of de inrichting voldoet aan de bepalingen van het Varkensbesluit. Alleen al daarom behoeft volgens het college geen rekening te worden gehouden met eventuele strengere eisen van het Varkensbesluit in de toekomst.

2.3.2. Het Varkensbesluit vormt, daargelaten dat het in de onderhavige omstandigheden niet mogelijk is een vergunning met een beperkte geldigheidsduur te verlenen, geen toetsingskader voor een aanvraag ingevolge de Wet milieubeheer. Deze beroepsgrond faalt.

2.4. ABP voert aan dat het nooit zo kan zijn dat, gelet op het aangevraagde gewicht van de varkens tot 110 kg, alle varkens niet meer dan de op basis van het Varkensbesluit minimaal vereiste leefruimte van 0,8 m2 nodig hebben. Zwaardere varkens moeten een grotere leefruimte hebben. Daarom is volgens ABP bij de berekening van de ammoniak- en geuremissie uitgegaan van een te gering hokoppervlak.

2.4.1. Het college stelt bij de beoordeling van de ammoniak- en stankemissie te zijn uitgegaan van de aangevraagde hokoppervlakte van minder dan 0,8 m2.

2.4.2. Uit het stelsel van de Wet milieubeheer volgt dat het bevoegde gezag dient te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. Het college is derhalve terecht uitgegaan van de aangevraagde hokoppervlakte van maximaal 0,8 m2. Deze beroepsgrond faalt.

2.5. ABP voert aan dat het toegepaste stalsysteem niet in overeenstemming is met het stalsysteem uit de BREF Intensieve veehouderij waar in het bestreden besluit naar verwezen wordt en dat daarom niet aan de beste beschikbare technieken wordt voldaan. Het toegepaste systeem dient volgens de beschrijving in paragraaf 4.6.1.5 van de BREF Intensieve veehouderij een koelend oppervlak van minimaal 200 % te hebben en voorzien te zijn van stalen roosters. De stal heeft een koelend oppervlak van 170 % zodat volgens ABP niet aan de vereiste reductie van ammoniakemissie wordt voldaan. ABP voert verder aan dat het energieverbruik door met name het vergunde stalsysteem enorm toe neemt.

2.5.1. Het college stelt dat het vergunde stalsysteem in paragraaf 4.6.4.4 van de BREF beschreven staat. Hierin wordt met betrekking tot het koeldeksysteem naar paragraaf 4.6.1.5 verwezen. In tegenstelling tot het in deze paragraaf omschreven systeem wordt in de vergunde situatie een koeloppervlak van 170 % in plaats van 200 % toegepast. Dit betekent volgens het college dat nu 1,4 kg NH3 per dierplaats per jaar wordt uitgestoten in plaats van 1,2 kg NH3 per dierplaats per jaar. Volgens het college is dit aanvaardbaar. Uit een door adviesbureau TES uitgevoerd onderzoek blijkt volgens het college dat het toepassen van betonnen in plaats van metalen roosters geen verschil maakt voor de NH3 emissie.

Het college stelt dat het energieverbruik van het bedrijf de niveaus waarboven de verplichting kan worden opgelegd tot het uitvoeren van een energiebesparingsonderzoek niet overschrijdt. De maatregelen die het bedrijf op grond van het bij de aanvraag gevoegde beperkte energiebesparingsonderzoek heeft getroffen zijn naar de mening van het college voldoende.

2.5.2. Onomstreden is dat het vergunde stalsysteem niet volledig overeenstemt met het in paragraaf 4.6.4.4 van de BREF Intensieve veehouderij omschreven systeem. Uit de stukken blijkt dat met het vergunde stalsysteem 1,4 kg NH3 per dierplaats per jaar wordt uitgestoten. De emissie van het vergunde stalsysteem is daarmee niet hoger dan de emissiewaarde behorend bij de techniek die in paragraaf 4.6.4.4 van de BREF Intensieve veehouderij als beste beschikbare techniek wordt aangemerkt.

Verder is niet gebleken dat het vergunde stalsysteem tot een onaanvaardbare toename van het energieverbruik leidt. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het vergunde stalsysteem is gebaseerd op de beste beschikbare technieken. Deze beroepsgrond faalt.

2.6. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. W.D.M. van Diepenbeek, leden, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Klap

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2010

315.