Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL4139

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
17-02-2010
Zaaknummer
200902096/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 februari 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sevenum, thans: Horst aan de Maas, (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een varkenshouderij op het perceel [locatie] in [plaats]. Dit besluit is op 13 februari 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 5.16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2010/282 met annotatie van G.M. van den Broek
M en R 2010, 36 met annotatie van B. Arentz
Milieurecht Totaal 2010/103
JOM 2010/237
JOM 2010/621
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200902096/1/M2.

Datum uitspraak: 17 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Sevenum,

thans: Horst aan de Maas,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 februari 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sevenum, thans: Horst aan de Maas, (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een varkenshouderij op het perceel [locatie] in [plaats]. Dit besluit is op 13 februari 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 maart 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 20 april 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellante], het college en [vergunninghouder] hebben hun zienswijzen daarop naar voren gebracht.

[vergunninghouder] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 januari 2010, waar het college, vertegenwoordigd door drs. L.J.M. Selen, werkzaam bij de gemeente, is verschenen. Voorts is [vergunninghouder] in persoon, bijgestaan door mr. A.A.T. Stoffels en ing. E. Maas, als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. [vergunninghouder] betoogt dat [appellante] geen belanghebbende is bij het bestreden besluit en dat haar beroep om die reden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Hij voert hierbij aan dat [appellante] haar kalkoenhouderij, die is gelegen naast de inrichting waarvoor bij het bestreden besluit vergunning is verleend, inmiddels heeft verkocht. [vergunninghouder] brengt verder naar voren dat het beroep alleen ziet op luchtkwaliteit. Volgens hem heeft [appellante] er gezien de grote emissie van zwevende deeltjes uit haar eigen kalkoenhouderij geen belang bij om de rechtmatigheid van het bestreden besluit op dit onderdeel te bestrijden.

2.1.1. Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan, voor zover hier van belang, een belanghebbende tegen een besluit op grond van deze wet beroep instellen.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.1.2. Wanneer krachtens de Wet milieubeheer een vergunning voor het oprichten en het in werking hebben van een inrichting wordt verleend, zijn naast de aanvrager onder meer de eigenaren en bewoners van percelen waarop milieugevolgen van deze inrichting kunnen worden ondervonden belanghebbenden.

2.1.3. [appellante] exploiteert een kalkoenhouderij op een perceel dat direct naast de op te richten inrichting van [vergunninghouder] is gelegen. Het is aannemelijk dat op dit perceel milieugevolgen van de inrichting van [vergunninghouder] kunnen worden ondervonden. [appellante] heeft het desbetreffende perceel weliswaar op 22 juni 2009 verkocht, maar zij - zo komt naar voren uit de notariële akte van levering - behoudt het gebruiksrecht tot 1 september 2011. Onder deze omstandigheden moet [appellante] worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De aard van de aangevoerde gronden is in dit verband niet van belang.

2.2. [appellante] voert aan, onder verwijzing naar de resultaten van in haar opdracht door Bergs Advies uitgevoerde berekeningen, dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 5.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer, omdat de in bijlage 2 bij de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10) worden overschreden. Daarbij voert zij aan dat de bijdrage van haar kalkoenhouderij aan de concentratie van zwevende deeltjes door het college ten onrechte niet afzonderlijk bij de berekening van de achtergrondconcentratie is betrokken. Verder voert zij aan dat bij de berekeningen van een onjuiste gebouwhoogte van de inrichting is uitgegaan.

2.2.1. Het college stelt zich, onder verwijzing naar een in opdracht van [vergunninghouder] door Exlan Consultants B.V. uitgevoerd luchtkwaliteitonderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "Onderzoek luchtkwaliteit [locatie] te [plsats]" van 8 december 2008, op het standpunt dat het in werking zijn van de bij het bestreden besluit vergunde inrichting niet leidt tot een overschrijding van de grenswaarden voor zwevende deeltjes. Volgens het college is de bijdrage van de kalkoenhouderij van [appellante] verdisconteerd in de grootschalige concentratiegegevens die jaarlijks door de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer worden vastgesteld. De Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 (hierna: de Regeling) biedt volgens het college geen grondslag voor het daarnaast afzonderlijk bij de berekeningen betrekken van de emissie van zwevende deeltjes van een lokale bron zoals de kalkoenhouderij van [appellante].

2.2.2. Uit artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, onder a, van de Wet milieubeheer volgt dat bestuursorganen, als de uitoefening van hun bevoegdheid te beslissen op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 8.2 van de Wet milieubeheer gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, hun bevoegdheid uitoefenen, als aannemelijk is gemaakt dat die uitoefening - kort gezegd - niet leidt tot het overschrijden, of tot het op of na het tijdstip van ingang waarschijnlijk overschrijden, van een in bijlage 2 opgenomen grenswaarde.

Ingevolge voorschrift 4.1 van bijlage 2 bij de Wet milieubeheer gelden voor zwevende deeltjes (PM10) de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

a. 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie;

b. 50 microgram per m3 als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

Ingevolge artikel 66, aanhef en onder a en b, van de Regeling, voor zover hier van belang, maakt de minister vóór 15 maart van ieder kalenderjaar bekend:

a. een overzicht van de grootschalige concentratiegegevens van zwevende deeltjes (PM10) van het voorafgaande kalenderjaar;

b. een overzicht van de prognoses van de grootschalige concentratiegegevens van zwevende deeltjes (PM10) van het tiende kalenderjaar, volgend op het voorafgaande kalenderjaar en van de jaren 2010 en 2020.

Ingevolge artikel 67, eerste lid, van de Regeling maken bestuursorganen bij het door middel van berekening vaststellen van concentraties van verontreinigende stoffen in de buitenlucht gebruik van de gegevens, bedoeld in artikel 66. Ingevolge het tweede lid van dit artikel, voor zover hier van belang, kunnen bestuursorganen in afwijking van het eerste lid andere gegevens gebruiken dan de gegevens bedoeld in artikel 66, onder a of b, indien die andere gegevens zijn goedgekeurd door de minister.

2.2.3. De bij de berekeningen van Exlan gehanteerde gebouwhoogte voor de stal van de inrichting - 9,06 meter - komt overeen met de nokhoogte van de stal die is vermeld op de tekening bij de aanvraag die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit. Geconcludeerd moet worden, mede gezien het deskundigenbericht op dit punt, dat bij de berekeningen is uitgegaan van juiste gegevens ter zake van de gebouwhoogte. In zoverre kan het beroep niet slagen.

2.2.4. In het luchtkwaliteitsonderzoek van Exlan, waarin wordt geconcludeerd dat de grenswaarden voor zwevende deeltjes niet worden overschreden, is bij het bepalen van de achtergrondconcentratie gebruik gemaakt van de grootschalige concentratiegegevens als bedoeld in artikel 66 van de Regeling. De bijdrage van de kalkoenhouderij van [appellante] moet, nu het om een bestaande bron gaat, als zodanig worden geacht te zijn verdisconteerd in deze grootschalige concentratiegegevens.

Er is geen aanleiding voor het oordeel dat het college in zoverre niet heeft mogen uitgaan van het luchtkwaliteitsonderzoek van Exlan ten aanzien waarvan - in het licht van artikel 67 van de Regeling - niet kan worden ingezien dat bij het bepalen van de achtergrondconcentratie van zwevende deeltjes de kalkoenhouderij als afzonderlijke bron moest worden betrokken.

Deze beroepsgrond faalt.

2.3. Het beroep is ongegrond.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.G. Timmerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Timmerman

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2010

431-628.