Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL4136

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-02-2010
Datum publicatie
17-02-2010
Zaaknummer
200910319/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 november 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Aa en Hunze (hierna: het college) een verklaring als bedoeld in artikel 8.19, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer met betrekking tot een verandering van een pluimveebedrijf aan de Gasselterboerveenschemond 4 te Gasselternijveenschemond, gegeven.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/557
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200910319/1/M2.

Datum uitspraak: 12 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats], en anderen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Aa en Hunze,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 november 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Aa en Hunze (hierna: het college) een verklaring als bedoeld in artikel 8.19, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer met betrekking tot een verandering van een pluimveebedrijf aan de Gasselterboerveenschemond 4 te Gasselternijveenschemond, gegeven.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bezwaar gemaakt.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 december 2009, hebben [verzoeker] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 3 februari 2010, waar [verzoeker] en anderen, van wie [verzoeker] in persoon, en het college, vertegenwoordigd door P.L. Beeftink, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door drs. R.A.M. van Woerden, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. [verzoeker] en anderen stellen dat het college ten onrechte een verklaring als bedoeld in artikel 8.19, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer heeft gegeven, omdat de gemelde wijziging een grotere milieubelasting met zich brengt dan op grond van de bij besluit van 25 augustus 2009 verleende vergunning is toegestaan.

2.1.1. Ingevolge artikel 8.19, eerste lid, van de Wet milieubeheer geldt een voor een inrichting verleende vergunning tevens voor veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan die niet in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning of de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften, maar die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken, onder voorwaarde dat:

a. deze veranderingen niet leiden tot een andere inrichting dan waarvoor vergunning is verleend;

b. het voornemen tot het uitvoeren van de verandering door de vergunninghouder schriftelijk overeenkomstig de krachtens het zevende lid, onder a, gestelde regels aan het bevoegd gezag is gemeld, en

c. het bevoegd gezag aan de vergunninghouder schriftelijk heeft verklaard dat de voorgenomen verandering voldoet aan de aanhef en onderdeel a en de verandering naar zijn oordeel geen aanleiding geeft tot toepassing van de artikelen 8.22, 8.23 of 8.25.

2.1.2. [verzoeker] en anderen hebben in hun verzoekschrift noch ter zitting aannemelijk gemaakt dat niet wordt voldaan aan de vereisten van artikel 8.19, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Er bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat het college ten onrechte een verklaring als bedoeld in artikel 8.19, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer heeft gegeven.

2.2. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H.J.J. Kalter, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Kalter

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2010

492.