Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL4128

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
17-02-2010
Zaaknummer
200903187/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 oktober 2007 heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Delfshaven (hierna: het dagelijks bestuur) zijn beslissing om op 5 september 2007 de in het pand op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het pand) aangetroffen hennepkwekerij te ontmantelen op schrift gesteld. Daarbij heeft het dagelijks bestuur de kosten van de toepassing van bestuursdwang voor rekening van [appellante] gebracht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2010/75
JOM 2010/274 met annotatie van C.L.G.F.H. Albers
JOM 2010/319
JB 2010/83 met annotatie van C.L.G.F.H. Albers
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903187/1/H1.

Datum uitspraak: 17 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 maart 2009 in zaak nr. 08/1681 in het geding tussen:

[appellante]

en

het dagelijks bestuur van de deelgemeente Delfshaven.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2007 heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Delfshaven (hierna: het dagelijks bestuur) zijn beslissing om op 5 september 2007 de in het pand op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het pand) aangetroffen hennepkwekerij te ontmantelen op schrift gesteld. Daarbij heeft het dagelijks bestuur de kosten van de toepassing van bestuursdwang voor rekening van [appellante] gebracht.

Bij besluit van 4 maart 2008 heeft het dagelijks bestuur het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 maart 2009, verzonden op 25 maart 2009, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 mei 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 3 juni 2009.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 januari 2010, waar [appellante], vertegenwoordigd door M. Voskuil en bijgestaan door mr. I.C.M.C. van de Wetering, advocaat te Berkel en Rodenrijs, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door J.M. Mulder, ambtenaar in dienst van de deelgemeente Delfshaven, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 5:24, vierde lid, gelezen in samenhang met het vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) behoeft het bestuursorgaan geen termijn te gunnen waarbinnen belanghebbenden tenuitvoerlegging van bestuursdwang kunnen voorkomen door zelf maatregelen te treffen indien de vereiste spoed zich daartegen verzet.

Ingevolge artikel 5:25, eerste lid, van de Awb is de overtreder de kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang verschuldigd, tenzij de kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Middelland" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel waarop het pand zich bevindt de bestemming "Winkels (WI, WII)".

Ingevolge artikel 7 van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden en op de plantekening nader aangeduid met I, II, bestemd voor gebouwen, waarin zijn toegestaan winkels op de begane grond, waarvan de bruto vloeroppervlakte niet meer dan 300 m² per vestiging mag bedragen en gestapelde woningen op de verdiepingen, met de daarbij behorende tuinen en erven resp. als bedoeld in de artikelen 23 en 24 van deze voorschriften, met dien verstande, dat op de door "Winkels II" aangewezen gronden de gestapelde woningen tevens op de begane grond zijn toegestaan.

Ingevolge artikel 36, eerste lid, is het verboden de in dit bestemmingsplan gelegen onbebouwde gronden en de in het plan gelegen bouwwerken - voor zover daarin geen scholen zijn gevestigd - geheel of gedeeltelijk te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de daaraan in het plan gegeven bestemming(en) en/of het volgens de voorschriften uitsluitend toegestane gebruik, dan wel met de uit deze voorschriften voortvloeiende aard van de bebouwing.

Ingevolge artikel 1 van de voorschriften van de Tweede verzamelherziening inzake gebruiksbepaling (hierna: de verzamelherziening) dient in de gebruiksbepalingen, welke onder welke benaming ook onderdeel uitmaken van de bestemmingsplannen die zijn vermeld in de bij deze voorschriften behorende bijlagen A en B, onder "gebruik" te worden verstaan: gebruiken, in gebruik geven, doen gebruiken of laten gebruiken. Het bestemmingsplan is opgenomen in bijlage B bij de verzamelherziening.

2.2. Niet in geschil is dat het gebruik van het pand als hennepkwekerij in strijd is met artikel 36, eerste lid, van de planvoorschriften en dat het dagelijks bestuur daartegen handhavend kon optreden.

2.3. [appellante] voert terecht aan dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op het in beroep aangevoerde betoog dat het besluit van 4 maart 2008 niet met de benodigde zorgvuldigheid tot stand is gekomen en het dagelijks bestuur in strijd met het fair play beginsel heeft gehandeld door zich te baseren op een advies dat afkomstig is van een ambtenaar die betrokken is geweest bij de totstandkoming van het primaire besluit. Gelet op het hierna volgende leidt dit evenwel niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

De commissie voor de bezwaarschriften van de deelgemeente Delfshaven heeft in het advies van 9 januari 2008 geadviseerd het bezwaar van [appellante] gegrond te verklaren omdat het dagelijks bestuur niet aannemelijk heeft gemaakt dat [appellante] als overtreder moet worden beschouwd. In afwijking van dit advies heeft het dagelijks bestuur in het besluit van 4 maart 2008, met overneming van het contrair ambtelijk advies van 25 januari 2008, het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 29 oktober 2007 in stand gelaten. Nu in het ambtelijk advies uitvoerig uiteengezet is op grond van welke overwegingen geconcludeerd dient te worden dat [appellante] wel als overtreder moet worden aangemerkt, heeft het dagelijks bestuur voldoende gemotiveerd waarom is afgeweken van het advies van de bezwaarschriftencommissie en is het besluit in zoverre zorgvuldig voorbereid.

Dat het aan het besluit van 4 maart 2008 ten grondslag gelegde contrair advies afkomstig is van een ambtenaar die betrokken is geweest bij de totstandkoming van het primaire besluit leidt niet tot het oordeel dat het dagelijks bestuur in strijd met het fair play beginsel heeft gehandeld, nu noch de Awb, noch een andere rechtsregel zich hiertegen verzet.

2.4. [appellante] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat zij door het dagelijks bestuur terecht is aangemerkt als overtreder, heeft miskend dat zij geen eigenaar is van het pand, maar beheerder en in die hoedanigheid het pand verhuurt aan de huurder. [appellante] voert aan dat zij niet op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de hennepkwekerij en het evenmin in haar macht had om de overtreding te beëindigen.

2.4.1. Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de planvoorschriften, in samenhang gelezen met artikel 1 van de voorschriften van de verzamelherziening, voor zover thans van belang, is het verboden gronden en de in het plan gelegen bouwwerken geheel of gedeeltelijk te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de bestemming "Winkels (WI, WII)". De rechtbank heeft in hetgeen [appellante] in beroep heeft aangevoerd terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het dagelijks bestuur zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat [appellante], in de hoedanigheid van beheerder, het pand heeft laten gebruiken in strijd met de ter plaatse geldende bestemming in evenbedoelde zin, omdat [appellante], naar zij zelf heeft gesteld, het pand heeft verhuurd.

Hierbij wordt in aanmerking genomen dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet heeft kunnen weten dat het pand als hennepkwekerij werd gebruikt. Van haar mocht als professionele verhuurder worden gevergd dat zij zich tot op zekere hoogte informeerde over het gebruik dat van de door haar verhuurde woning werd gemaakt. De bezichtiging van de woning vóór aanvang van de huurovereenkomst volstond in dit geval niet. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen had [appellante] in het feit dat de huur niet door de huurder zelf werd voldaan, maar door verschillende andere personen en betalingen bovendien door stortingen op het postkantoor plaats vonden, aanleiding moeten zien een nader onderzoek in te stellen naar het gebruik van de woning door de huurder. Anders dan [appellante] ter zitting heeft gesteld doet de omstandigheid dat [appellante] meer dan 500 woningen verhuurt en het veel werk met zich brengt om zich op de hoogte te stellen van het gebruik dat van deze woningen wordt gemaakt, er niet aan af dat het uit een oogpunt van zorgvuldigheid op de weg van [appellante] had gelegen om het gebruik van de woning te controleren. Nu [appellante] dit nader onderzoek heeft nagelaten heeft zij niet de benodigde zorgvuldigheid in acht genomen en heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat zij van de hennepkwekerij niet heeft kunnen weten. Het betoog faalt.

2.5. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur ten onrechte niet heeft volstaan met het afsluiten van de elektriciteits- en watervoorzieningen. [appellante] voert aan dat zij door de onmiddellijke ontmanteling niet in de gelegenheid is gesteld de hennepkwekerij zelf te ontmantelen waardoor onnodige kosten zijn gemaakt.

2.5.1. Niet in geschil is de conclusie in het rapport van 10 september 2007 van een fraudemedewerker van Eneco Energie Services B.V. dat sprake was van een brandgevaarlijke situatie door een ondeugdelijke elektrische installatie en een hoog vochtgehalte. Het dagelijks bestuur heeft toegelicht dat de door [appellante] genoemde maatregelen niet volstaan omdat in dat geval de kans bestaat dat de elektriciteit weer wordt aangesloten en de brandgevaarlijke situatie opnieuw zal ontstaan. Bovendien, zo heeft het dagelijks bestuur ter zitting verduidelijkt, acht het dagelijks bestuur het onverantwoord om na ontdekking van een hennepkwekerij chemicaliën, apparatuur en planten onbeheerd in het pand achter te laten in afwachting van het traceren van de overtreder, hetgeen enkele weken in beslag kan nemen. Gelet hierop heeft het dagelijks bestuur genoegzaam gemotiveerd dat directe ontmanteling van de hennepkwekerij noodzakelijk was. De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het dagelijks bestuur [appellante] in de gelegenheid had moeten stellen om de hennepkwekerij zelf te ontmantelen. Het betoog faalt.

2.6. [appellante] betoogt voorts tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur de kosten verbonden aan toepassing van bestuursdwang niet voor haar rekening had mogen brengen, omdat zij niet de feitelijke overtreder is en bovendien al het mogelijke heeft gedaan om wanpraktijken te voorkomen. Aangezien [appellante] heeft gehandeld in strijd met artikel 36, eerste lid, van de planvoorschriften, gelezen in samenhang met artikel 1 van de voorschriften van de verzamelherziening, is zij als overtreder ingevolge artikel 5:25, eerste lid, van de Awb de kosten van toepassing van bestuursdwang verschuldigd. Slechts onder uitzonderlijke omstandigheden kan reden bestaan om op die regel een uitzondering aan te nemen. De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat zich omstandigheden voordeden in verband waarmee het dagelijks bestuur de kosten, verbonden aan de toepassing van bestuursdwang, niet op [appellante] mocht verhalen.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Van Driel

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2010

414-604.