Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL4122

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
17-02-2010
Zaaknummer
200903421/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 maart 2009, kenmerk 1458867, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Veldhoven (hierna: de raad) bij besluit van 30 september 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Zeelst, herziening 2008".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903421/1/R2.

Datum uitspraak: 17 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 maart 2009, kenmerk 1458867, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Veldhoven (hierna: de raad) bij besluit van 30 september 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Zeelst, herziening 2008".

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 mei 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 januari 2010, waar [appellant], bijgestaan door mr. S.D. van Reenen, is verschenen.

Voorts is ter zitting de raad, vertegenwoordigd door R. Smits, ambtenaar in dienst van de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

Toetsingskader

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Het plan

2.2. Het plan voorziet, voor zover hier van belang, in een aanpassing van de toegestane oppervlakte van het bijgebouw met betrekking tot het perceel [locatie] (hierna: het perceel).

De voorgeschiedenis

2.3. Bij besluit van 29 augustus 2006, kenmerk 1176731, heeft het college goedkeuring onthouden aan het bestemmingsplan "Zeelst", voor zover het betreft een gedeelte van het perceel met de bestemming "Wonen (W)". Het college heeft dit in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht, waarbij het zich op het standpunt heeft gesteld dat het zich op het perceel bevindende bijgebouw dat wordt gebruikt voor een aan huis verbonden beroep door [appellant], een grotere oppervlakte beslaat dan 50 m², terwijl ingevolge de planvoorschriften slechts een oppervlakte tot 50 m² was toegestaan. Een grotere oppervlakte was wel mogelijk via een vrijstelling, maar een bestaande functie mag niet afhankelijk worden gesteld van een nog te vragen vrijstelling, aldus het college in dat besluit. De Afdeling heeft dat besluit bij uitspraak van 18 april 2007 in zaak nr. 200607727/1, voor zover het de motivering van deze onthouding van goedkeuring betreft, in stand gelaten. Vervolgens is een plan ingevolge artikel 30 van de WRO door de raad vastgesteld.

Het beroep

2.4. [appellant] richt zich in beroep tegen de goedkeuring van het plan, voor zover niet is voorzien in een kantoorbestemming voor het bijgebouw op het perceel, waarin het assurantiekantoor van [appellant] en zijn compagnon is gevestigd.

[appellant] stelt dat hij door het plan op onevenredige wijze wordt benadeeld. Hiertoe voert hij aan dat het plan geen rekening houdt met de mogelijkheid om het bijgebouw te verhuren aan derden, waardoor hij wordt beperkt in de toekomstige gebruiksmogelijkheden. Overlast voor de woonomgeving valt volgens hem niet te verwachten. In dit verband voert [appellant] aan dat er andere bedrijven in de omgeving zijn, waaronder de fysiotherapiepraktijk aan de overkant van de straat, die wel een bedrijfsmatige bestemming hebben gekregen.

2.5. Ingevolge artikel 30, eerste lid, van de WRO, voor zover hier van belang, stelt de raad, indien door het college goedkeuring aan een vastgesteld bestemmingsplan is onthouden, een nieuw plan vast waarbij het besluit van het college in acht wordt genomen. Hieraan is in dit plan voldaan door het opnemen van het perceel in het Register afwijkende bouwvoorschriften en gebruiksvormen, behorende bij het bestemmingsplan "Zeelst", zoals volgt uit artikel A van de planvoorschriften. Naast en met handhaving van de woonfunctie is binnen de woning nu een kantoor aan huis toegestaan met een oppervlakte van niet meer dan 125 m². Gelet op de aan het eerdere goedkeuringsbesluit ten grondslag gelegde motivering, strekt in onderhavig geval de plicht als bedoeld in artikel 30 van de WRO niet tot een heroverweging van de aan het gedeelte van het perceel toegekende bestemming, maar alleen tot een aanpassing van de toegestane oppervlakte van het bijgebouw. Dit zou anders kunnen zijn indien de feiten en omstandigheden sinds het eerdere goedkeuringsbesluit zodanig zijn gewijzigd dat aan het besluit geen betekenis meer kan worden toegekend. Niet is aangevoerd dat er sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden sinds de uitspraak van de Afdeling van 18 april 2007, noch is daarvan gebleken. De Afdeling heeft bij genoemde uitspraak het beroep van [appellant] reeds ongegrond verklaard en [appellant] heeft thans dezelfde gronden als in de voorgaande procedure aangevoerd.

Gelet op het voorgaande heeft terecht geen heroverweging van de toegekende bestemming plaatsgevonden en behoeven de bezwaren van [appellant], die alleen hierop betrekking hebben, in onderhavige procedure niet opnieuw te worden besproken.

2.6. De conclusie is dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Troost

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2010

234-605.