Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL4116

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-02-2010
Datum publicatie
17-02-2010
Zaaknummer
200910062/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 december 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders Rijssen-Holten (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Mengvoeder Groep B.V. (hierna: MVG) een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 3.37, derde lid, van de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: de Regeling).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2010/4098
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200910062/1/M1.

Datum uitspraak: 9 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Mengvoeder Groep B.V., gevestigd te Holten, gemeente Rijssen-Holten, om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders Rijssen-Holten,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 december 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders Rijssen-Holten (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Mengvoeder Groep B.V. (hierna: MVG) een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 3.37, derde lid, van de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: de Regeling).

Tegen dit besluit heeft MVG bezwaar gemaakt.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 december 2009, heeft MVG de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 2 februari 2010, waar MVG, vertegenwoordigd door [eigenaar], en het college, vertegenwoordigd door mr. C. van Bart, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3.37, derde lid, van de Regeling dient degene die het opslaan van vloeibare brandstof heeft beëindigd de ondergrondse opslagtank met de daarbij behorende leidingen en appendages binnen acht weken na de beëindiging te verwijderen. Indien verwijdering als gevolg van de ligging redelijkerwijs niet kan worden gevergd wordt de ondergrondse opslagtank met de daarbij behorende leidingen en appendages binnen acht weken na de beëindiging onklaar gemaakt.

2.2. Volgens het college is in juni 2009 bericht ontvangen van MVG dat haar bedrijfsactiviteiten aan de Larenseweg 48 in Holten worden beëindigd. Deze activiteiten omvatten volgens het college mede een tankstation. Geconstateerd is dat er geen bedrijfsmatige activiteiten meer plaatsvinden, dat de tanks zijn leeggezogen en dat de pompinstallatie is verwijderd. De tanks, leidingen en appendages zijn nog niet verwijderd. In het bestreden besluit wordt MVG gelast de ondergrondse tanks, leidingen en appendages te verwijderen vóór 1 mei 2010, op verbeurte van een dwangsom per week dat de last niet is uitgevoerd.

2.3. MVG betoogt dat zij sinds 1 juni 1999 niet de drijver van het tankstation is geweest. Per die datum heeft zij het tankstation verhuurd aan [belanghebbende]. [belanghebbende] en de rechtsopvolgster van [belanghebbende], Oliecentrale Nederland B.V. (hierna: OCN) hebben volgens MVG het tankstation voor hun rekening en risico geëxploiteerd, totdat OCN per 31 mei 2009 de huur en de exploitatie heeft beëindigd. Daarbij heeft OCN een eindsituatie bodemonderzoek doen verrichten en het rapport "Eindsituatie bodemonderzoek ter plaatse van het Brandstof Service Punt aan de Larenseweg 48 te Holten", gedateerd mei 2009 (hierna: het bodemonderzoek), aan het college toegezonden. Daarmee is volgens MVG tevens gemeld dat OCN de exploitatie van het tankstation heeft beëindigd. Volgens MVG volgt uit het vorenstaande dat niet zij, maar OCN de opslag van vloeibare brandstof heeft beëindigd, en verantwoordelijk is voor het verwijderen van de ondergrondse tanks, leidingen en appendages.

MVG betoogt voorts dat de gemeente, blijkens een brief aan OCN van 10 juni 2009 waarin een bevel tot nader bodemonderzoek werd gegeven, feitelijk concludeert dat het bodemonderzoek van mei 2009 niet voldoet aan de eisen en aanvulling behoeft. MVG betoogt voorts dat uit het onderzoek gebleken is dat het gehalte aan MBTE verhoogd is. Tevens is verontreiniging vastgesteld onder de Larenseweg, eigendom van de gemeente Rijssen-Holten. Zo MVG al als eigenaresse van het perceel verantwoordelijk zou zijn voor de naleving van artikel 3.37 van de Regeling dan kan dat thans niet in redelijkheid van haar worden gevergd. Eerst moet worden vastgesteld wie verantwoordelijk is voor de aangetoonde verontreinigingen en de sanering daarvan.

2.4. Het college betoogt dat MVG zich steeds als drijver van de inrichting heeft opgesteld. Het college wijst op een aantal aanschrijvingen waaruit blijkt dat MVG steeds is aangesproken op naleving van de milieuwetgeving en daadwerkelijk ook de voor naleving benodigde handelingen heeft verricht.

Het college betoogt voorts dat er, gelet op het onderzoeksrapport van mei 2009, geen aanleiding is om aan te nemen dat sprake is van ernstige bodemverontreiniging ter plekke van de te verwijderen tanks, leidingen en appendages.

2.5. De voorzitter overweegt dat de vraag of MVG of haar huurster sinds 1 juni 1999 als drijver van de inrichting is opgetreden in het kader van de onderhavige procedure niet met voldoende zekerheid is te beantwoorden. Daartoe zal in het kader van de behandeling van het bezwaar nader onderzoek naar de feiten moeten worden gedaan.

De voorzitter overweegt voorts dat er, gelet op de brief van 10 juni 2009 van de gemeente Rijssen-Holten aan OCN, mogelijk sprake is van verontreiniging van de bodem rondom het tankstation, die ernstiger is dan blijkt uit het in opdracht van OCN verrichte bodemonderzoek. Gelet daarop ziet de voorzitter aanleiding voor twijfel of redelijkerwijs van MVG kan worden gevergd dat zij zonder nader onderzoek overgaat tot verwijdering van de ondergrondse tanks, leidingen en appendages.

2.6. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.7. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten van 1 december 2009 tot zes weken na de bekendmaking van het besluit op het gemaakte bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist;

II. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten aan Mengvoeder Groep B.V. het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Postma, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Postma

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2010

539.