Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL3352

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-02-2010
Datum publicatie
10-02-2010
Zaaknummer
200904103/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 maart 2009 heeft de raad van de gemeente Kampen (hierna: de raad) het bestemmingsplan "Omgeving Graafschap" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904103/1/R3.

Datum uitspraak: 10 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [plaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [plaats],

en

de raad van de gemeente Kampen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 maart 2009 heeft de raad van de gemeente Kampen (hierna: de raad) het bestemmingsplan "Omgeving Graafschap" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 juni 2009, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 juni 2009, beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 16 juli 2009.

De raad heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 januari 2010, waar [appellant sub 1], in persoon en bijgestaan door mr. A. van Balen, advocaat te Utrecht, [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. R.H.A. ter Huurne, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door S.H. Koopmans, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Hetgeen de raad, gelet op artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, naar voren heeft gebracht met betrekking tot het ontbreken van een door [appellant sub 2] bij de raad ingebrachte zienswijze, heeft hij ter zitting ingetrokken.

2.2. [appellant sub 1] stelt in beroep dat het gebruik van zijn percelen Graafschap 43 en 45 als ruimte voor chiropractie onderscheidenlijk zakelijke dienstverlening ten onrechte is wegbestemd en onder het overgangsrecht is gebracht. Daarbij stelt hij zich op het standpunt dat de percelen Graafschap 43 en 45, gelet op het gebruik in het verleden, als één perceel moeten worden aangemerkt. Verder voert hij aan dat niet is verzekerd dat het gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd. [appellant sub 1] betoogt dat het plan daarom, in zoverre, in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en met een goede ruimtelijke ordening. [appellant sub 1] heeft ter zitting voorts aangevoerd dat hij een groot belang heeft bij de bestemming "Gemengd" voor de percelen, nu deze bestemming toelaat dat de panden als eenheid in gebruik kunnen blijven en als zodanig kunnen worden verkocht. De raad heeft dit belang, zijns inziens, niet voldoende onderkend.

2.3. [appellant sub 2] stelt zich wat betreft het perceel Graafschap 41-1 op het standpunt dat de in het plan opgenomen overgangsbepalingen niet duidelijk zijn. Hiertoe voert hij aan dat niet inzichtelijk is welk gebruik onder het overgangsrecht valt. Meer specifiek is onduidelijk op hoeveel vierkante meter dit gebruik betrekking heeft. Op zijn perceel Graafschap 41-1 was in de periode 1994 tot oktober 2008 in totaal 40 m² voor bedrijfsactiviteiten in gebruik, terwijl het gebruik sinds oktober 2008 betrekking heeft op 96 m². Voorts betoogt [appellant sub 2] dat de overgangsbepalingen geen inzicht bieden ten aanzien van zijn rechtspositie wanneer het gebruikte oppervlak gelijk blijft, maar op dat oppervlak andere bedrijfsactiviteiten worden uitgeoefend zoals vermeld in categorie 1 van de bij de planregels opgenomen lijst van bedrijven of andere detailhandelsactiviteiten. Het is onduidelijk of in dat geval sprake is van een in artikel 14.6, onder a, van de planregels verboden verandering van het strijdige gebruik. Voor zover voornoemde onduidelijkheden niet tot een bevredigend antwoord leiden, stelt [appellant sub 2]* zich op het standpunt dat ten onrechte de bestemming "Wonen" is toegekend aan zijn perceel. Zijns inziens had de raad dan moeten kiezen voor de bestemming "Gemengd". Hiertoe beroept hij zich voorts op het gelijkheidsbeginsel, omdat aan percelen aan de andere zijde van de Graafschap wel de bestemming "Gemengd" dan wel "Bedrijven" is toegekend.

2.4. De raad erkent in zijn verweerschrift dat het huidige gebruik van het pand Graafschap 43 alsnog positief bestemd zal moeten worden, omdat nader onderzoek heeft uitgewezen dat het gebruik niet onder de beroep- en bedrijf-aan-huis regeling van het plan valt. Met betrekking tot het pand Graafschap 45 stelt de raad dat hij onder andere op basis van informatie op de website www.funda.nl heeft kunnen afleiden dat het pand in hoofdzaak als woning wordt gebruikt met beroep-aan-huis en hiermee voldoet aan de regeling beroep- en bedrijf-aan-huis. De raad betoogt dat het gebruik dan ook dienovereenkomstig is bestemd in het plan. Voorts stelt de raad dat [appellant sub 1] niet meer woonachtig is in het pand en de makelaardij volgens gegevens van de Kamer van Koophandel inmiddels op een ander adres is gevestigd. De raad bevestigt in zijn aanvullend verweerschrift dat het perceel Graafschap 41-1 sinds 1 oktober 2008 voor 96 m² in gebruik is genomen voor bedrijfsactiviteiten, waaronder detailhandel. Dit gebruik acht hij in strijd met het plan, maar mag ingevolge de overgangsbepalingen worden voortgezet nu het is aangevangen voordat het plan in werking trad. De raad stelt zich op het standpunt dat verandering van het gebruik is toegestaan wanneer de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. Verder zijn de overgangsbepalingen overgenomen uit het Besluit ruimtelijke ordening. Tot slot stelt de raad dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt, omdat de percelen waar [appellant sub 2] op doelt onder de werkingssfeer van een ander bestemmingsplan vallen.

2.5. Voor de percelen Graafschap 43, 45 en 41-1 gold, naar uit de stukken volgt, tot dusver het bestemmingsplan "Uitbreiding in onderdelen", echter zonder bijzondere bestemmingsregeling. Aan de percelen Graafschap 43, 45 en 41-1 is blijkens de plankaart van het thans voorliggende plan de bestemming "Wonen" toegekend. Ingevolge artikel 7.1 van de planregels zijn, voor zover hier van belang, de op de plankaart voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor het wonen in woonhuizen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep of een aan-huis-verbonden bedrijf. Ingevolge artikel 7.4 is een aan-huis-verbonden beroep respectievelijk een aan-huis-verbonden bedrijf toegestaan met dien verstande dat ten hoogste 25% van de aanwezige vloeroppervlakte van de woning, aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen tot een maximum van 40 m² mag worden aangewend ten behoeve van een aan-huis-verbonden beroep en van activiteiten als genoemd in categorie 1 van de bij de planregels opgenomen lijst van bedrijven, dan wel activiteiten die naar aard en omvang gelijk te stellen zijn met de aangegeven categorie, met dien verstande dat: a detailhandel en horeca niet zijn toegestaan; b milieuvergunningplichtige en meldingplichtige bedrijvigheid in de zin van de Wet milieubeheer niet is toegestaan; c het gebruik geen onevenredige toename van de parkeerdruk tot gevolg heeft; d het gebruik zowel naar aard als wat betreft de visuele aspecten met het woonkarakter in overeenstemming is; e de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft. Ingevolge artikel 14.5 mag voor zover hier van belang het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan en hiermee in strijd is, worden voortgezet. Ingevolge artikel 14.6, onder a, is het verboden het met het plan strijdige gebruik, bedoeld in artikel 14.5, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. Ingevolge artikel 14.7 is het bepaalde in artikel 14.5 niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

2.6. Nu de raad in zijn verweerschrift heeft erkend dat het gebruik van het perceel Graafschap 43 alsnog positief bestemd moet worden, geeft hetgeen [appellant sub 1] op dit punt heeft aangevoerd, aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep van [appellant sub 1] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit punt wegens strijd met artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden vernietigd. Het beroep van [appellant sub 1], voor zover dit hierop betrekking heeft, behoeft geen verdere bespreking.

2.6.1. Niet in geschil is dat voor het gebruik als kantoorruimte door [appellant sub 1] van zijn pand op het perceel Graafschap 45 in het verleden door het gemeentebestuur toestemming is verleend. Evenmin is in geschil dat het gebruik van dit pand ten tijde van de inwerkingtreding van het plan binnen de maxima van de beroep- en bedrijf-aan-huis regeling viel. Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat ten onrechte niet de bestemming "Gemengd" is toegekend aan het perceel Graafschap 45, overweegt de Afdeling dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door [appellant sub 1] gestelde nadelige gevolgen van de bestemming "Wonen" voor het gebruik en de verkoopmogelijkheden van zijn pand, niet zodanig zijn dat de raad, voor zover hij daarmee al bekend kon zijn, in de belangenafweging hier meer gewicht aan had moeten toekennen dan aan het belang om bedrijvigheid in het gebied te doen verdwijnen ten gunste van de woonfunctie. Hierbij heeft de raad in aanmerking kunnen nemen dat bedrijvigheid een verkeersaantrekkende werking kan hebben en parkeeroverlast kan opleveren. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel voor het perceel Graafschap 45 strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.7. Niet in geschil is dat het gebruik voor bedrijfsactiviteiten van het pand op het perceel Graafschap 41-1 sinds 1 oktober 2008, derhalve vóór de inwerkingtreding van het plan, is uitgebreid tot een oppervlak van 96 m². Bij brief van 6 oktober 2008 heeft [appellant sub 2] deze uitbreiding aan het gemeentebestuur gemeld. Het college van burgemeester en wethouders heeft zich bij brief van 18 februari 2009 op het standpunt gesteld dat dit gebruik onder het overgangsrecht van het plan komt te vallen. Met betrekking tot legaal gebruik staat voorop dat dat in beginsel, gelet op de rechtszekerheid, als zodanig dient te worden bestemd. Dit uitgangspunt kan onder meer uitzondering vinden indien een dienovereenkomstige bestemming op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. Daarnaast moet aannemelijk zijn dat het gebruik binnen de planperiode in overeenstemming zal zijn met de nieuwe bestemming. Niet aannemelijk is geworden dat het gebruik binnen de planperiode in overeenstemming zal zijn met de bestemming "Wonen", nu ter zitting is gesteld dat het gemeentebestuur niet zal overgaan tot aankoop of onteigening van het pand op het perceel Graafschap 41-1. Hetgeen [appellant sub 2] op dit punt heeft aangevoerd geeft aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel voor het perceel Graafschap 41-1 strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep van [appellant sub 2] is gegrond, zodat het bestreden besluit op dit punt wegens strijd met artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden vernietigd.

2.8. Ten aanzien van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] dient de raad op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 2] geheel en het beroep van [appellant sub 1] gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Kampen van 26 maart 2009, voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Wonen" voor de percelen Graafschap 41-1 en 43;

III. verklaart het beroep van [appellant sub 1] voor het overige ongegrond;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Kampen, in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten, tot vergoeding van:

- een bedrag van € 686,65 (zeshonderdzesentachtig euro en vijfenzestig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, aan [appellant sub 1];

- een bedrag van € 644,00 (zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, aan [appellant sub 2];

V. gelast dat de raad van de gemeente Kampen het voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt:

- een bedrag van € 150,00 (honderdvijftig euro) aan [appellant sub 2];

- een bedrag van € 150,00 (honderdvijftig euro) aan [appellant sub 1].

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Bechinka

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2010

371-646.