Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL3344

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-02-2010
Datum publicatie
10-02-2010
Zaaknummer
200905046/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 mei 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk (hierna: het college) het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de uitweg van camping Le Parage aan de Langevelderlaan te Noordwijk (hierna: de camping), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905046/1/H3.

Datum uitspraak: 10 februari 2010.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 8 juli 2009 in zaak nr. 08/7855 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 mei 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk (hierna: het college) het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de uitweg van camping Le Parage aan de Langevelderlaan te Noordwijk (hierna: de camping), afgewezen.

Bij besluit van 24 september 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 juli 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 juli 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 januari 2010, waar [appellant] en [echtgenote], en het college, vertegenwoordigd door mr. K. Hobeijn, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 39, eerste lid, van de Algemene Politieverordening Noordwijk, die gold tot 12 mei 1990, is het verboden op andere dan rijks- en provinciale wegen een uitrit naar de weg te hebben of te maken op die punten waar, naar het oordeel van het college, de veiligheid van het verkeer vordert, dat aldaar geen uitritten mogen zijn.

Ingevolge het tweede lid is het verbod tot het hebben van een uitrit eerst van kracht nadat belanghebbende hierover is gehoord en daarvan schriftelijk mededeling is gedaan.

Ingevolge artikel 2.1.5.3, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: de APV), dat als opschrift heeft "maken en veranderen van een uitweg", is het verboden zonder vergunning van het college:

a. een uitweg te maken naar de weg;

b. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;

c. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

2.2. [appellant] heeft verzocht de uitweg van de camping af te sluiten, omdat daarvoor geen vergunning is verleend. Het college heeft de afwijzing van dit verzoek gebaseerd op de omstandigheid dat de uitweg reeds in 1979 bestond en destijds geen vergunning vereist was voor het hebben van een uitweg en geen toepassing is gegeven aan artikel 39, tweede lid, van de toen geldende Algemene Politieverordening. Aan het bij de rechtbank bestreden besluit heeft het college tevens ten grondslag gelegd dat in artikel 2.1.5.3 van de APV niet is bepaald dat voor een uitweg die reeds bestond toen die bepaling van kracht werd, met terugwerkende kracht een vergunning vereist is. Volgens het college was het daarom niet bevoegd handhavend op te treden tegen de uitweg.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de uitweg op het terrein van de camping is verbreed, en dat, nu hiervoor geen vergunning is verleend, het college handhavend had moeten optreden. Ter zitting heeft [appellant] hieraan toegevoegd dat, nu de uitweg toebehoort aan een bedrijf, toestemming van het college nodig is voor het hebben van die uitweg. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank voorbij is gegaan aan zijn betoog dat volgens de op 7 juni 1977 gesloten koopovereenkomst tussen [partijen] toestemming aan het college gevraagd diende te worden voor het construeren van een uitweg. [appellant] voert verder aan dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn betoog dat hij zware overlast ondervindt van de uitweg van de camping en het college daarom zijn verzoek tot handhaving niet had mogen afwijzen.

2.4. Niet in geschil is dat de uitweg van de camping reeds voor 12 mei 1990 is aangelegd en zich toen al bevond op dezelfde plaats waar de uitweg zich ten tijde van het bij de rechtbank bestreden besluit bevond. Uit de door [appellant] bij brief van 9 juni 2009 aan de rechtbank toegezonden overzichtstekeningen uit 1988 en 1997 blijkt dat de door hem bedoelde verbreding een weg op het terrein van de camping betreft, op een substantiƫle afstand van de aansluiting met de openbare weg. De rechtbank heeft daarom met juistheid overwogen dat de verbreding van de weg op het terrein van de camping niet als een verandering van de uitweg, als bedoeld in artikel 2.1.5.3, eerste lid, aanhef en onder c, van de APV, kan worden aangemerkt en het college zich daarom terecht op het standpunt heeft gesteld dat het niet bevoegd was handhavend op te treden.

Evenmin is krachtens artikel 2.1.5.3, eerste lid, aanhef en onder b, van de APV, een vergunning vereist voor het hebben van de uitweg van de camping. Volgens het opschrift van artikel 2.1.5.3 van de APV ziet deze bepaling op een vergunningplicht voor het maken of veranderen van een uitweg. De bepaling voorziet niet in een vergunningplicht voor reeds ten tijde van het van kracht worden ervan bestaande, sindsdien ongewijzigd gebleven uitwegen. Artikel 2.1.5.3, eerste lid, aanhef en onder b, van de APV voorziet, mede gezien het opschrift, in een vergunningplicht voor het aanbrengen van fysieke wijzigingen aan de openbare weg waardoor van een uitweg gebruik kan worden gemaakt. Die situatie is hier niet aan de orde.

Geen grond bestaat voor het oordeel dat voor het hebben van de uitweg een vergunning is vereist omdat die uitweg toebehoort aan een bedrijf. In artikel 2.1.5.3 van de APV wordt geen onderscheid gemaakt al naar gelang de uitweg al dan niet ten dienste staat van een bedrijf.

De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college handhavend zou mogen optreden met het oog op de bepalingen van de op 7 juni 1977 gesloten koopovereenkomst of wegens de overlast die [appellant] ondervindt van de uitweg van de camping.

Ter beoordeling staat of voor de uitweg van de camping ingevolge artikel 2.1.5.3 van de APV een vergunning is vereist. Nu dit niet het geval is, was het college niet bevoegd handhavend op te treden. De koopovereenkomst is voor evenbedoelde beoordeling niet relevant. De overlast die [appellant] al dan niet ondervindt van de uitweg kan op zichzelf evenmin een rol spelen.

2.5. Het betoog van [appellant] dat met de aanleg van de uitweg van de camping zonder toestemming van het college een dam in een gemeentelijke waterweg is aangelegd, is in strijd met de goede procesorde pas ter zitting bij de Afdeling voorgedragen, en zal om die reden buiten beschouwing worden gelaten.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2010.

176-622.