Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL3343

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-02-2010
Datum publicatie
10-02-2010
Zaaknummer
200904367/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juli 2007 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel

Oud-Zuid (hierna: het dagelijks bestuur) aan [belanghebbende] toestemming verleend om een gedeelte van de zolderverdieping van het pand aan de [locatie] (hierna: het pand) te gebruiken en te blijven gebruiken als woonruimte, zolang hij op dit adres als huurder ingeschreven staat.

Wetsverwijzingen
Woningwet
Woningwet 40
Bouwbesluit 2003
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2010, 92 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
BR 2010/74 met annotatie van E.T. de Jong
ABkort 2010/66
JOM 2010/636
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904367/1/H1.

Datum uitspraak: 10 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 mei 2009 in

zaak nr. 08/2172 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud-Zuid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 juli 2007 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel

Oud-Zuid (hierna: het dagelijks bestuur) aan [belanghebbende] toestemming verleend om een gedeelte van de zolderverdieping van het pand aan de [locatie] (hierna: het pand) te gebruiken en te blijven gebruiken als woonruimte, zolang hij op dit adres als huurder ingeschreven staat.

Bij besluit van 17 april 2008 heeft het dagelijks bestuur, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 mei 2009, verzonden op 14 mei 2009, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 juni 2009, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

[belanghebbende] heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 december 2009, waar het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. G. van der Kuil en mr. M. Goedkoop, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Vaststaat dat [belanghebbende] de derde verdieping en een gedeelte van de zolderverdieping van het pand bewoont. Het gedeelte van de zolderverdieping was eerder in gebruik als bergruimte. Door de vorige eigenaar van het pand is in 1983 of 1984 een trapgat naar de zolderverdieping gemaakt en zijn een trap en sanitaire voorzieningen aangebracht en de wanden van dat deel van de zolderverdieping brandveilig gemaakt. Vaststaat verder dat voor deze werkzaamheden een bouwvergunning was vereist en dat die niet is verleend. Weliswaar heeft [belanghebbende], daartoe uitgenodigd door het dagelijks bestuur, op 20 juli 2006 een bouwvergunning aangevraagd maar de aanvraag is op 20 oktober 2006 ingetrokken. Daarop heeft [appellant] bij brief van 27 oktober 2006 het dagelijks bestuur verzocht om handhavend op te treden tegen [belanghebbende] wegens bouwen zonder bouwvergunning.

Nadat het dagelijks bestuur aan [belanghebbende] vooraankondigingen van handhavingsmaatregelen heeft verstuurd, waarin staat vermeld dat het verlenen van een bouwvergunning wegens strijd met het Bouwbesluit niet mogelijk is, heeft het bij besluit van 6 juli 2007 alsnog aan [belanghebbende] een persoonsgebonden beschikking verleend om het betrokken gedeelte van de zolderverdieping te gebruiken en te blijven gebruiken als woonruimte zolang hij als huurder op het adres ingeschreven staat.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur niet in redelijkheid heeft mogen gedogen dat door [belanghebbende] zonder bouwvergunning werkzaamheden zijn verricht.

2.2.1. Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet, is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder b, is het, voor zover thans van belang, verboden een bouwwerk dat is gebouwd zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning, in stand te laten.

2.2.2. Blijkens het in bezwaar gehandhaafde besluit wordt door het dagelijks bestuur het gebruik als woning door [belanghebbende] van een deel van de zolderverdieping gedoogd, teneinde de overtreding door [belanghebbende] van artikel 40, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet toe te staan. [belanghebbende] laat volgens het dagelijks bestuur de zonder bouwvergunning uitgevoerde verbouwing in stand. Alvorens wordt toegekomen aan de vraag of in redelijkheid is gedoogd, moet worden getoetst of [belanghebbende] artikel 40, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet heeft overtreden.

Vast staat dat niet [belanghebbende] de bouwvergunningplichtige werkzaamheden heeft uitgevoerd, maar de vorige eigenaar van het pand. Niet is gebleken van enige betrokkenheid van [belanghebbende] daarbij. Met artikel 40, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet is beoogd de handhavingsmogelijkheden na eigendomsoverdracht te verbeteren. [belanghebbende] is als huurder geen rechtsopvolger van de vorige eigenaar die zonder bouwvergunning heeft verbouwd. De conclusie is daarom dat [belanghebbende] artikel 40, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet niet overtreedt.

Er bestond dan ook geen grond om ter zake van de niet-naleving van dit artikellid ten aanzien van [belanghebbende] een gedoogbesluit te nemen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 17 april 2008 van het dagelijks bestuur alsnog gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb vernietigen. De Afdeling ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en het bezwaar van [appellant] van 13 augustus 2007 alsnog gegrond te verklaren en het besluit van 6 juli 2007 te herroepen.

2.4. Het dagelijks bestuur dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 mei 2009 in zaak nr. 08/2172;

III. vernietigt het besluit van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud-Zuid van 17 april 2008, kenmerk 07-177;

IV. verklaart het bezwaar alsnog gegrond;

V. herroept het besluit van 6 juli 2007, kenmerk 99-2899;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 17 april 2008;

VII. veroordeelt het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud-Zuid tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2010

163-640.