Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL3341

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-02-2010
Datum publicatie
10-02-2010
Zaaknummer
200905175/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 februari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp (hierna: het college), voor zover thans van belang, aan [appellant] € 10.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2006, ter vergoeding van planschade toegekend.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/255
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905175/1/H2.

Datum uitspraak: 10 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 8 juli 2009 in zaak nr. 08/4455 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp (hierna: het college), voor zover thans van belang, aan [appellant] € 10.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2006, ter vergoeding van planschade toegekend.

Bij besluit van 5 juni 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 juli 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 juli 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het heeft voorts nog nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 januari 2010, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. P.J.L.J. Duijsens, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door J.A. Gardien-Reinders en J. Groenendijk, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), zoals die gold ten tijde van belang, kent het college van burgemeester en wethouders, voor zover een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.1.1. Bij de beoordeling van een verzoek om vergoeding van planschade dient te worden onderzocht of een wijziging van het planologische regime is opgetreden, waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de planologische maatregel waarvan wordt gesteld dat deze schade heeft veroorzaakt en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van deze regimes maximaal kan, onderscheidenlijk kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Dit uitgangspunt geldt evenzeer voor de vaststelling van de eventuele waardevermindering.

2.2. [appellant], eigenaar van het perceel, kadastraal bekend gemeente Pijnacker, sectie […], nummers […], plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel), heeft het college verzocht om vergoeding van de schade als gevolg van het bestemmingsplan "N470", nu dit plan op de gronden rondom het perceel voorziet in de aanleg van fietspaden. Op het perceel staat een complex met glasopstanden, loods en schuur, vrijstaande bedrijfswoning, open terrein en overig toebehoren. [appellant] exploiteert daar een glastuinbouwonderneming.

2.2.1. Ingevolge het op 21 november 2002 in werking getreden bestemmingsplan "N470" hebben de gronden, een strook van ongeveer 10 m breed, op een kortste afstand van ongeveer 25 m ten zuidwesten, ten zuiden en ten zuidoosten van het perceel de bestemming "Wegverkeer". Als zodanig bestemde gronden dienen voor gebiedsontsluitende wegen, groenvoorzieningen, watergangen en duikers, fiets- en voetpaden, geluidbeperkende voorzieningen en overige verkeersvoorzieningen. Er mogen geen motorbrandstofverkooppunten worden opgericht. Voorts rust ingevolge dit bestemmingsplan op de gronden op een kortste afstand van ongeveer 180 m van het perceel de bestemming "Verkeersdoeleinden". Deze gronden zijn onder meer bestemd voor een provinciale weg met een regionale stroomfunctie, verkeersaansluitingen voor gebiedsontsluitende wegen en geluidbeperkende voorzieningen. Volgens de plankaart is de as van de weg op ongeveer 270 m van het perceel gelegen.

Ingevolge het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied", dat gold voor de gronden, gelegen in de gemeente Pijnacker-Nootdorp, hadden de gronden direct ten zuidwesten van het perceel de bestemming "Agrarische doeleinden, klasse AD", dienend voor aan de grond gebonden agrarische bedrijven met de daartoe benodigde bedrijfsgebouwen en andere bouwwerken. De gronden ten oosten van het perceel op ongeveer 175 m afstand hadden de bestemming "Agrarische doeleinden, klasse AB", dienend voor aan de grond gebonden agrarische bedrijven met de daarbij behorende andere bouwwerken, met dien verstande dat geen gebouwen mochten worden opgericht.

Ingevolge het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied, 1e herziening" rustte op de gronden, gelegen in de voormalige gemeente Berkel en Rodenrijs en direct ten oosten van het perceel, de bestemming "Agrarische doeleinden" met de nadere aanwijzing "Aan gebouwen alleen 'kleine gebouwen' toegestaan". De bouw van agrarische bedrijfswoningen en kassen was hieronder niet begrepen.

2.3. Het college heeft het verzoek ter advisering voorgelegd aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ).

Volgens het door de SAOZ in januari 2008 aan hem uitgebrachte advies heeft de planologische wijziging niet tot beperkingen in de bedrijfsvoering geleid, omdat de bestaande mogelijkheden van de onderneming er niet door worden belemmerd. Uitzicht, hinder en persoonlijke levenssfeer spelen volgens het advies als zodanig slechts een ondergeschikte rol, althans voor zover deze de exploitatie niet wezenlijk nadelig beïnvloeden.

De gestelde schade als gevolg van onrechtmatige feitelijke gedragingen komt volgens het advies niet voor vergoeding op de voet van artikel 49 van de WRO in aanmerking.

Wat de bedrijfswoning betreft heeft de planologische wijziging volgens het advies geleid tot planologisch nadeel waaruit schade in de vorm van waardevermindering is voortgevloeid. Door de mogelijkheid om op korte afstand van de woning een gebiedsontsluitende weg en op grotere afstand, te weten as van de weg op 275 m, een provinciale weg met een regionale stroomfunctie te realiseren, zal het karakter van de omgeving van het perceel volgens het advies negatief worden beïnvloed en zal de situeringswaarde van het perceel worden aangetast; ook zullen de aan de verkeersbestemming inherente vormen van hinder, zoals geluidhinder, toenemen. Voorts zal door de mogelijkheid om parallel aan het perceel een gebiedsontsluitende weg en een fiets- en voetpad te realiseren, de persoonlijke levenssfeer in en rondom de woning verder worden aangetast. Volgens het advies was de waarde van het perceel, dat zijn hoogste waarde ontleende aan de bedrijfswoning, op de peildatum € 260.000,00 en bedraagt de waardevermindering € 10.000,00.

Het college heeft dat advies aan het bij besluit van 5 juni 2008 gehandhaafde besluit van 12 februari 2008 ten grondslag gelegd.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het aldus ten onrechte geen rekening heeft houden met de nadelige gevolgen van de planologische wijziging voor de glastuinbouwonderneming. Als gevolg van die wijziging is de onderneming niet meer in een tuinbouwgebied gelegen. Voorts is de totale waardedaling volgens hem groter dan alleen die van de bedrijfswoning, waarvan in het door het college gevolgde advies van de SAOZ is uitgegaan. Hij verwijst in dit verband naar door hem overgelegde deskundigenrapporten van 4 oktober 2006 en 18 december 2007, waarin de waardevermindering van het totale object is geschat op € 100.000,00. Ook heeft de rechtbank volgens hem miskend dat het aan het advies van de SAOZ ten grondslag liggende taxatierapport niet in het geding is gebracht en de desbetreffende makelaar ter plaatse niet bekend is.

2.4.1. Uit het advies van de SAOZ kan worden afgeleid dat de nadelige gevolgen van de bestemmingswijziging voor de glastuinbouwonderneming bij de planologische vergelijking in aanmerking zijn genomen, doch uitsluitend ten aanzien van de bedrijfswoning planologisch nadeel is aangenomen.

Ter zitting heeft [appellant] nader toegelicht dat de door hem gestelde verdere waardevermindering voortvloeit uit een verminderde courantheid vanwege de door de bestemmingswijziging aangetaste situeringswaarde. Voor zover [appellant] betoogt dat de situeringswaarde van de glastuinbouwonderneming is aangetast, omdat deze door de mogelijkheid om parallel aan het perceel een voor eenieder toegankelijk fietspad te realiseren niet meer middenin een tuinbouwgebied is gelegen, wordt overwogen dat slechts een strook van ongeveer 10 m breed, op een kortste afstand van ongeveer 25 m van het perceel, bestemd is voor "Wegverkeer" en de omliggende gronden hun agrarische bestemming hebben behouden. Nu [appellant] voorts niet heeft gesteld dat deze bestemmingswijziging tot enige beperking van de bedrijfsvoering heeft geleid, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat de situeringswaarde van de glastuinbouwonderneming, anders dan de SAOZ aan het college heeft geadviseerd, als zodanig en daardoor de courantheid ervan is verslechterd. De door hem overgelegde deskundigenrapporten van 4 oktober 2006 en 18 december 2007 kunnen hem niet baten, reeds omdat daaraan, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, geen relevante planologische vergelijking ten grondslag ligt.

Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de waarde van de glastuinbouwonderneming is gedaald, omdat hij overlast zal kunnen ondervinden van gebruikers van het fietspad, die ongewenste materialen en stoffen in het waterbassin gooien of anderszins schade veroorzaken, faalt ook dit betoog. De rechtbank heeft terecht overwogen dat eventuele schade ten gevolge van vandalisme door gebruikers van het fietspad niet als planschade voor vergoeding in aanmerking komt. Artikel 49 van de WRO biedt geen grondslag voor vergoeding van schade die het gevolg is van niet naleven door gebruikers van het fietspad van wettelijke voorschriften of mogelijke uitwassen van hun gedrag. Voor zover in het waterbassin, en daardoor in het gietwater voor de tuinen, ongewenste materialen terecht komen, is dit geen gevolg van de mogelijkheid om het fietspad aan te leggen.

De rechtbank heeft in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het planologisch nadeel zich niet uitstrekt tot de glastuinbouwonderneming en heeft met juistheid overwogen dat het het advies van de SAOZ aan zijn besluitvorming ten grondslag mocht leggen. Het betoog van [appellant] dat blijkens het aan het advies van de SAOZ ten grondslag liggende taxatierapport van 14 juni 2007 slechts de waarde van de bedrijfswoning en niet die van het gehele bedrijfscomplex op de peildatum is getaxeerd, leidt niet tot een ander oordeel, nu bij de bepaling van de waardevermindering, gelet op het voorgaande, alleen de bedrijfswoning van belang was. De stelling dat de door de SAOZ ingeschakelde waarderingsdeskundige niet deskundig is, heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt. Voor zover [appellant] aanvoert dat het taxatierapport ten onrechte voor het eerst bij het verweerschrift in hoger beroep door het college is overgelegd, wordt overwogen dat hij - wat daar verder van zij - hierdoor niet in zijn belangen is geschaad, nu hij in hoger beroep alle gelegenheid heeft gehad daarop te reageren.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H.M. Kessels, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Kessels

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2010

505.