Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL3329

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-02-2010
Datum publicatie
10-02-2010
Zaaknummer
200905538/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 mei 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Purmerend (hierna: het college) - voor zover te dezen van belang - een clusterplaats aangeduid met het nummer PN304, gelegen aan de Graanstraat, aangewezen voor de plaatsing van minicontainers ten behoeve van de inzameling van huishoudelijk restafval, GFT en papier door de gebruikers van de in de bijlage genoemde percelen in de wijk Purmer-Noord.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2010, 408
JB 2010/81
JM 2010/40
JOM 2010/239
JOM 2010/264
JAF 2010/13 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905538/1/M1

Datum uitspraak: 10 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Purmerend,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Purmerend (hierna: het college) - voor zover te dezen van belang - een clusterplaats aangeduid met het nummer PN304, gelegen aan de Graanstraat, aangewezen voor de plaatsing van minicontainers ten behoeve van de inzameling van huishoudelijk restafval, GFT en papier door de gebruikers van de in de bijlage genoemde percelen in de wijk Purmer-Noord.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief van 1 juli 2009, bij de gemeente Purmerend ingekomen op 3 juli 2009, beroep ingesteld. De gemeente Purmerend heeft het beroepschrift met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) doorgezonden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het beroepschrift is bij de Raad van State ingekomen op 24 juli 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan het college toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 december 2009, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door L.J.P. Rog, mr. C.J.A. de Haan-de Jong, C.N. van Bergen Henegouw en M. Groot, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het college heeft aangevoerd dat het beroep van [appellant] niet-ontvankelijk is, omdat het buiten de termijn waarbinnen beroep kon worden ingesteld bij de Afdeling is ingediend.

2.1.1. In artikel 6:7 van de Awb is bepaald dat de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken bedraagt.

Ingevolge artikel 6:8, vierde lid, van de Awb vangt de termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen een besluit dat is voorbereid met afdeling 3:4 aan met ingang van de dag na die waarop het besluit overeenkomstig artikel 3:44, eerste lid, onderdeel a, ter inzage is gelegd. In artikel 6:11 van de Awb is bepaald dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

2.1.2. Het bestreden besluit is met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht voorbereid. Het besluit is ter inzage gelegd op 11 mei 2009, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift ingevolge het bepaalde in artikel 6:7 en artikel 6:8, vierde lid, van de Awb in samenhang bezien met artikel 3:44, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb, is begonnen op 12 mei 2009 en geëindigd op 22 juni 2009. Het beroepschrift is op 1 juli 2009 verzonden en is derhalve niet binnen de beroepstermijn ingediend.

2.1.3. Het besluit van 8 mei 2009 betreft voor zover hier van belang de aanwijzing van de clusterplaats PN304 voor de plaatsing van minicontainers ten behoeve van de inzameling van huishoudelijk restafval, GFT en papier door de gebruikers van de in de bijlage genoemde percelen. Blijkens de bijlage is de clusterplaats PN304 bestemd voor de gebruikers van de percelen Graanstraat 94 tot en met 100, onder wie [appellant] die het perceel [locatie] bewoont.

2.1.4. Uit de stukken blijkt dat het college het besluit heeft bekendgemaakt door overeenkomstig artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht kennis te geven van het besluit in het "Zondagsblad".

Het besluit van 8 mei 2009 is mede tot [appellant] gericht en had hem bekend moeten worden gemaakt door toezending of uitreiking overeenkomstig artikel 3:41, eerste lid, van de Awb. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt niet dat het besluit aan [appellant] is toegezonden of uitgereikt. Het besluit van 8 mei 2009 is derhalve niet op correcte wijze aan [appellant] bekendgemaakt.

2.1.5. Niet in geschil is dat [appellant] nadat hij op 29 juni 2009 werd geconfronteerd met een aantal afwijkende stoeptegels ter markering van de clusterplaats op de stoep naast zijn huis en na het inwinnen van informatie bij de gemeente Purmerend op de hoogte is geraakt van het besluit van 8 mei 2009. Met zijn beroepschrift van 1 juli 2009 heeft [appellant] zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk was beroep ingesteld tegen het besluit van 8 mei 2009. Gezien het vorenstaande is de overschrijding van de beroepstermijn verschoonbaar.

2.2. Het college heeft voorts aangevoerd dat het beroep van [appellant] niet-ontvankelijk is, omdat hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht.

2.2.1. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten geen zienswijzen naar voren te hebben gebracht.

2.2.2. Ingevolge artikel 3:13, eerste lid, van de Awb zendt, indien het besluit tot een of meer belanghebbenden zal zijn gericht, het bestuursorgaan voorafgaand aan de terinzagelegging het ontwerp toe aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

2.2.3. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt niet dat het ontwerp van het besluit aan [appellant] is toegezonden. Daarom kan het niet naar voren brengen van een zienswijze [appellant] redelijkerwijs niet worden verweten.

Het beroep van [appellant] is ontvankelijk.

2.3. Ingevolge artikel 9, tweede lid, van de Afvalstoffenverordening Purmerend 2008 (hierna: Afvalstoffenverordening) kan het college aanwijzen via welk inzamelmiddel of via welke inzamelvoorziening een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling wordt aangeboden.

2.3.1. Bij het bepalen van de locaties van inzamelvoorzieningen als de onderhavige betrekt het college de "Beleidscriteria bepaling locaties inzamelvoorzieningen en clusterplaatsen" (hierna: de beleidscriteria).

Volgens de beleidscriteria vindt toetsing plaats op:

- Goede bereikbaarheid en toegankelijkheid voor bewoners en inzamelvoertuig;

- Doelmatige inrichting van de openbare buitenruimte;

- Beperking van de overlast voor de omgeving;

- Verkeersveiligheid;

- Arbeidsbelasting voor de inzamelaars;

- Financiële en inzamellogistieke aspecten, en

- Fysieke onmogelijkheid om voorzieningen te plaatsen, zoals kabels en leidingen voor ondergrondse afvalcontainers en de aanwezigheid van bomen ter plaatse.

2.4. [appellant] kan zich niet vinden in de aanwijzing van de locatie, aangeduid met nummer PN304, gelegen aan de Graanstraat te Purmerend als clusterplaats voor de plaatsing van minicontainers ten behoeve van de inzameling van huishoudelijk restafval, GFT en papier. [appellant] wijst er in dit verband op dat de geplande clusterplaats de toegang aan de achterzijde van zijn huis belemmert, waardoor [appellant] en zijn gezinsleden op de dag dat de minicontainers worden geplaatst niet of nauwelijks met de fiets langs het huis kunnen komen. Deze problemen doen zich volgens [appellant] niet voor indien de clusterplaats wordt gelokaliseerd op de huidige aanbiedplaats van afvalbakken.

2.4.1. Ter zitting heeft het college gesteld bereid te zijn om met [appellant] in contact te treden over de aangewezen en de voorgestelde alternatieve locatie. De Afdeling is van oordeel dat het college ten tijde van het bestreden besluit niet voldoende onderzoek had gedaan naar de geschiktheid van alternatieve locaties. Daarom staat niet vast of de door [appellant] voorgestelde alternatieve locatie zich al dan niet verdraagt met de beleidscriteria.

Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb onzorgvuldig voorbereid.

2.5. Het beroep is gegrond. Het besluit van 8 mei 2009, voor zover het betreft de locatie PN304, komt voor vernietiging in aanmerking.

2.6. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Purmerend van 8 mei 2009, voor zover het betreft de aanwijzing van de locatie PN304;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Purmerend tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 27,29 (zegge: zevenentwintig euro en negenentwintig cent);

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Purmerend aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Melse

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2010

191-209.