Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL3316

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-02-2010
Datum publicatie
10-02-2010
Zaaknummer
200906443/1/V6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 maart 2008 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) [appellante] een boete opgelegd van € 16.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200906443/1/V6.

Datum uitspraak: 10 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 13 juli 2009 in

zaak nr. 09/182 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 maart 2008 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) [appellante] een boete opgelegd van € 16.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Bij besluit van 29 juli 2008 heeft de minister het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 13 juli 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Zwolle (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 augustus 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 18 september 2009. Deze brieven zijn aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 januari 2010, waar [appellante], vertegenwoordigd door [bestuurder], bijgestaan door mr. J.P.C. ten Wolde, advocaat te Haarlem, en de minister, vertegenwoordigd door mr. C.F.M. Berkhout, werkzaam bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op dit geding is de Wav van toepassing zoals die wet luidde tot de inwerkingtreding van de wet van 25 juni 2009 (Stb. 2009, 265) op 1 juli 2009.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef, onderdeel b en onder 1˚, van de Wav wordt onder werkgever verstaan degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge artikel 18, voor zover thans van belang, wordt het niet naleven van artikel 2, eerste lid, als beboetbaar feit aangemerkt.

Ingevolge artikel 19a, eerste lid, legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit.

Ingevolge het tweede lid gelden de terzake van deze wet gestelde beboetbare feiten ten opzichte van elk persoon, met of ten aanzien van wie een beboetbaar feit is begaan.

Ingevolge artikel 19d, derde lid, stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld.

Volgens artikel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav 2007 (hierna: de beleidsregels) worden bij de berekening van een boete, als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wav voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de ‘Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav’ (hierna: de Tarieflijst), die als bijlage bij de beleidsregels is gevoegd.

Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, op € 8.000,00 per persoon per beboetbaar feit gesteld.

2.2. Het door inspecteurs van de Arbeidsinspectie op ambtsbelofte opgemaakte boeterapport van 12 februari 2008 houdt in dat op 14 januari 2008 in het restaurant aan de [locatie] te [plaats] [vreemdeling A], van Turkse nationaliteit en [vreemdeling B], voornaam onbekend, van Indiase nationaliteit (hierna: de vreemdelingen), arbeid hebben verricht bestaande uit het verwijderen van lijmresten op een raam van het restaurant met een driehoekskrabber en een föhn, zonder dat daarvoor tewerkstellingsvergunningen zijn afgegeven. De vreemdelingen waren werkzaam via [bedrijf], gevestigd te [plaats].

2.3. [appellante] betoogt dat, zakelijk weergegeven, de rechtbank niet heeft onderkend dat sprake was van omstandigheden op grond waarvan de opgelegde boete had dienen te worden gematigd.

2.3.1. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraken van 11 juli 2007 in zaak nr. 200607461/1, 12 maart 2008 in zaak nr. 200704906/1, 3 juni 2009 in zaak nr. 200803230/1/V6, 17 juni 2009 in zaak nr. 200806748/1/V6, 16 september 2009 in zaak nr. 200900632/1/V6) vloeit het volgende voort.

De minister heeft in redelijkheid de in de beleidsregels opgenomen boetenormbedragen kunnen vaststellen, zodat hij deze bij de vaststelling van de hoogte van de boete als uitgangspunt dient te nemen. Gelet op de aard van het te nemen besluit zal de minister bij de besluitvorming in het concrete geval echter ook het in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde evenredigheidsbeginsel in acht dienen te nemen. Dit betekent dat de minister zich bij het vaststellen van de hoogte van een boete moet afvragen of de uit de boetenormbedragen voortvloeiende boete, gelet op alle omstandigheden van het geval, evenredig is aan het door de wetgever beoogde doel. Tot de omstandigheden van het geval behoren in ieder geval de aard en de ernst van de overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en de omstandigheden waaronder deze is gepleegd. Wanneer het toepassen van het boetenormbedrag niet evenredig is, is matiging van dit bedrag passend en geboden.

Artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, dat op het opleggen van boete als waarom het hier gaat van toepassing is, brengt met zich dat de rechter zonder terughoudendheid dient te toetsen of de door de minister in het concrete geval opgelegde boete in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel.

Indien de rechter van oordeel is dat dit niet het geval is en hij op die grond het besluit vernietigt, neemt hij bij het zelf bepalen van de hoogte van de boete de boetenormbedragen eveneens als uitgangspunt.

2.3.2. De door [appellante] aangevoerde omstandigheid dat de directeur van [appellante] ten tijde van de controle zijn volledige aandacht had gericht op de renovatie van de voor zijn restaurant zeer belangrijke combi-steamer en afzuiginstallatie, zodat hij zijn aandacht niet kon vestigen op het verwijderen van een aantal stickers, is geen grond voor matiging. Dat de directeur ervoor heeft gekozen zijn volledige aandacht te richten op andere werkzaamheden die in het restaurant werden uitgevoerd, komt voor zijn rekening en risico.

Voorts kan [appellante] niet worden gevolgd in haar betoog dat de opgelegde boete had dienen te worden gematigd omdat de werkzaamheden zodanig gering waren dat deze niet in verhouding staan tot de hoogte van de opgelegde boete. De vreemdelingen hebben verklaard dat zij om 11:00 uur onderscheidenlijk 12:00 uur met de werkzaamheden zijn begonnen. Gegeven de omvang van deze werkzaamheden, die zijn uitgevoerd naar aanleiding van een opdracht van [appellante] aan [bedrijf] en behoren tot de normale bedrijfsvoering van [bedrijf], alsmede dat de reden voor de beëindiging van de werkzaamheden was gelegen in de in 2.2. genoemde controle die omstreeks 13:20 uur plaatsvond, is niet aannemelijk gemaakt dat de aard en de duur van de werkzaamheden zodanig beperkt waren, dat de hoogte van de opgelegde boete niet in verhouding staat tot de ernst van de overtreding.

Ook de omstandigheid dat de vreemdelingen volgens [appellante] uitsluitend zijn meegekomen als kennis van de eigenaar van het gerenommeerde bedrijf [bedrijf], wat daar verder van zij, noopt niet tot matiging van de opgelegde boete. Voor zover [appellante] hiermee heeft beoogd te betogen dat zij slechts [naam] van [bedrijf] de opdracht heeft gegeven werkzaamheden te verrichten en niet de door hem meegebrachte vreemdelingen, faalt dit betoog aangezien het op de weg van [appellante] had gelegen om nadere afspraken te maken met [bedrijf] over de uitvoering van de werkzaamheden en te controleren of de in haar onderneming via [bedrijf] werkzame vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning werkzaam mochten zijn.

De rechtbank heeft gezien het vorenstaande terecht geconcludeerd dat de door [appellante] aangevoerde omstandigheden niet nopen tot matiging van de opgelegde boete.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Melenhorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Melenhorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2010

490.