Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL3312

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-02-2010
Datum publicatie
10-02-2010
Zaaknummer
200905199/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 mei 2008 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) aan [belanghebbende] (thans: de [appellante]) een boete opgelegd van € 10.800,00 wegens overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905199/1/H3.

Datum uitspraak: 10 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 5 juni 2009 in zaak nr. 08/1781 in het geding tussen:

[belanghebbende] (thans: [appellante])

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2008 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) aan [belanghebbende] (thans: de [appellante]) een boete opgelegd van € 10.800,00 wegens overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet.

Bij besluit van 26 augustus 2008 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 juni 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 juli 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 17 augustus 2009.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 2 december 2009 heeft [appellante] nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 december 2009, waar [appellante], vertegenwoordigd door J.A.M. Ogink, werkzaam in haar dienst, en de minister, vertegenwoordigd door mr. C.M. Speear, ambtenaar bij het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld in verband met arbeidsomstandigheden van de werknemers.

Ingevolge het tiende lid van dit artikel, voor zover thans van belang, zijn de werkgever en de werknemers verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden als bedoeld in de op grond van dit artikel vastgestelde algemene maatregel van bestuur voor zover en op de wijze als bij deze maatregel is bepaald.

Ingevolge artikel 33, tweede lid, wordt als beboetbaar feit aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met artikel 16, tiende lid, voor zover het niet naleven van de in dat artikellid bedoelde voorschriften en verboden bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als beboetbaar feit. Ter zake van de feiten, bedoeld in de vorige volzin, wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald of een boete kan worden opgelegd van de eerste of tweede categorie.

Ingevolge artikel 3.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: het Arbobesluit) wordt het gevaar te worden getroffen of geraakt door voorwerpen, producten of onderdelen daarvan dan wel vloeistoffen of gassen, of het gevaar bekneld te raken tussen voorwerpen, producten of onderdelen daarvan, voorkomen en indien dat niet mogelijk is zo veel mogelijk beperkt.

Ingevolge artikel 9.9c, eerste lid, aanhef en onder c, voor zover thans van belang, wordt als beboetbaar feit ter zake waarvan een boete kan worden opgelegd van de tweede categorie, aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met de voorschriften welke zijn opgenomen in artikel 3.17 van het Arbobesluit.

2.1.1. In beleidsregel 33, achtste lid, aanhef en onder a, van de Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving (hierna: beleidsregel 33), voor zover thans van belang, is vermeld dat bij een arbeidsongeval dat leidt tot een ziekenhuisopname, aan een bedrijf met 100 tot 249 werknemers een boete van de tweede categorie voor een bedrag van € 10.800,00 wordt opgelegd.

In het achtste lid, aanhef en onder c, is vermeld dat bij de berekening van de op te leggen boete de drie factoren aan de orde kunnen zijn als genoemd in lid 4, onder a, en op overeenkomstige wijze leiden tot verlaging van het al dan niet op bedrijfsgrootte gecorrigeerde normbedrag.

In lid 4, onder a, worden de volgende factoren die tot vorenbedoelde verlaging kunnen leiden, genoemd:

- Indien de werkgever aantoont dat hij de risico’s van de werkzaamheden waarbij het beboetbare feit zich heeft voorgedaan voldoende heeft geïnventariseerd en op grond daarvan de nodige maatregelen heeft getroffen en deugdelijke, voor de arbeid geschikte, arbeidsmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking heeft gesteld, wordt de boete met een derde gematigd.

- Indien de werkgever bovendien aantoont dat hij voldoende instructies heeft gegeven, wordt de boete met nog een derde gematigd.

- Indien de werkgever bovendien aantoont dat hij adequaat toezicht heeft gehouden, wordt geen boete opgelegd.

In het negende lid van beleidsregel 33 is vermeld dat, indien de verwijtbaarheid ontbreekt, geen boete wordt opgelegd.

2.2. Op 10 september 2007 werden in het distributiecentrum van het bedrijf Schuitema B.V. aan de Almelosestraat 52 te Raalte door een chauffeur in dienst van [appellante], [naam] (hierna: het slachtoffer) werkzaamheden verricht, bestaande uit het laden van goederen in een vrachtwagencombinatie. Tijdens het uitladen van een rolcontainer met goederen uit de oplegger is deze rolcontainer bij het passeren van de drempelplaat op het slachtoffer gevallen. Het slachtoffer heeft hierbij letsel opgelopen en is voor behandeling in een ziekenhuis opgenomen.

2.3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister aan het in bezwaar gehandhaafde boetebesluit terecht ten grondslag gelegd dat [appellante] artikel 3.17 van het Arbobesluit heeft overtreden. [appellante] heeft het gevaar als bedoeld in dat artikel niet zo veel mogelijk beperkt, gelet op de door haar zelf in bezwaar overgelegde "Checklist werken met rolcontainers" van BGZ wegvervoer (hierna: de checklist), de risico-inventarisatie en -evaluatie van BGZ wegvervoer (hierna: de risico-inventarisatie en -evaluatie) en het TNO rapport "Arborisico's in de branche goederenvervoer" (hierna: het TNO rapport). In afwijking van de hierin opgenomen adviezen heeft het slachtoffer een rolcontainer van 420 kilogram zonder verdere hulp uitgeladen. [appellante] heeft de mogelijkheid nagelaten het gevaar te beperken door zorg te dragen voor, dan wel afspraken te maken over, aangedreven hulpmiddelen, het inzetten van meerdere personen of het afspreken van een lager maximaal gewicht van de rolcontainers, aldus de rechtbank.

2.4. [appellante] bestrijdt dit oordeel. Volgens [appellante] heeft de rechtbank niet onderkend dat zij het gevaar als bedoeld in artikel 3.17 van het Arbobesluit zo veel mogelijk heeft beperkt. De rechtbank heeft ten onrechte doorslaggevende betekenis toegekend aan de door haar in bezwaar overlegde stukken, welke slechts adviezen bevatten en geen bindende voorschriften. [appellante] stelt haar werknemers voldoende voorlichting en begeleiding te geven op het gebied van de arbeidsomstandigheden. Zo ontvangen alle chauffeurs in haar dienst het "Handboek Chauffeur", waarin wordt ingegaan op de veiligheidsvoorschriften en aandacht wordt besteed aan lossen en laden. Voorts ontvangen de chauffeurs die bij Schuitema worden ingezet de "Handleiding voor vervoer Schuitema", die regels bevat betreffende de uitvoering van het werk. De chauffeurs worden met enige regelmaat voorgelicht over veiligheidsaspecten en bijgeschoold. Chauffeurs die bij Schuitema worden ingezet, krijgen daarvoor een uitgebreide instructie. Ook voeren de leidinggevenden op het gebied van de veiligheid met regelmaat controles uit. Het door haar gebruikte materiaal voldoet aan de veiligheidsvoorschriften en haar werknemers beschikken over de voorgeschreven persoonlijke veiligheidsmiddelen, aldus [appellante]. Dat desondanks een ongeval heeft plaatsgevonden, is volgens [appellante] te wijten aan het gedrag van het slachtoffer zelf, dat de rolcontainer niet heeft geduwd maar over de drempelplaat heeft proberen te trekken. Zij betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat geen boete mocht worden opgelegd, dan wel dat de boete had moeten worden gematigd.

2.5. Artikel 3.17 van het Arbobesluit legt de verplichting op aan de werkgever het gevaar bedoeld in dat artikel te voorkomen dan wel zo veel mogelijk te beperken. Vaststaat dat het gevaar zich heeft gerealiseerd en dat [appellante] het derhalve niet heeft voorkomen.

Niet valt in te zien dat de rechtbank, in navolging van de minister, bij de beoordeling van de vraag of [appellante] het gevaar zo veel mogelijk heeft beperkt, zich niet heeft mogen baseren op de door [appellante] overgelegde stukken. Uit deze stukken blijkt het volgende. De checklist sluit het gebruik van rolcontainers beladen tot een gewicht van 500 kilogram niet uit. Echter, bij een gewicht van meer dan 350 kilogram adviseert de checklist als verbetermaatregel het inzetten van een aangedreven hulpmiddel. In de risico-inventarisatie en -evaluatie wordt geadviseerd om bij zwaar duwen en trekken te werken met elektrisch aangedreven karren, met meerdere personen te werken of te werken met een lier of grijparm die op de vrachtwagen bevestigd kan worden. In het TNO rapport wordt geadviseerd om rolcontainers bij een gladde vloer te beladen tot maximaal 245 kilogram en bij een oneffen vloer tot maximaal 125 kilogram.

De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat, gelet op deze adviezen, het op de weg van [appellante] had gelegen zorg te dragen voor, dan wel afspraken te maken over, aangedreven hulpmiddelen, het inzetten van meerdere personen of het afspreken van een lager maximaal gewicht van de rolcontainers. Dat, zoals [appellante] stelt, in de door haar in hoger beroep overgelegde brochure "Gezond werken met rolcontainers" van BGZ wegvervoer expliciet een maximaal gewicht van 500 kilogram wordt geadviseerd, is, gelet op de hiervoor genoemde andersluidende adviezen, onvoldoende om het oordeel van de rechtbank onjuist te achten. Haar stelling, zoals ter zitting verwoord, dat het in de branche ongebruikelijk is om aangedreven hulpmiddelen te gebruiken voor rolcontainers, laat, nog daargelaten wat daarvan zij, onverlet dat zij evenmin afspraken heeft gemaakt over het inzetten van meerdere personen dan wel over een lager maximaal gewicht van de rolcontainers. Voorts kan deze stelling haar niet ontslaan van de verplichting om artikel 3.17 van het Arbobesluit na te leven. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat [appellante] het gevaar als bedoeld in artikel 3.17 van het Arbobesluit niet zo veel mogelijk heeft beperkt. De rechtbank is derhalve terecht tot het oordeel gekomen dat [appellante] dit artikel heeft overtreden.

Gelet op deze conclusie heeft de minister voorts terecht geen aanleiding gezien om, met toepassing van het negende lid van beleidsregel 33, af te zien van het opleggen van een boete. Nu [appellante] heeft nagelaten de nodige maatregelen te treffen, kan niet worden geoordeeld dat haar geen verwijt te maken valt. Dat, naar [appellante] stelt, het ongeval te wijten is aan het gedrag van het slachtoffer, kan hier dan ook niet aan af doen. Evenmin behoefde voor de minister aanleiding te bestaan de opgelegde boete met toepassing van het achtste lid, aanhef en onder c, van beleidsregel 33, gelezen in samenhang met het vierde lid, onder a, eerste gedachtestreepje, te matigen. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat de risico's van de desbetreffende maatregelen weliswaar zijn geïnventariseerd, maar dat op basis daarvan geen adequate veiligheidsmaatregelen zijn getroffen. Gelet op het cumulatieve karakter van de matigingsgronden van het vierde lid van beleidsregel 33 behoeven de overige matigingsgronden verder geen bespreking.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek en mr. H.G. Lubberdink, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.J.A. Idema, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Idema

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2010

512.