Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL3303

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-02-2010
Datum publicatie
10-02-2010
Zaaknummer
200902704/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 januari 2008 heeft de burgemeester van Rotterdam (hierna: de burgemeester) geweigerd [appellant] vergunning te verlenen voor de exploitatie van een zogenoemde coffeeshop op het adres Goudse Rijweg 29.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200902704/1/H3.

Datum uitspraak: 10 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 maart 2009 in zaak nr. 08/2766 in het geding tussen:

appellant

en

de burgemeester van Rotterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 januari 2008 heeft de burgemeester van Rotterdam (hierna: de burgemeester) geweigerd [appellant] vergunning te verlenen voor de exploitatie van een zogenoemde coffeeshop op het adres Goudse Rijweg 29.

Bij besluit van 6 juni 2008 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 maart 2009, verzonden op 12 maart 2009, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 april 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 13 mei 2009.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 januari 2009, waar [appellant] in persoon, bijgestaan door mr. V.M. Weski, advocaat te Rotterdam, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. V. Wiegman, advocaat te Rotterdam, en mr. S.B.H. Fijneman, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2.3.2, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening van Rotterdam is het verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder exploitatievergunning.

Ingevolge artikel 2.3.6, tweede lid, aanhef en onder a, kan de burgemeester de exploitatievergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel de openbare orde gevaar loopt of het woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting door de aanwezigheid van de openbare inrichting nadelig wordt beïnvloed.

2.2. Ten tijde van de afgewezen aanvraag exploiteerde [appellant] een zogenoemde coffeeshop binnen een hemelsbrede afstand van 200 meter en een loopafstand van 250 meter van een school voor voortgezet onderwijs of middelbaar beroepsonderwijs. Omdat zodanige inrichtingen die binnen zodanige afstanden van een zodanige school zijn gevestigd volgens de op 1 oktober 2007 in werking getreden beleidsregels "Het Rotterdamse Coffeeshopbeleid 2007" (hierna: de beleidsnota) de verkoop van softdrugs per 1 juni 2009 dienen te staken, heeft [appellant] vergunning gevraagd voor de exploitatie van een coffeeshop op een locatie buiten deze afstanden. Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 22 januari 2008 heeft de burgemeester het gevoerde zogenoemde standstill-beleid en het daarbij toegepaste beleid van een afnemend maximum, zoals omschreven in de beleidsnota, ten grondslag gelegd. Dit beleid strekt er - voor zover thans van belang - toe dat geen vergunning voor de exploitatie van nieuwe coffeeshops wordt verleend, ook niet ter vervanging van coffeeshops, waarvan de exploitatie wordt beëindigd.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de burgemeester de aangevraagde exploitatievergunning in redelijkheid niet op grond van de beleidsnota heeft kunnen weigeren, nu verlening niet tot uitbreiding van het totale aantal coffeeshops zou leiden, aangezien het om verplaatsing van een bestaande coffeeshop gaat. Bovendien zou vergunningverlening ertoe leiden dat de coffeeshop buiten de in de beleidsnota vermelde afstanden van scholen kan worden geëxploiteerd, welke afstandscriteria ter bescherming van jongeren tegen de gevolgen van drugsgebruik zijn ingevoerd. De bescherming van jongeren is daarom kennelijk niet de ware reden om de aanvraag af te wijzen, aldus [appellant]. Hij betwist voorts de noodzaak en redelijkheid van de afstandscriteria, nu de toepassing ervan ertoe heeft geleid dat hij de exploitatie van de reeds jarenlang door hem geëxploiteerde coffeeshop heeft moeten staken.

2.3.1. De door [appellant] ingediende vergunningaanvraag ziet op de exploitatie van een nieuwe inrichting. Hoewel deze nieuwvestiging ter vervanging van een inrichting waarvan de exploitatie wordt beëindigd zou dienen, zou vergunningverlening niet met het volgens de beleidsnota gevoerde beleid van een afnemend maximum hebben gestrookt. Dit beleid, dat blijkens paragraaf 4.3 van de in december 2003 vastgestelde beleidsregels "Coffeeshops met beleid 2003" reeds vóór de invoering van de ten opzichte van scholen gevolgde afstandscriteria werd gevoerd, houdt verband met het algemene uitgangspunt dat de branche beheersbaar moet worden gemaakt, in welk kader het totale aantal inrichtingen wordt teruggebracht tot een meer aanvaardbaar niveau. Het staat naast de specifieke maatregelen ter bestrijding van drugsgebruik door jongeren, zoals de afstandscriteria.

Nu voorts niet is gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden, dat geoordeeld moet worden dat de burgemeester in verband daarmee in redelijkheid niet aan het volgens de beleidsnota gevoerde beleid heeft kunnen vasthouden, heeft de rechtbank in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de burgemeester de gevraagde exploitatievergunning niet mocht weigeren. Daarbij heeft zij de door [appellant] tegen de redelijkheid van de afstandscriteria aangevoerde argumenten met juistheid niet betrokken, aangezien de aanvraag geen vergunning voor de exploitatie van een coffeeshop binnen de desbetreffende afstanden van scholen betrof. Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. De Vries

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2010

582.