Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL3301

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-02-2010
Datum publicatie
10-02-2010
Zaaknummer
200910120/2/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juli 2008 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zeeburg (hierna: het dagelijks bestuur) aan [vergunninghouder] vrijstelling ten behoeve van een restaurant (horeca III) in het pand [locatie] te Amsterdam met een terras, verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200910120/2/H1.

Datum uitspraak: 3 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende de hoger beroepen van onder meer:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Pompstation B.V., gevestigd te Amsterdam,

verzoekster,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 december 2009 in zaak nrs. 08/3076 en 08/3137 in het geding tussen:

1. [wederpartijen sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [wederpartij sub 2], wonend te [woonplaats]

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zeeburg.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2008 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zeeburg (hierna: het dagelijks bestuur) aan [vergunninghouder] vrijstelling ten behoeve van een restaurant (horeca III) in het pand [locatie] te Amsterdam met een terras, verleend.

Bij uitspraak van 15 december 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) de door [wederpartijen sub 1] (hierna: [wederpartij sub 1]) en [wederpartij sub 2] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat die uitspraak in plaats treedt van het vernietigde besluit.

Tegen deze uitspraak heeft onder meer de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Pompstation B.V. (hierna: Pompstation) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 december 2009, hoger beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 december 2009, heeft Pompstation de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 21 januari 2010, waar Pompstation, vertegenwoordigd door mr. M.I. Houben, advocaat te Amsterdam, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. M.L.M. Lohman, gemachtigde, en [vergunninghouder] en [belanghebbende], in persoon, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2], bijgestaan door mr. C.M. Delstra, advocaat te Amstelveen, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het verzoek van Pompstation strekt ertoe dat de uitspraak van de rechtbank van 15 december 2009 wordt geschorst hangende de hoger beroepen, zodat gedurende die periode de bij besluit van 1 juli 2008 verleende vrijstelling herleeft.

2.3. Pompstation betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het dagelijks bestuur niet bevoegd was met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling te verlenen, omdat op grond van de door gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: GS) opgestelde regels deze vrijstelling niet kan worden verleend voor een speerpunt van beleid en daar volgens de rechtbank in dit geval sprake van is. Het dagelijks bestuur stelt zich op hetzelfde standpunt als Pompstation, terwijl [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] het eens zijn met het oordeel van de rechtbank.

2.3.1. Naar voorlopig oordeel van de voorzitter bestaat er gerede twijfel aan de juistheid van het door de rechtbank gegeven oordeel dat de in speerpunt 18 bedoelde 'projecten die het vestigen van bedrijven van milieucategorie 3 of hoger mogelijk maken', aan de hand van de in bijlage I bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer opgenomen indeling van categorieën moeten worden bepaald. Daarbij acht de voorzitter van belang dat de in die bijlage opgenomen categorieën van inrichtingen naar voorlopig oordeel niet zijn gerangschikt naar mate van hinder en dat GS in een brief aan het dagelijks bestuur heeft toegelicht dat de milieucategorieindeling in de regels op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO overeenkomt met die zoals opgenomen in de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. In de bodemprocedure zal nader moeten worden beoordeeld of, uitgaande van een verwijzing naar de in de VNG-brochure opgenomen milieucategorieën, aansluiting diende te worden gezocht bij de versie van die brochure zoals deze ten tijde van het opstellen van de regels door GS beschikbaar was of de herziene versie van 16 april 2007 die ten tijde van het besluit van 1 juli 2008 beschikbaar was, en of aldus een bevoegdheid voor het dagelijks bestuur bestond om de vrijstelling te verlenen met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO. Voorts heeft de voorzitter gerede twijfel of de beslissing van de rechtbank om het dagelijks bestuur niet in de gelegenheid te stellen op grond van de aanvraag een nieuwe beslissing te nemen in hoger beroep stand zal houden, als de Afdeling al tot het oordeel komt, dat de vrijstelling terecht is vernietigd.

2.4. Gelet op het voorgaande bestaat gerede twijfel of de aangevallen uitspraak in hoger beroep zonder meer in stand zal blijven, al bestaat derhalve ook bij de voorzitter, zij het op grond van een andere redenering dan in de aangevallen uitspraak is gevolgd, enige twijfel of het dagelijks bestuur bevoegd was vrijstelling te verlenen op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO. Het verzoek dient voorts te worden beoordeeld aan de hand van een afweging van de betrokken belangen, waarbij de planologische aspecten van de zaak met name in de beoordeling dienen te worden betrokken. Voor zover onverhoopt sprake zou zijn van overtreding van normen op grond van andere dan planologische wetgeving, is het dagelijks bestuur gehouden daartegen handhavend op te treden. De voorzitter gaat ervan uit dat het dagelijks bestuur indien dit zich voor zou doen, dat ook zal doen.

De voorzitter neemt enerzijds in aanmerking de door omwonenden aanvoerde argumenten met betrekking tot de door hen ervaren en gevreesde hinder van de horecaonderneming. Juridisch moeten deze belangen worden gerelativeerd, nu een vorm van horeca voorheen ter plaatse reeds was toegestaan. Anderzijds worden in aanmerking genomen de belangen van zowel Pompstation als het dagelijks bestuur bij de voortzetting van deze functie ter plaatse. Daarbij wordt betrokken dat voor deze functie een exploitatievergunning is verleend en dat het dagelijks bestuur streeft naar ruimtelijke inpassing van het gebruik waarvoor de vrijstelling is verleend door middel van het ontwerpbestemmingsplan en de in concept vastgestelde horecavisie voor de Indische buurt, waarin het belang van hoogwaardige horeca in deze buurt wordt benadrukt. Pompstation heeft een aanmerkelijk belang bij voortzetting van de bedrijfsvoering, dat met name gelet op het feit, dat het gebruik van het pand voor een vorm van horeca reeds was toegestaan, zwaarder moet wegen dan de belangen van [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2]. Ten aanzien van het terras oordeelt de voorzitter dat thans onvoldoende duidelijk is dat het terras planologisch mogelijk is, nu naar aannemelijk is een forse intensivering van het gebruik wordt beoogd in de nabijheid van woningen, zodat de vraag of dat gebruik planologisch aanvaardbaar is in de bodemprocedure dient te worden beantwoord. Ter voorkoming van onevenredig nadeel bij de [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] zal daarom worden bepaald, dat tot het oordeel in de bodemprocedure van het terras geen gebruik mag worden gemaakt.

2.5. Aldus ziet de voorzitter aanleiding tot het treffen van de navolgende voorziening.

2.6. Het dagelijks bestuur dient ten aanzien van Pompstation op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

2.7. Redelijke toepassing van artikel 41, vierde lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het griffierecht - naar analogie van artikel 41, vijfde lid van die wet - door de secretaris van de Raad van State aan Pompstation wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst de uitspraak van de rechtbank van 15 december 2009;

II. schorst de bij besluit van 1 juli 2008 verleende vrijstelling doch uitsluitend voor zover deze ziet op het terras, totdat de Afdeling op de ingestelde hoger beroepen heeft beslist;

III. veroordeelt het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zeeburg tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Pompstation B.V. in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. bepaalt dat de secretaris van de Raad van State aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Pompstation B.V. het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 447,00 (zegge: vierhonderdzevenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Wijers, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Wijers

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2010

444