Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL1855

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-02-2010
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
200903357/1/V6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 maart 2007 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) aan [wederpartij] een boete opgelegd van € 24.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903357/1/V6.

Datum uitspraak: 3 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 31 maart 2009 in zaak nr. 07/4367 in het geding tussen:

[wederpartij], gevestigd te [plaats],

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2007 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) aan [wederpartij] een boete opgelegd van € 24.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Bij besluit van 12 november 2007 heeft de minister het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 31 maart 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 22 maart 2007 herroepen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 mei 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 22 juni 2009. Deze brieven zijn aangehecht.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak, gelijktijdig met zaak nr. 200904400/1/V6 ter zitting behandeld op 26 november 2009, waar [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. R.N.W. Sterk, advocaat te Wijchen, en vergezeld door haar [directeur], en de minister, vertegenwoordigd door mr. R.E. van der Kamp, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op dit geding is de Wav van toepassing zoals die wet luidde tot de inwerkingtreding van de wet van 25 juni 2009 (Stb. 2009, 265) op 1 juli 2009.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel b, onder 1˚, van de Wav wordt onder werkgever verstaan degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, voor zover thans van belang, wordt het niet naleven van artikel 2, eerste lid, als beboetbaar feit aangemerkt.

2.2. Het op ambtseed onderscheidenlijk ambtsbelofte door inspecteurs van de Arbeidsinspectie opgemaakte boeterapport van 4 december 2006 met de daarbij behorende bijlagen (hierna: het boeterapport) houdt in dat op 13 juni 2006 drie vreemdelingen van Poolse nationaliteit (hierna: de vreemdelingen) in de Sterrenflat Rijnsteeg te Wageningen arbeid verrichtten bestaande uit het slopen in een gebouw door houtwerk en bekabeling te verwijderen en het sorteren van afvalmateriaal, terwijl hiervoor geen tewerkstellingsvergunningen zijn afgegeven. Verder volgt uit het boeterapport dat [bedrijf A], gevestigd te [plaats], de opdracht tot het verrichten van deze werkzaamheden heeft gegeven aan [vreemdeling A], handelend onder de naam [bedrijf B], wonend te [woonplaats], bij wie de vreemdelingen ten tijde van de controle in dienst waren. Voorts volgt uit het boeterapport dat [wederpartij] [bedrijf A]. met [bedrijf B] in contact heeft gebracht en namens en in overleg met [bedrijf B] over de inhoud en de prijs van de uit te voeren werkzaamheden heeft onderhandeld, waarvoor zij van [bedrijf B] eenmalig een vergoeding ten bedrage van € 300,00 heeft ontvangen.

2.3. [wederpartij] stelt in haar verweerschrift dat het hoger beroep van de minister ongegrond dient te worden verklaard, reeds omdat de minister heeft berust in de uitspraak van de rechtbank van 26 augustus 2008 in zaak nr. 07/3663, waarbij de jegens [bedrijf A] voor de tewerkstelling van de vreemdelingen bij besluit van 24 september 2007 gehandhaafde boete wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is vernietigd en de minister is opgedragen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen.

2.3.1. In voormelde uitspraak van 26 augustus 2008 heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken dat de minister, alvorens aan [bedrijf A] de boete op te leggen, voldoende heeft onderzocht of voor de door de vreemdelingen verrichte werkzaamheden tewerkstellingsvergunningen waren vereist en het besluit van 24 september 2007 in zoverre niet zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd.

2.3.2. Desgevraagd heeft de minister ter zitting bij de Afdeling medegedeeld dat het door [bedrijf A] gemaakte bezwaar alsnog gegrond is verklaard en het boetebesluit is herroepen, omdat vanwege tijdsverloop niet meer kon worden vastgesteld dat voor de door de vreemdelingen verrichte werkzaamheden tewerkstellingsvergunningen waren vereist. Nu het feitencomplex in de onderhavige zaak gelijk is aan het feitencomplex in de zaak van [bedrijf A], moet het er rechtens voor worden gehouden dat ook in de onderhavige zaak niet kan worden vastgesteld dat voor de door de vreemdelingen verrichte werkzaamheden tewerkstellingsvergunningen waren vereist, zodat de boete ten onrechte is opgelegd.

2.4. Het hoger beroep is reeds hierom ongegrond. De gronden van het hoger beroep behoeven geen bespreking meer. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. verstaat dat de secretaris van de Raad van State van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid griffierecht ten bedrage van € 447,00 (zegge: vierhonderdzevenenveertig euro) heft.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Oudeboon-van Rooij, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Oudeboon-van Rooij

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2010

487.