Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL1851

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-02-2010
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
200903867/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 mei 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (hierna: het college) geweigerd aan [appellante] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het uitbreiden van het woonhuis op het perceel [locatie] te Haarlem (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903867/1/H1.

Datum uitspraak: 3 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Haarlem,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 14 april 2009 in zaak

nr. 08/405 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (hierna: het college) geweigerd aan [appellante] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het uitbreiden van het woonhuis op het perceel [locatie] te Haarlem (hierna: het perceel).

Bij besluit van 20 november 2007 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 april 2009, verzonden op 17 april 2009, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 mei 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 25 juni 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 januari 2010, waar [appellante], bijgestaan door mr. J.V.C. Constandse, advocaat te Haarlem, en het college, vertegenwoordigd door J.R. Hartman, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan betreft de uitbreiding van het pand op het perceel door het oprichten van een uitbouw op de begane grond, het recht optrekken van de achtergevel en het aanbrengen van een balkon op zowel de eerste als de tweede verdieping.

2.2. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan terecht is getoetst aan het bestemmingsplan "Garenkokerskwartier", nu dit bestemmingsplan niet gold ten tijde van de aanvraag en de Afdeling in de uitspraak van 15 maart 2006 in zaak nr. 200504858/1 heeft overwogen dat getoetst dient te worden aan de Haarlemse bouwverordening (hierna: HBV).

2.2.1. Dit betoog faalt. Als uitgangspunt geldt dat bij het nemen van een besluit op bezwaar het recht moet worden toegepast, zoals dat op dat moment geldt. Niet is gebleken van omstandigheden die aanleiding geven voor het aanvaarden van een uitzondering op dat uitgangspunt. Ten tijde van het besluit op bezwaar van 23 september 2003 dat aan de orde was in voornoemde uitspraak van de Afdeling van 15 maart 2006 gold de HBV. Ter zitting is door [appellante] erkend dat het bouwplan in strijd was met artikel 2.5.12 van de HBV en zij aldus aan de HBV niet rechtstreeks aanspraak op verlening van bouwvergunning voor het bouwplan kon ontlenen. Ten tijde van het onderhavige besluit op bezwaar gold inmiddels het bestemmingsplan "Garenkokerskwartier" Het bouwplan is in dit besluit op bezwaar dan ook terecht getoetst aan het bestemmingsplan "Garenkokerskwartier".

2.3. Op het perceel rusten ingevolge het bestemmingsplan "Garenkokerskwartier" de bestemmingen "Woondoeleinden" en "Erven". Vast staat dat het bouwplan in strijd is met de bebouwingsvoorschriften van het bestemmingsplan "Garenkokerskwartier". Het college is niet bereid medewerking te verlenen aan een vrijstellingprocedure, omdat het bestemmingsplan "Garenkokerskwartier" een recent bestemmingsplan betreft en met betrekking tot het bouwplan een negatief stedenbouwkundig advies is uitgebracht waaruit met name van bezwaren tegen het balkon op de tweede verdieping blijkt. Voorts is bouwvergunning geweigerd wegens strijd met de redelijke eisen van welstand.

2.4. De beslissing om al dan niet vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan op grond van artikel 19, derde lid, van de WRO behoort tot de bevoegdheden van - in dit geval - het college, waarbij het college beleidsvrijheid heeft en de rechter terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit om vrijstelling te weigeren heeft kunnen komen.

2.5. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren vrijstelling te verlenen. [appellante] doet in dat kader een beroep op het gelijkheidsbeginsel en wijst op twee gevallen in de nabijheid van het perceel waarin een balkon op de tweede verdieping door het college zou zijn toegestaan.

2.5.1. Dit betoog faalt. De gevallen waar [appellante] naar verwijst betreffen de woning op het perceel [locatie a] en een appartementengebouw met 56 woningen dat is gelegen aan de [locatie b]. Het is niet gebleken dat deze gevallen wat betreft de ruimtelijke gevolgen daarvan zodanig overeenkomen met het thans aan de orde zijnde bouwplan, dat het college daarin aanleiding moest zien medewerking te verlenen aan het verzoek om vrijstelling. Het balkon op de tweede verdieping van de woning op het perceel [locatie a] is, anders dan het onderhavige balkon, niet aangebracht over de hele breedte van de woning en evenmin in een recht opgetrokken achtergevel, zoals het onderhavige balkon, maar is aangebracht in een schuine kap. Het appartementengebouw aan de [locatie b] betreft voorts een ander soort bebouwing dan het onderhavige bouwplan. De rechtbank heeft, gelet hierop, terecht overwogen dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren vrijstelling te verlenen.

2.6. Voor zover [appellante] voorts in algemene zin naar de door haar in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 12 april 2005 aangevoerde gronden verwijst, is dat evenzeer tevergeefs. Deze gronden richten zich niet tegen de aangevallen uitspraak en [appellante] heeft daarmee dan ook niet betoogd, dat en waarom de overwegingen van de aangevallen uitspraak niet juist zijn.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Van Driel

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2010

163-580.