Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL1839

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-02-2010
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
200905048/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op 31 augustus 2005 heeft de raad van toezicht voor de Orde van Advocaten bij de Hoge Raad der Nederlanden (hierna: de raad van toezicht) besloten dat de stage van appellante (hierna: [appellante]) met 7,2 maanden wordt verlengd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905048/1/H3.

Datum uitspraak: 3 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 3 juni 2009 in zaken nrs. 07/730 en 07/732 in het geding tussen:

appellante

en

1. de algemene raad van de Nederlandse Orde van Advocaten en

2. de raad van toezicht voor de Orde van Advocaten bij de Hoge Raad der Nederlanden.

1. Procesverloop

Op 31 augustus 2005 heeft de raad van toezicht voor de Orde van Advocaten bij de Hoge Raad der Nederlanden (hierna: de raad van toezicht) besloten dat de stage van appellante (hierna: [appellante]) met 7,2 maanden wordt verlengd.

Bij besluit van 18 oktober 2005 heeft hij een verzoek van [appellante] om haar stage te verkorten afgewezen.

Bij besluit van 8 december 2006 heeft de algemene raad van de Nederlandse Orde van Advocaten (hierna: de algemene raad) het door [appellante] tegen het besluit van 31 augustus 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij besluit van 26 maart 2007 heeft de raad van toezicht het door [appellante] tegen het besluit van 18 oktober 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 juni 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) de door [appellante] tegen deze laatste twee besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 juli 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 augustus 2009.

De algemene raad en de raad van toezicht hebben een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 januari 2010, waar [appellante] in persoon, de algemene raad, vertegenwoordigd door mr. M.E. Veenboer, werkzaam bij de Nederlandse Orde van Advocaten, en de raad van toezicht, vertegenwoordigd door mr. A.B. van Rijn, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Dat aan [appellante] inmiddels op 25 juni 2009 de stageverklaring is uitgereikt, leidt, anders dan de algemene raad heeft betoogd, niet tot het oordeel dat zij geen belang heeft bij het door haar ingestelde hoger beroep. Zij heeft tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat zij als gevolg van de besluiten schade in de vorm van gederfde inkomsten heeft geleden. Dat de werkgever van [appellante], als gesteld, niet verplicht was haar het stagiairesalaris te blijven betalen, is onvoldoende voor een ander oordeel.

2.2. Ingevolge artikel 9b, eerste lid, van de Advocatenwet is elke advocaat verplicht gedurende de eerste drie jaar waarin deze als zodanig is ingeschreven, als stagiaire de praktijk uit te oefenen onder toezicht van een andere advocaat en bij deze kantoor te houden.

Ingevolge het tweede lid, eerste volzin, wordt voor stagiaires die in deeltijd werkzaam zijn de duur van de stage naar evenredigheid verlengd. Ingevolge de derde volzin kan de raad van toezicht de duur van de stage, met goedkeuring van de algemene raad, op verzoek van de stagiaire verkorten.

2.3. De rechtbank heeft met betrekking tot het besluit van 8 december 2006 overwogen dat de raad van toezicht ingevolge artikel 9b, tweede lid, eerste volzin, van de Advocatenwet gehouden was de stage van [appellante], die een aanstelling had voor 32 uur per week, te verlengen. Het beleid van de algemene raad dat uitsluitend voor stagiaires, voor wie 36 uur per week de rechtspositioneel geldende arbeidsduur is, betekenis aan de eigen verklaring over het feitelijk aantal gewerkte uren wordt toegekend, is volgens haar niet onredelijk.

2.3.1. [appellante] klaagt dat de rechtbank aldus heeft miskend dat artikel 9b, tweede lid, eerste en derde volzin, van de Advocatenwet als één geheel moet worden gelezen en de rechtbank, gelet op de bewoordingen van de derde volzin, ten onrechte heeft overwogen dat artikel 9b, tweede lid, eerste volzin, van de Advocatenwet geen ruimte laat om rekening te houden met de individuele feiten en omstandigheden. Voorts passen de raad van toezicht en de algemene raad deze bepaling volgens haar niet in alle gevallen op dezelfde wijze toe.

2.3.2. Voor het betoog van [appellante] dat artikel 9b, tweede lid, eerste en derde volzin, van de Advocatenwet als één geheel moet worden gelezen, zijn geen aanknopingspunten in de bewoordingen en de totstandkomingsgeschiedenis van die bepaling te vinden. De rechtbank heeft artikel 9b, tweede lid, eerste volzin, terecht aangemerkt als inhoudend een zelfstandige bepaling, waarbij de wetgever geen ruimte heeft gelaten voor een individuele beoordeling in het geval een stagiaire in deeltijd werkt.

Uitgangspunt is ingevolge artikel 9b, eerste lid, dat een stagiaire drie jaar stage loopt voor 40 uur per week. Als een stagiaire in deeltijd werkt, moet de stage ingevolge de bepaling naar evenredigheid worden verlengd. Nu [appellante], naar niet in geschil is, een arbeidsovereenkomst met een advocatenkantoor had voor 32 uur per week, heeft de rechtbank met juistheid de algemene raad gehouden geacht de verlenging door de raad van toezicht van haar stage met 7,2 maanden in stand te laten.

Wat er zij van de door [appellante] gegeven voorbeelden over formele, feitelijke, vrijwillige en onvrijwillige deeltijders, deze kunnen niet afdoen aan de bepaling van artikel 9b, tweede lid, eerste volzin, van de Advocatenwet.

2.4. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de raad van toezicht zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] volgens het inzake stageverkortingen door de algemene raad gevoerde beleid niet in aanmerking kwam voor verkorting van haar stage vanwege de ervaring die zij in het verleden heeft opgedaan.

2.4.1. [appellante] voert aan dat zij aldus heeft miskend dat het door de algemene raad gevoerde beleid, dat alleen de in de advocatuur opgedane werkervaring bij de beoordeling van een verzoek om stage verkorting in aanmerking wordt genomen, geen recht doet aan het discretionaire karakter van de bij artikel 9b, tweede lid, derde volzin, aan hem verleende bevoegdheid.

2.4.2. Gelet op de bewoordingen en de volgorde van het eerste en het tweede lid van artikel 9b van de Advocatenwet, ziet de in het tweede lid, derde volzin, geboden mogelijkheid om verkorting van "de duur van de stage" te vragen, zowel op de stage van drie jaar, bedoeld in het eerste lid, als op de verlengde stage, bedoeld in het tweede lid, eerste volzin.

[appellante] heeft verzocht om verkorting van de verlengde stage. De raad van toezicht heeft zich aan het door de algemene raad met betrekking tot de mogelijkheid om de stage te verkorten gevoerde beleid geconformeerd en dat toegepast bij de beoordeling van het verzoek van [appellante]. Dit beleid ziet echter ingevolge artikel 9b, eerste lid, van de Advocatenwet uitsluitend op de stageperiode en niet op de verlengde stage, zo heeft de vertegenwoordiger van de raad van toezicht ter zitting in hoger beroep bevestigd. De raad van toezicht heeft dit beleid derhalve ten onrechte zonder meer van toepassing geacht bij de beoordeling van het door [appellante] gedane verzoek. De in bezwaar gehandhaafde afwijzing van het verzoek om verkorting ontbeert aldus een draagkrachtige motivering en diende deswege door de rechtbank te worden vernietigd.

2.1. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, doch slechts voor zover het beroep tegen het besluit van 26 maart 2007 daarbij ongegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het tegen dat besluit ingestelde beroep alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

2.2. De raad van toezicht dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden verwezen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 3 juni 2009 in de zaken nrs. 07/732 en 07/730, voor zover het tegen het besluit van 26 maart 2007, kenmerk 51857, ingestelde beroep daarbij ongegrond is verklaard;

III. verklaart het bij de rechtbank tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt dat besluit;

V. bevestigt die uitspraak voor het overige;

VI. veroordeelt de raad van toezicht voor de Orde van Advocaten bij de Hoge Raad der Nederlanden tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de raad van toezicht voor de Orde van Advocaten bij de Hoge Raad der Nederlanden aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 364,00 (zegge: driehonderdvierenzestig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Van Tuyll van Serooskerken

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2010

290.