Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL1837

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-02-2010
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
200906553/1/V6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 februari 2007 heeft de minister voor Integratie, Jeugdbescherming, Preventie en Reclassering (thans de minister van Justitie, hierna: de minister) het koninklijk besluit van 23 juli 2005, waarbij aan [appellante] mede ten behoeve van haar minderjarig kind het Nederlanderschap is verleend, ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200906553/1/V6.

Datum uitspraak: 3 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], mede namens haar minderjarig kind, wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 juli 2009 in zaak nr. 08/1937 in het geding tussen:

[appellante], mede namens haar minderjarig kind,

en

de minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 februari 2007 heeft de minister voor Integratie, Jeugdbescherming, Preventie en Reclassering (thans de minister van Justitie, hierna: de minister) het koninklijk besluit van 23 juli 2005, waarbij aan [appellante] mede ten behoeve van haar minderjarig kind het Nederlanderschap is verleend, ingetrokken.

Bij besluit van 8 april 2008 heeft de minister het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 17 juli 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 augustus 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 januari 2010, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. H.P. Vos, advocaat te Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de verlening van het Nederlanderschap aan [appellante] berust op het verzwijgen van enig voor de verlening relevant feit, aangezien [appellante] heeft verzwegen dat haar huwelijk met haar Nederlandse ex-echtgenoot (hierna: de ex-echtgenoot) naar Marokkaans recht sedert 26 juli 2002 is ontbonden wegens verstoting. [appellante] voert hiertoe aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat haar huwelijk ten tijde van de verlening van het Nederlanderschap naar Nederlands recht nog in stand was, nu de ontbinding pas op 19 oktober 2005 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Voorts heeft de rechtbank volgens [appellante] niet onderkend dat zij geen relevante feiten heeft verzwegen, aangezien zij ten tijde van de verlening van het Nederlanderschap niet op de hoogte was van de verstoting door de ex-echtgenoot.

2.1.1. Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN), voor zover thans van belang, kan de minister de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap intrekken, indien zij berust op een door de betrokken persoon gegeven valse verklaring of bedrog, dan wel op het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit. De intrekking werkt terug tot het tijdstip van verkrijging of verlening van het Nederlanderschap. De intrekking is niet mogelijk indien sedert de verkrijging of verlening een periode van twaalf jaar is verstreken.

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding), voor zover thans van belang, kan de minister besluiten tot intrekking van het Nederlanderschap indien de naturalisandus voor de verkrijging of verlening relevante feiten heeft verzwegen, waarbij moet worden gedacht aan het verzwijgen van feiten waarvan de betrokkene weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat ze van belang kunnen zijn voor het verzoek om naturalisatie. De intrekking van het Nederlanderschap is geen sanctie voor de frauduleuze handelingen, maar heeft tot doel dat de gevolgen van het frauduleus handelen worden gecorrigeerd.

Indien achteraf blijkt dat het Nederlanderschap op onjuiste gronden is verkregen, rijst de vraag of deze situatie in stand moet blijven. Uitgangspunt bij een situatie als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de RWN, is dat de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap wordt ingetrokken. Als gevolg van eventuele individuele bijzondere omstandigheden én na afweging van de bij intrekking betrokken belangen kan van intrekking worden afgezien.

Intrekking zal slechts worden overwogen indien de betrokkene, ware de fraude, het bedrog of de verzwijging van relevante feiten tijdig bekend geweest, niet voor verkrijging dan wel verlening van het Nederlanderschap in aanmerking zou zijn gekomen.

2.1.2. Bij brief van 19 oktober 2005 heeft de minister van de Ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Amsterdam een gelegaliseerde Marokkaanse akte van verstoting (hierna: de akte) ontvangen, waaruit blijkt dat het huwelijk tussen [appellante] en de ex-echtgenoot op 26 juli 2002 in Marokko is ontbonden. Niet in geschil is dat de akte rechtsgeldig is en dat [appellante] en de ex-echtgenoot naar Marokkaans recht sinds 26 juli 2002 zijn gescheiden. Nu ervan moet worden uitgegaan dat de ontbinding van het huwelijk naar Marokkaans recht rechtsgeldig tot stand is gekomen, moet, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet conflictenrecht inzake ontbinding huwelijk en scheiding van tafel en bed, evenzeer van de erkenning van de ontbinding in Nederland worden uitgegaan. Dat de ontbinding van het huwelijk pas op 19 oktober 2005 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, doet er niet aan af dat reeds ten tijde van de verlening van het Nederlanderschap het huwelijk van [appellante] rechtsgeldig was ontbonden. Ontbinding door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand, ingevolge artikel 163 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, geldt slechts voor een echtscheidingsbeschikking van de Nederlandse rechter.

In de akte is vermeld dat [appellante] samen met haar broer, die werkzaam is als advocaat te Nador, Marokko, bij de verstoting aanwezig was. De enkele niet met gegevens of bescheiden gestaafde stelling van [appellante] en de ex-echtgenoot, dat zij beiden niet bij de verstoting aanwezig waren en niet weten wie daarbij wel aanwezig waren, is onvoldoende om niet van de juistheid van de akte uit te gaan. [appellante] heeft ook niet bestreden dat de akte rechtsgeldig is en evenmin dat zij en de ex-echtgenoot naar Marokkaans recht gescheiden zijn. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister terecht heeft aangenomen dat [appellante] ten tijde van de verlening van het Nederlanderschap op de hoogte was van de ontbinding van het huwelijk met de ex-echtgenoot en door hiervan geen melding te maken relevante feiten heeft verzwegen.

Het betoog faalt.

2.2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Schaaf, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers w.g. Schaaf

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2010

523.