Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL1835

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-02-2010
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
200902225/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 februari 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Margraten (hierna: de raad) bij besluit van 1 juli 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Bemelen" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200902225/1/R2.

Datum uitspraak: 3 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Margraten (hierna: de raad) bij besluit van 1 juli 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Bemelen" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 april 2009, beroep ingesteld. [appellant] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 13 mei 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 december 2009, waar [appellant], bijgestaan door mr. W. Mesters, is verschenen.

Voorts is de raad, bijgestaan door B.P.M. Robberts en M.G.P. Geurts, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan voorziet in een actuele planologische regeling voor de bestaande kern van Bemelen en Sint Antoniusbank. Daarnaast voorziet het plan in de mogelijkheid om aan de westzijde van de dorpskern een woningbouwlocatie te ontwikkelen (hierna: de woningbouwlocatie).

2.3. Het beroep van [appellant] is gericht tegen de goedkeuring van de bestemming "Bedrijfsdoeleinden", voor zover die is toegekend aan het perceel Oude Akerstraat 33 (hierna: het perceel). [appellant] woont op het perceel, waar tevens zijn groothandel in gewasbeschermingsmiddelen is gevestigd (hierna: het bedrijf). Het in het bestreden besluit ingenomen standpunt, dat het bedrijf op het perceel de in het verleden vergunde activiteiten kan blijven uitoefenen, dat het bedrijf niet wordt gehinderd door omliggende bebouwing en dat er geen planologische belemmeringen zijn, berust volgens [appellant] op onvoldoende onderzoek.

[appellant] voert daartoe aan dat, anders dan door het college wordt aangenomen, het bedrijf niet valt onder de werkingssfeer van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit).

Voor zover het bedrijf wel onder het Activiteitenbesluit zou vallen, kan volgens [appellant] niet worden voldaan aan de in dat besluit genoemde afstandseis van 8 meter die drie jaar na de inwerkingtreding van dat besluit moet worden aangehouden ten opzichte van woningen. Hiertoe voert hij aan dat het niet mogelijk is om de bedrijfsvoering hierop aan te passen. Bovendien strookt deze beperking niet met de reƫle uitbreidingsmogelijkheden die worden geboden ingevolge artikel 11 van de planvoorschriften. Gelet hierop ligt volgens [appellant] bedrijfsverplaatsing in de rede, waarvoor hij financieel moet worden gecompenseerd.

Voorts voert [appellant] aan dat het bedrijf mogelijk onder de werkingssfeer van het Besluit risico's zware ongevallen 1999 (hierna: Brzo 1999) en het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: het Bevi) valt, op grond waarvan in het plan risicocontouren hadden moeten worden opgenomen in verband met de in het plan opgenomen nieuwbouwlocatie.

2.4. Het college stelt zich met de raad op het standpunt dat het bedrijf onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit valt, nu de activiteiten van het bedrijf niet worden genoemd in Bijlage 1, aanhef en onder o, van het Activiteitenbesluit, omdat niet meer dan 10.000 kg per compartiment aan gevaarlijke stoffen is opgeslagen. Derhalve dient vanaf januari 2011 te worden voldaan aan de afstandseis van 8 meter als bedoeld in het Activiteitenbesluit hetgeen met enige aanpassing van de bedrijfsvoering mogelijk wordt geacht. Het niet voldoen aan de afstandseis veroorzaakt volgens het college geen saneringsplicht.

Voorts valt het bedrijf volgens het college niet onder het Brzo 1999, nu de drempelwaarden worden onderschreden. Hiermee en vanwege de toepasselijkheid van het Activiteitenbesluit is tevens uitgesloten dat het bedrijf onder de werkingssfeer van het Bevi valt. Het bedrijf kan op de huidige locatie de activiteiten uitoefenen en wordt niet gehinderd door omliggende bebouwing. Van planologische belemmeringen is dan ook geen sprake, aldus het college.

2.5. Ingevolge Bijlage 1, Lijst van vergunningplichtige inrichtingen, aanhef en onder o, van het Activiteitenbesluit, gelden de in artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer opgenomen verboden voor inrichtingen waar een opslagvoorziening voor verpakte gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen met een opslagcapaciteit van meer dan 10.000 kilogram aanwezig is.

Ingevolge artikel 4.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit, voor zover hier van belang, voldoen de verpakking en de opslag van gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen ten minste aan de bij ministeriƫle regeling te stellen eisen.

Ingevolge artikel 4.3, eerste lid, van de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: de Regeling) worden gevaarlijke stoffen en gevaarlijke afvalstoffen in verpakking en CMR-stoffen in verpakking opgeslagen in een opslagvoorziening die is uitgevoerd overeenkomstig de voorschriften uit de paragrafen 3.1, 3.2 met uitzondering van voorschrift 3.2.1.6 en uit de paragrafen 3.4, 3.5, 3.7 tot en met 3.20, voorschrift 3.21.1 en paragraaf 3.23 van Richtlijn PGS 15.

Blijkens paragraaf 3.2 van Richtlijn PGS 15 wordt een opslagvoorziening in beginsel uitgevoerd als een brandcompartiment met een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (hierna: WBDBO) tussen een ruimte waarin gevaarlijke stoffen worden opgeslagen en een andere ruimte (en andersom) van tenminste 60 minuten. Voor bestaande situaties gelden de eisen uit de vigerende bouw- en milieuvergunning.

2.5.1. Uit de schriftelijke uiteenzetting blijkt dat voor het bedrijf op 25 mei 1999 een revisievergunning op grond van de Wet milieubeheer is verleend. Aan het verlenen van de vergunning ligt een aanvraag van 7 juli 1998 met bijlagen ten grondslag. Deze aanvraag en bijlagen maken onderdeel uit van de vergunning. In de bij deze aanvraag behorende stukken is aangegeven dat binnen de inrichting 3 opslagvoorzieningen aanwezig zijn. Dit blijkt eveneens uit het externe veiligheidsonderzoek in het kader van de vergunningprocedure (hierna: het onderzoek). In elke opslag wordt niet meer dan 10.000 kg aan bestrijdingsmiddelen opgeslagen. Voorts hebben deze opslagvoorzieningen alle drie een WBDBO van tenminste 60 minuten. Volgens het onderzoek wordt aan de normstelling voor externe veiligheid voldaan.

Gelet op het hiervoor aangehaalde toetsingskader en de schriftelijke uiteenzetting heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat het Activiteitenbesluit van toepassing is op het bedrijf.

2.6. Ingevolge artikel 4.1, derde lid, van het Activiteitenbesluit bedraagt de afstand tussen de opslagvoorziening en de woning van derden ten minste 8 meter indien de opslagvoorziening bestemd voor de opslag van gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen in verpakking is uitgevoerd als brandcompartiment of indien tussen de opslagvoorziening en de woning van derden een brandwerende voorziening van voldoende omvang aanwezig is.

Ingevolge artikel 6.25, eerste lid, van het Activiteitenbesluit, voor zover hier van belang, zijn de in artikel 4.1, derde lid, opgenomen afstanden gedurende drie jaar niet van toepassing op inrichtingen die zijn opgericht voor de inwerkingtreding van dat artikel en waarvan onmiddellijk voorafgaand aan die inwerkingtreding een vergunning in werking en onherroepelijk was.

Ingevolge artikel 6.25, tweede lid, van het Activiteitenbesluit blijven op de inrichtingen, bedoeld in het eerste lid, gedurende drie jaar de voorschriften uit de vergunning van toepassing.

2.6.1. Ter zitting is vast komen te staan dat de afstand tussen de opslagvoorziening van het bedrijf en de dichtstbij gelegen bestaande woning minder bedraagt dan 8 meter. De in het plan voorziene woningbouwlocatie brengt daar geen verandering in. De door [appellant] gestelde beperking van de bedrijfsvoering in verband met de inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit is dan ook geen gevolg van de vaststelling van het plan. Dat legt immers de bestaande situatie vast. Daarbij gaat [appellant] er ten onrechte van uit dat het plan het bedrijf, dat behoort tot milieucategorie 3, uitbreidingsmogelijkheden zou bieden. Ingevolge artikel 11, lid B, onder 1, van de planvoorschriften worden de uitbreidingsmogelijkheden van bedrijven in deze categorie juist beperkt. Gegrondverklaring van het beroep kan in zoverre dan ook niet leiden tot het daarmee beoogde doel.

2.6.2. Ten aanzien van het Brzo 1999 en het Bevi is door het college van burgemeester en wethouders in de schriftelijke uiteenzetting het volgende aangevoerd. Uit de bij de aanvraag gevoegde lijst van stoffen blijkt dat een deel daarvan, te weten 50 kilogram, moet worden aangemerkt als zeer giftig. Op grond van Deel 2, kolom 1 van het Brzo 1999 gelden voor zeer giftige stoffen de zwaarste eisen, te weten 5 ton als drempelwaarde voor het voorhanden hebben van een document waarin het beleid is vastgelegd ter voorkoming van zware ongevallen en de invoering van een veiligheidsbeheerssysteem en 20 ton voor de aanwezigheid van een veiligheidsrapport en een intern noodplan. Beide drempelwaarden worden met de aanwezige 50 kilogram zeer giftige stoffen ruim onderschreden. Daarnaast blijkt uit de bij de aanvraag behorende lijst met stoffen (K1, K2 en K3) dat ook de hoeveelheid brandbare vloeistoffen die worden opgeslagen de drempelwaarden van het Brzo 1999 onderschrijden. De gehele opslag van 30 ton kan de onderste drempelwaarde van 50 ton voor Licht ontvlambare stoffen (K1) niet eens overschrijden. Gelet op het feit dat het Brzo 1999 niet op de inrichting van toepassing is en er niet meer dan 10 ton stoffen per opslagvoorziening binnen de inrichting wordt opgeslagen, valt de inrichting ook niet onder de werkingssfeer van het Bevi, aldus het college van burgemeester en wethouders. [appellant] heeft niet duidelijk gemaakt waarop zijn stelling dat het desondanks mogelijk is dat de inrichting binnen de werkingssfeer van het Brzo 1999 valt is gebaseerd.

Gelet hierop heeft het college zich met juistheid op het standpunt gesteld dat het Brzo 1999 en het Bevi niet van toepassing zijn op het bedrijf zodat voor het opnemen van een risicocontour in het plan geen aanleiding bestaat. Het betoog faalt.

2.7. De conclusie is dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.M. van der Heijden, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Van der Heijden

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2010

516-605.