Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL1829

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-02-2010
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
200905114/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 september 2007 heeft de raad van de gemeente Zaanstad (hierna: de raad) een verzoek van appellante (hierna: ZVH) om een deel van het parkeerterrein aan het J.A. Laanplein te Zaandam aan het openbaar verkeer te onttrekken, afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet goederenvervoer over de weg
Wet goederenvervoer over de weg 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/233
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905114/1/H3.

Datum uitspraak: 3 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Zaandams Volkshuisvesting (ZVH), gevestigd te Zaandam, gemeente Zaanstad,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 2 juni 2009 in zaak

nr. 08/5248 in het geding tussen:

appellante

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 september 2007 heeft de raad van de gemeente Zaanstad (hierna: de raad) een verzoek van appellante (hierna: ZVH) om een deel van het parkeerterrein aan het J.A. Laanplein te Zaandam aan het openbaar verkeer te onttrekken, afgewezen.

Bij besluit van 2 juli 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) het door ZVH daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 juni 2009, verzonden op 3 juni 2009, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door ZVH daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft ZVH bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 juli 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 11 augustus 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 januari 2010, waar ZVH, vertegenwoordigd door [gemachtigde], werkzaam bij ZVH, bijgestaan door mr. H.A.H. Stam, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. L. van Nieuwenhuizen, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de raad, vertegenwoordigd door mr. F.P. Bouwer, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Wegenwet, voor zover thans van belang, kan een weg aan het openbaar verkeer worden onttrokken bij een besluit van de raad van de gemeente, waarin de weg is gelegen.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, voor zover thans van belang, heeft iedere belanghebbende bij een weg het recht aan de raad van de gemeente, waarin de weg is gelegen ten opzichte van die weg toepassing van artikel 9 te verzoeken.

Ingevolge het derde lid staat aan de verzoeker beroep op gedeputeerde staten open, indien de raad weigert aan het verzoek te voldoen.

2.2. ZVH is eigenaresse van het appartementencomplex "Romanium" met 57 appartementen, waarvan de ingang is gelegen aan een zijstraat van het J.A. Laanplein, het J.C. Oostsanenhof 1. Naast dit appartementencomplex bevinden zich 68 parkeerplaatsen die deel uitmaken van het parkeerterrein aan het J.A. Laanplein. ZVH heeft ten aanzien van dit haar in eigendom toebehorende deel van het parkeerterrein verzocht om onttrekking aan de openbaarheid, zodat de op dit deel gelegen parkeerplaatsen uitsluitend door bewoners en bezoekers van het appartementencomplex kunnen worden gebruikt. ZVH heeft het merendeel van de 68 parkeerplaatsen verkocht of verhuurd aan bewoners van de appartementen. ZVH heeft, zonder toestemming daartoe van de gemeente, een slagboom geplaatst om het betrokken deel van het parkeerterrein af te scheiden, waardoor de 68 parkeerplaatsen tijdelijk alleen door de bewoners van het appartementencomplex konden worden gebruikt. De overige op het parkeerterrein gelegen openbare parkeerplaatsen konden worden bereikt zonder slagboom.

2.3. Het college concludeert in het besluit van 2 juli 2008 dat op dinsdag- en donderdagavond, vanwege drukte bij de nabijgelegen atletiekbaan, van de voor een ieder toegankelijke parkeerplaatsen op het parkeerterrein 100% bezet is, terwijl van de parkeerplaatsen op het terrein van ZVH, dat is afgesloten met een slagboom, meer dan de helft niet bezet is. Het college is van oordeel dat het door ZVH gestelde financiële belang niet een dringende reden is die opweegt tegen het algemeen belang van voldoende openbare parkeerruimte.

2.4. De rechtbank heeft overwogen dat het college zich bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het algemeen belang bij openbare toegankelijkheid van het door een slagboom afgesloten deel van het parkeerterrein zwaarder weegt dan het belang van ZVH bij afsluiting daarvan. Dat de parkeerdruk op de gemeten dinsdag- en donderdagavond wellicht niet dusdanig hoog is dat geen tekort aan parkeerplaatsen ontstaat, doet aan de redelijkheid van deze belangenafweging niet af, aldus de rechtbank. Het college heeft volgens de rechtbank geen doorslaggevende betekenis hoeven toekennen aan het financiële belang van ZVH.

2.5. ZVH stelt dat de rechtbank heeft miskend dat het college geen deugdelijke belangenafweging heeft gemaakt tussen haar belang en het algemene verkeersbelang dat wordt gediend met het openbaar houden van het door een slagboom afgesloten deel van het parkeerterrein. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het college er bij zijn belangenafweging ten onrechte vanuit is gegaan dat er een tekort aan parkeerplaatsen is bij afsluiting van het betrokken deel van het parkeerterrein. Dit uitgangspunt is onjuist gebleken op grond van het bij de rechtbank overgelegde parkeeronderzoek van Telwerk B.V. van september 2008. Het gestelde financiële belang is voorts ten onrechte niet voldoende zwaarwegend geacht om onttrekking aan de openbaarheid te kunnen rechtvaardigen. Dit geldt te meer als rekening wordt gehouden met haar alternatieve voorstel, waarbij slechts 57 parkeerplaatsen aan de openbaarheid worden onttrokken. Bovendien was zij volledig te goeder trouw en mocht zij de akte van levering van de gekochte grond op die manier begrijpen dat de gemeente, indien nodig, zou meewerken aan het onttrekken van de grond aan de openbaarheid, aldus ZVH.

2.6. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 30 mei 2007 in zaak nr. 200608465/1) is de in artikel 9, eerste lid, van de Wegenwet neergelegde bevoegdheid discretionair van aard. Het bevoegd gezag komt ter zake een ruime mate van beleidsvrijheid toe. De rechter dient de aanwending daarvan te beoordelen aan de hand van de maatstaf of er strijd is geweest met wettelijke voorschriften dan wel of de betrokken belangen op zodanig onevenwichtige wijze zijn afgewogen, dat niet in redelijkheid tot onttrekking kon worden overgegaan.

Voor het oordeel dat de afwijzing van het verzoek het betrokken deel van het parkeerterrein aan de openbaarheid te onttrekken in strijd is met wettelijke voorschriften bestaat geen grond. In geschil is of de rechtbank op goede gronden heeft overwogen dat het college zich bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het algemeen belang bij openbare toegankelijkheid van het door een slagboom afgesloten deel van het parkeerterrein zwaarder weegt dan het belang van ZVH bij afsluiting daarvan.

2.7. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 21 januari 2009 in zaak nr. 200804893/1) is met openbare toegankelijkheid van wegen in beginsel het algemeen belang gediend. Om aan zwaarwegende particuliere belangen tegemoet te komen kan een weg aan het openbaar verkeer worden onttrokken.

Voor het oordeel dat het algemeen belang zich niet tegen onttrekking van het betrokken deel van het parkeerterrein aan de openbaarheid verzet, acht de Afdeling geen grond aanwezig. Uit tellingen in maart, april en mei 2007, uitgevoerd door ambtenaren van de afdeling Stedenbouw en verkeer van de gemeente Zaanstad, komt naar voren dat er op dinsdag- en donderdagavond een extra parkeerdruk kan zijn. Op de gemeten avonden doet zich op het voor een ieder toegankelijke deel van het parkeerterrein een parkeerprobleem voor, aangezien aldaar alle parkeerplaatsen bezet zijn, terwijl op het door een slagboom afgesloten deel maximaal slechts 40% van de parkeerplaatsen bezet is. Tevens wordt op deze avonden gebruik gemaakt van openbare parkeerplaatsen op het nabijgelegen terrein van Nuon, welke parkeerplaatsen zullen verdwijnen in verband met nieuwbouwplannen.

Uit het parkeeronderzoek van Telwerk B.V. volgt eveneens dat er ter plaatse op dinsdag- en donderdagavond extra parkeerdruk kan zijn.

Op het met een slagboom afgesloten deel van het parkeerterrein is op de gemeten dinsdagavond maximaal 38,2% bezet. Dit is volgens dit parkeeronderzoek tegelijkertijd aldaar de hoogst gemeten bezettingsgraad. Daartegenover staat dat op dezelfde avond van de voor een ieder toegankelijke parkeerplaatsen op het J.A. Laanplein maximaal 91,1% bezet is. Op een gemeten donderdagavond is de parkeerdruk eveneens groot.

De maximaal aldaar gemeten bezettingsgraad betreft dan meer dan 75%.

Dat uit het onderzoek van Telwerk B.V. niet naar voren komt dat op deze avonden al de voor een ieder toegankelijk parkeerplaatsen bezet zijn, maakt niet dat hieruit niet kan worden afgeleid dat ter plaatse op de genoemde avonden parkeerdruk bestaat. De rechtbank heeft met juistheid hierin geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het algemeen belang zich niet tegen onttrekking van het betrokken deel van het parkeerterrein aan de openbaarheid verzet. In dit geval heeft de rechtbank ervan uit mogen gaan dat met openbare toegankelijkheid van het betrokken deel van het parkeerterrein het algemeen belang in ruime mate wordt gediend. Dat, zoals ZVH stelt, in de directe omgeving van het appartementencomplex en de nabijgelegen atletiekbaan meer openbare parkeerplaatsen zijn, zodat voldoende parkeerruimte bestaat, kan, wat hiervan verder ook zij, niet leiden tot een ander oordeel. Niet is aannemelijk gemaakt dat daardoor op de betreffende avonden het aantal beschikbare openbare parkeerplaatsen toereikend is. Tijdens onderzoeken naar de bestaande parkeerdruk was het betrokken deel van het parkeerterrein bovendien door een slagboom afgesloten, zodat de ter plaatse gemeten parkeerdruk representatief is voor een situatie die na onttrekking van het betrokken deel van het parkeerterrein aan de openbaarheid zou zijn ontstaan.

2.8. De stelling van ZVH dat het belang van openbaarheid van het betrokken deel van het parkeerterrein is komen te ontvallen, omdat het appartementencomplex geen openbare functie heeft, kan niet slagen, nu als uitgangspunt geldt dat met openbare toegankelijkheid van het betrokken deel van het parkeerterrein in beginsel het algemeen belang is gediend.

Gelet op de bij de verschillende tellingen door zowel de gemeente als door Telwerk B.V. geconstateerde parkeerdruk op dinsdag- en donderdagavond, heeft het college uit het door ZVH gedane alternatieve voorstel, inhoudende onttrekking aan de openbaarheid van 57 parkeerplaatsen in plaats van 68, niet de conclusie hoeven trekken dat dit de parkeerdruk dusdanig verlaagt dat aan het algemeen belang bij openbare toegankelijkheid van deze parkeerplaatsen minder gewicht toekomt.

2.9. De rechtbank heeft voorts met juistheid geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college doorslaggevende betekenis had moeten toekennen aan het financiële belang van ZVH, die een aantal van de 68 parkeerplaatsen heeft verkocht dan wel verhuurd en schadeclaims vreest van kopers en huurders, indien deze de door hen gekochte of gehuurde parkeerplaats niet langer exclusief kunnen gebruiken. Daarbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat ZVH zichzelf in deze positie heeft gebracht. Dat ZVH zonder de afloop van de procedure inzake het verzoek om onttrekking van het parkeerterrein aan de openbaarheid af te wachten, is overgegaan tot verkoop en verhuur van de parkeerplaatsen, dient voor haar risico te komen en maakt niet dat haar belang als zwaarwegend particulier belang moet worden aangemerkt dat onttrekking aan de openbaarheid van het parkeerterrein rechtvaardigt. Niet valt in te zien dat ZVH uit de vage bewoordingen in de akte van levering heeft kunnen afleiden dat het betrokken gedeelte van het parkeerterrein zonder meer aan de openbaarheid kon worden onttrokken dan wel daaraan het in rechte te honoreren vertrouwen heeft mogen ontlenen dat de gemeente Zaanstad, indien nodig, zou meewerken aan het onttrekken van de grond aan de openbaarheid.

2.10. De rechtbank heeft derhalve op goede gronden overwogen dat het college zich bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het algemeen belang bij openbare toegankelijkheid van het door een slagboom afgesloten deel van het parkeerterrein zwaarder weegt dan het belang van ZVH bij afsluiting daarvan.

2.11. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. K.J.M. Mortelmans, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van Staat.

w.g. Mouton w.g. Neuwahl

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2010

280-597.