Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL1824

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-02-2010
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
200903049/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2009:BI0530, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 augustus 2007 heeft de minister van Justitie (hierna: de minister) een verzoek van [wederpartij] om haar het Nederlanderschap te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Nationaliteitsrecht 2010/606
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903049/1/V6.

Datum uitspraak: 3 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 26 maart 2009 in zaak

nr. 08/2021 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats],

en

de minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 augustus 2007 heeft de minister van Justitie (hierna: de minister) een verzoek van [wederpartij] om haar het Nederlanderschap te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 13 maart 2008 heeft de minister het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 26 maart 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 april 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 10 juni 2009.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 december 2009, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te 's-Gravenhage, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. H.F.J.L. van Pelt, advocaat te Arnhem, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, komt voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 slechts in aanmerking de verzoeker die tenminste sedert vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek in Nederland toelating en hoofdverblijf heeft.

Ingevolge het tweede lid geldt dat vereiste niet met betrekking tot de verzoeker die sedert tenminste drie jaren de echtgenoot is van en samenwoont met een Nederlander.

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 (hierna: de Handleiding), voor zover thans van belang, dient artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN zo te worden gelezen dat als vereiste geldt dat de verzoeker vijf jaar onafgebroken in het Koninkrijk is toegelaten. Dit houdt in dat er in de vereiste periode geen zogeheten ‘verblijfsgaten’ mogen voorkomen. Een verblijfsgat leidt tot een onderbreking van de genoemde termijn. Na de onderbreking begint de termijn opnieuw te lopen.

Volgens de Handleiding geldt, indien de verzoeker in de afgelopen drie jaar onafgebroken is gehuwd met een Nederlander én beide partners tijdens deze periode drie jaar onafgebroken samenwonen, géén termijn van toelating en hoofdverblijf. Het huwelijk en de samenwoning mogen gedurende deze periode van drie jaar niet onderbroken zijn geweest, aangezien een onderbreking afbreuk doet aan de bij een huwelijk met een Nederlander veronderstelde versnelde inburgering, aldus de Handleiding.

Uit jurisprudentie van de Afdeling vloeit voort dat de minister onderbrekingen die niet substantieel zijn buiten beschouwing kan laten.

2.2. Aan het besluit van 13 maart 2008 heeft de minister ten grondslag gelegd dat [wederpartij] niet aan de eis van toelating en hoofdverblijf voldoet. Volgens de minister is [wederpartij] weliswaar sinds 18 december 2001 gehuwd met een Nederlander, maar heeft zij direct voorafgaand aan het verzoek van 21 februari 2007 niet gedurende drie jaar onafgebroken met deze Nederlander samengewoond. [wederpartij] bevond zich immers in de periode van 30 april 2006 tot 12 november 2006 niet in Nederland. Een onderbreking van de samenwoning van meer dan zes maanden is substantieel, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2005 in zaak nr. 200409017/1, waarin een termijn van ongeveer drie maanden aan de orde was, aldus de minister.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat, samengevat weergegeven, de minister zich niet zonder nadere motivering op het standpunt heeft mogen stellen dat de onderbreking van de samenwoning in het geval van [wederpartij] substantieel is. In dit verband heeft de rechtbank overwogen dat de minister geen beleid voert over de vraag wat onder het begrip substantiële onderbreking moet worden verstaan. Nu de onderbreking van de samenwoning noodzakelijk was omdat [wederpartij] in verband met het indienen van een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) Nederland moest verlaten, zij niet langer dan noodzakelijk buiten Nederland heeft verbleven en gedurende de gehele periode op hetzelfde adres in de Gemeentelijke Basisadministratie (hierna: GBA) stond ingeschreven en bovendien door de minister onbestreden is dat zij is ingeburgerd, zodat wordt voldaan aan de ratio van artikel 8, tweede lid, van de RWN, kan het besluit van 13 maart 2008 niet in stand blijven, aldus de rechtbank.

2.4. De minister klaagt dat, samengevat weergegeven, de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij in het besluit van 13 maart 2008 onvoldoende heeft gemotiveerd dat zich een substantiële onderbreking van de samenwoning heeft voorgedaan. Volgens de minister heeft de rechtbank niet onderkend dat, nu uit de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2005 valt af te leiden dat reeds omdat een onderbreking van de samenwoning gedurende ongeveer drie maanden als substantieel is aan te merken, hij niet nader hoefde te motiveren waarom de onderbreking van de termijn in dit geval eveneens substantieel is.

2.5. De klacht slaagt. De rechtbank heeft niet onderkend dat de minister zich op de in 2.2. weergegeven gronden terecht op het standpunt heeft gesteld dat, omdat een termijn van drie maanden een substantiële onderbreking van de samenwoning is, dit ook heeft te gelden in deze zaak, waarin een onderbreking van de samenwoning van meer dan zes maanden aan de orde is. De rechtbank heeft niet onderkend dat de reden dat [wederpartij] Nederland tijdelijk heeft verlaten in dit verband niet van betekenis is. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van de Afdeling van 21 september 2005, in zaak nr. 200501048/1) doet de reden van de onderbreking niet af aan het feit dat de samenwoning onderbroken is geweest. Dat [wederpartij] bleef ingeschreven in de GBA en dat zij, volgens de rechtbank onbestreden, is ingeburgerd, maakt vorenstaande evenmin anders, aangezien ook dit niet betekent dat de samenwoning niet feitelijk onderbroken is geweest in vorenbedoelde zin.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 13 maart 2008 van de minister alsnog ongegrond verklaren.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 26 maart 2009 in zaak nr. 08/2021;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Groeneweg

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2010

32-572.