Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL1818

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-02-2010
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
200902090/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 februari 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) aan [appellante sub 1] een vergunning onder voorschriften ingevolge de Ontgrondingenwet verlengd tot 31 december 2010 voor het ontgronden van de percelen kadastraal bekend [gemeente], sectie […], nummers [9 nummers], en de gevraagde verlenging voor de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2015 geweigerd. Dit besluit is op 20 februari 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Ontgrondingenwet
Ontgrondingenwet 3
Ontgrondingenwet 5
Ontgrondingenwet 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2010/48 met annotatie van De Vries
JOM 2010/251
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200902090/1/M2.

Datum uitspraak: 3 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats],

2. [appellante sub 2], wonend te [woonplaats],

3. het college van burgemeester en wethouders van Helmond,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 februari 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) aan [appellante sub 1] een vergunning onder voorschriften ingevolge de Ontgrondingenwet verlengd tot 31 december 2010 voor het ontgronden van de percelen kadastraal bekend [gemeente], sectie […], nummers [9 nummers], en de gevraagde verlenging voor de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2015 geweigerd. Dit besluit is op 20 februari 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 maart 2009, [appellante sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 maart 2009, en het college van burgemeester en wethouders van Helmond (hierna: het college van Helmond) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 april 2009, beroep ingesteld. [appellante sub 2] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 27 april 2009.

Nadere stukken zijn ontvangen van het college, [appellante sub 2] en [appellante sub 1] Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 december 2009, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door mr. E.C.M. Wagemakers, advocaat te Breda, [appellante sub 2], vertegenwoordigd door mr. drs. F.K. van den Akker, advocaat te Eindhoven, het college van Helmond, vertegenwoordigd door mr. F.A.M. Coppes en ing. J.W. Verspaget, werkzaam bij de gemeente, en het college, vertegenwoordigd door mr. ing. M.L.P.J. van Bommel, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De verleende verlenging van de vergunning ziet op het ontgronden van een terrein in de gemeente Helmond bekend als fase II van het zandwin- en recreatieproject Berkendonk. Het terrein ligt direct ten noorden van het gebied van fase I, waar reeds een ontgronding is uitgevoerd.

2.2. [appellante sub 1] voert aan dat het college de door haar aangevraagde verlenging van de vergunning voor de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2015 ten onrechte heeft geweigerd. Volgens [appellante sub 1] is er een resterende zandvoorraad van 600.000 vaste m3 aangetoond. De laatste jaren is niet meer dan 125.000 vaste m3 aan ophoogzand vermarkt en het depot kan maar 250.000 vaste m3 bevatten. [appellante sub 1] meent dat het project derhalve niet al op 1 januari 2011 kan worden afgerond.

[appellante sub 1] stelt voorts dat de gemeente Helmond zich heeft gecommitteerd aan een volledig uitvoering van het ontgrondingenproject; het zou ongewenst zijn dat de eertijds met de gemeente overeengekomen fase II van de ontgronding abrupt en qua inrichting in half voltooide staat beëindigd zou moeten worden. Het college gaat er hierbij, naar de mening van [appellante sub 1] ten onrechte van uit dat de recreatieve druk ter plaatse steeds groter wordt zodat al in 2011 met de ontwikkeling van het gebied begonnen moet worden.

[appellante sub 1] voert verder aan dat het college er ten onrechte van uit gaat dat het verhuurcontract van het depot door de gemeente op 1 januari 2011 wordt beëindigd. Volgens [appellante sub 1] volgt uit het huurcontract met de gemeente dat het depot kan worden gebruikt tot het einde van de ontgronding. In het bestreden besluit had tenminste een verlengingsmogelijkheid van de vergunning moeten worden opgenomen.

2.2.1. Het college verklaart het met de gemeente Helmond eens te zijn dat het van belang is om in het kader van het zogenoemde project centrumgebied Groene Peelvallei op korte termijn met de recreatieve ontwikkeling van het omliggende gebied te beginnen. Dit was ook al het uitgangspunt bij de verlening van de vergunning uit 1998. De recreatieve druk op de plas neemt alleen al toe omdat de plas zo groot is geworden dat de plas interessanter wordt voor zeilers. Een verlenging tot 2015 is volgens het college planologisch ongewenst.

[appellante sub 1] heeft te kennen gegeven in staat te zijn om 375.000 m3 ophoogzand per jaar te winnen. Volgens het college is het derhalve mogelijk het project binnen twee jaar af te ronden. Het feit dat de afzet van het gewonnen zand is teruggelopen kan bij de beoordeling van het bestreden besluit geen rol spelen. Het is aan [appellante sub 1] zelf om er voor te zorgen dat de gewonnen hoeveelheid direct vermarkt dan wel elders opgeslagen wordt.

Het college stelt dat privaatrechtelijke overeenkomsten tussen [appellante sub 1] en de gemeente Helmond bij de beoordeling van het bestreden besluit geen rol konden spelen. Ten aanzien van het moment waarop het huurcontract voor het depot afloopt is het college uitgegaan van de daaromtrent door de gemeente Helmond verstrekte gegevens.

2.2.2. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat er in de ontgrondingenvergunning van 1998 van uit werd gegaan dat fase II van het zandwin- en recreatieproject Berkendonk op 1 januari 2009 zou zijn afgerond. In die vergunning was een mogelijkheid opgenomen om deze periode te verlengen indien de ontgronding niet binnen de gestelde termijn afgerond zou kunnen worden. Gelet op de door [appellante sub 1] in de aanvraag genoemde resterende voorraad van 530.000 m3 en de winningscapaciteit van 375.000 m3 ophoogzand per jaar, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een verlenging tot 1 januari 2011 voldoende is om het project te voltooien.

De stelling van [appellante sub 1] dat zij een dergelijke hoeveelheid ophoogzand in die periode niet kan verkopen of opslaan kan hier niet aan af doen. In dat verband is ter zitting gebleken dat [appellante sub 1] gesprekken met de gemeente Helmond voert over de mogelijkheid van een extra zanddepot. Wat daarvan ook zijn moge, het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat privaatrechtelijke overeenkomsten tussen [appellante sub 1] en de gemeente Helmond bij de beoordeling van het bestreden besluit geen rol kunnen spelen.

De stelling van [appellante sub 1] dat het college er ten onrechte van uit gaat dat de recreatieve druk ter plaatse steeds groter wordt, wat daarvan zijn moge, heeft niet tot gevolg dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat aan de uitvoering van het zogenoemde project centrumgebied Groene Peelvallei meer gewicht moet worden toegekend dan aan het bedrijfsbelang van [appellante sub 1] Deze beroepsgrond faalt.

2.3. Het college van Helmond voert aan dat vergunningvoorschrift 13, waarin voor de periode van 1 maart tot 1 september een verbod op de natte winning is opgenomen, moet worden aangepast. De gemeente wil dat het verbod tot 1 oktober wordt uitgebreid zodat de Berkendonk plas langer als vaarwater door de zeil- en surfvereniging kan worden gebruikt.

[appellante sub 1] heeft er bezwaar tegen dat het in de oude vergunning genoemde tijdstip van 1 april gewijzigd is in 1 maart. Hierdoor kan er in maart geen natte zandwinning meer plaatsvinden. Volgens [appellante sub 1] blijkt uit meetgegevens dat de door het college gestelde verslechtering van de zwemwaterkwaliteit niet aan de zandwinning kan worden toegeschreven.

2.3.1. Het college stelt dat in de vergunningvoorschriften al aan de wens van het college van Helmond tegemoet wordt gekomen. In dit voorschrift wordt bepaald dat pas vanaf 1 oktober met de natte zandwinning begonnen mag worden.

Ten aanzien van de zwemwaterkwaliteit stelt het college dat uit onderzoek van waterschap Aa en Maas blijkt dat er een relatie tussen de ontgronding en de zwemwaterkwaliteit bestaat. Om in april aan de normen te kunnen voldoen is een op 1 maart beginnende bezinkingsperiode noodzakelijk.

2.3.2. In vergunningvoorschrift 13 wordt bepaald dat in de periode van 1 maart tot 1 september slechts ontgrondingswerkzaamheden mogen worden uitgevoerd tot ten hoogste de ter plaatse geldende grondwaterstanden. In voorschrift 14 wordt bepaald dat met de natte zandwinning vanaf 1 oktober begonnen mag worden.

Hieruit volgt, zoals het college terecht heeft geconstateerd, dat de natte zandwinning uitsluitend in de periode tussen 1 oktober tot 1 maart mag plaatsvinden. De beroepsgrond ingediend door het college van Helmond faalt in zoverre.

Ten aanzien van de zwemwaterkwaliteit overweegt de Afdeling dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat uit onderzoek van waterschap Aa en Maas blijkt dat er een zodanige relatie tussen de ontgronding en de zwemwaterkwaliteit bestaat dat de natte zandwinning daarom op 1 maart gestaakt moet worden. Ook deze beroepsgrond van het college van Helmond faalt.

2.4. Voor zover [appellante sub 2] in zijn beroep verwijst naar de door hem ingediende zienswijzen overweegt de Afdeling dat het college daarop in de considerans van het bestreden besluit uitvoerig is ingegaan. [appellante sub 2] heeft in het beroepschrift geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging door het college van de desbetreffende zienswijzen onjuist zou zijn. De Afdeling is ook overigens niet gebleken dat de weerlegging van de zienswijzen niet juist zou zijn. Het beroep van [appellante sub 2] voor zover dit zich beperkt tot een verwijzing naar de ingebrachte zienswijzen faalt.

2.5. [appellante sub 2] voert aan dat [appellante sub 1] in haar ondernemingsplan bewust heeft ingezet op de afzet van hoogwaardige zandproducten en daarmee ook bewust heeft gekozen voor een verlaging van de afzet. Nu [appellante sub 1] door eigen toedoen en welbewust de ontgronding heeft vertraagd had, naar de mening van [appellante sub 2], het college het verzoek om verlenging van de vergunning moeten afwijzen.

2.5.1. Het college stelt dat de ontgrondingsvergunning ziet op de winning van grondstoffen. Dat [appellante sub 1] het gewonnen materiaal na winning opwerkt tot een hoogwaardiger zandproduct is geen toetsingscriterium in de zin van de Ontgrondingenwet.

2.5.2. De Afdeling is van oordeel dat het college zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de vraag wat [appellante sub 1] met de gewonnen grondstoffen doet, geen rol kan spelen bij de toetsing van het verzoek om verlenging van de ontgrondingsvergunning. Deze beroepsgrond faalt.

2.6. De beroepen zijn ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. K.J.M. Mortelmans, leden, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Klap

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2010

315.