Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL1817

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-02-2010
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
200901302/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 december 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een vergunning onder voorschriften verleend ingevolge de Ontgrondingenwet voor de periode tot 1 april 2010 voor het ontgronden van 22 ha waterbodem, zijnde de percelen kadastraal bekend [gemeente], sectie […], nummers [5 nummers], plaatselijk bekend als de [locatie]. Dit besluit is op 5 januari 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Ontgrondingenwet
Ontgrondingenwet 10a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/252
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200901302/1/M2.

Datum uitspraak: 3 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Dorpsraad Linden, gevestigd te Linden, gemeente Cuijk,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een vergunning onder voorschriften verleend ingevolge de Ontgrondingenwet voor de periode tot 1 april 2010 voor het ontgronden van 22 ha waterbodem, zijnde de percelen kadastraal bekend [gemeente], sectie […], nummers [5 nummers], plaatselijk bekend als de [locatie]. Dit besluit is op 5 januari 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft de stichting Stichting Dorpsraad Linden (hierna: de Dorpsraad) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 februari 2009, beroep ingesteld.

Nadere stukken zijn ontvangen van [vergunninghoudster] en de Dorpsraad. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 december 2009, waar de Dorpsraad, vertegenwoordigd door W.A. de Haan en H.J.C. Nuijnen en het college, vertegenwoordigd door mr. ing. M.L.P.J. van Bommel, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Tevens is [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door mr. E.C.M. Wagemakers, advocaat te Breda, en R.J.M. Meijnen, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. De vergunning onder voorschriften ziet op het gedeeltelijk verdiepen van de bestaande plas 5, teneinde op een andere plaats in plas 5 een onderwaterdam aan te leggen waarbinnen microzand zal worden gestort om in de toekomst de realisering van een plasdras-ecosysteem mogelijk te maken.

2.2. Het college heeft betoogd dat de Dorpsraad niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan worden aangemerkt.

2.2.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Awb worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.2.2. Artikel 3, eerste lid, van de statuten van de Dorpsraad vermeldt als doel: "het leef- en woonklimaat in het dorp Linden middels organisatie met alle ten dienste staande middelen te bevorderen en in stand te houden".

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat er enkele woningen binnen het werkgebied van de Dorpsraad in de directe omgeving van de ontgronding zijn gelegen. Tevens blijkt, onder meer, uit de notitie Wijk- en dorpsraden gemeente Cuijk 2005 dat de dorpsraden als structurele gesprekspartners van de overheid voor plaatselijke aangelegenheden als de onderhavige optreden.

Gelet op de statutaire doelstelling en de feitelijke werkzaamheden kan de Dorpsraad als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, in samenhang met het eerste lid, van de Awb worden aangemerkt. Het beroep is derhalve ontvankelijk.

2.3. De Dorpsraad voert aan dat ten onrechte geen milieueffectrapportage is gemaakt.

2.3.1. Het college stelt dat voor de onderhavige ontgronding geen milieueffectrapportage behoeft te worden gemaakt.

2.3.2. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen, die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Daarbij worden een of meer besluiten van bestuursorganen ter zake van die activiteiten aangewezen, bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden opgesteld.

In bijlage C, onderdeel 16.1 tot en met 16.4 van het Besluit milieueffectrapportage 1994 zijn de activiteiten en gevolgen aangegeven die m.e.r.-plichtig zijn bij het besluit tot aanwijzing van een winplaats of een aantal winplaatsen, dan wel, bij het ontbreken daarvan, het besluit bedoeld in artikel 3 van de Ontgrondingenwet.

In categorie 16.1 van onderdeel C van de bijlage, behorende bij het Besluit milieueffectrapportage 1994, wordt als m.e.r.-plichtige activiteit, bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, aangewezen: de winning dan wel wijziging of uitbreiding, van de winning van oppervlaktedelfstoffen in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een winplaats van 100 hectare of meer.

2.3.3. Uit de stukken blijkt dat de onderhavige ontgronding van Plas 5 betrekking heeft op een oppervlakte van circa 22 hectare. De activiteit heeft derhalve geen betrekking op een winplaats van 100 hectare of meer zoals bedoeld in categorie 16.1 van onderdeel C van de bijlage, behorende bij het Besluit milieueffectrapportage 1994. Het college heeft zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat voor het bestreden besluit geen milieueffectrapport behoeft te worden opgesteld. Deze beroepsgrond faalt.

2.4. De beroepsgronden met betrekking tot het ontbreken van een Wet milieubeheer vergunning, een vergunning op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en de beweerde strijd van het project met de Flora- en Faunawet komen in beginsel pas aan de orde in de procedures op grond van deze wetten. Daarnaast blijft in het kader van vergunningverlening krachtens de Ontgrondingenwet ruimte voor een aanvullende toets. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat zich niet zodanige omstandigheden voordoen, dat dit zou moeten leiden tot het weigeren van de vergunning of tot het stellen van nadere voorschriften. Deze beroepsgronden falen.

2.5. De Dorpsraad stelt dat de vergunning ten onrechte is verleend en voert aan dat er coördinatie had moeten plaatsvinden tussen alle op de ontgraving betrekking hebbende wettelijke vergunningen en beschikkingen. De onderhavige vergunning dient volgens de Dorpsraad te worden ingetrokken tot duidelijk is of de andere vergunningen verleend kunnen worden.

2.5.1. Het college stelt dat er naast de ontgrondingenvergunning een door de gemeente te verlenen aanlegvergunning nodig is. Daargelaten dat de Dorpsraad geen verzoek tot coördinatie heeft ingediend, is het college van mening dat er geen aanleiding tot coördinatie tussen deze vergunningen bestaat. Daarnaast stelt het college dat de verlening van de onderhavige vergunning los staat van eventuele andere vergunningen.

2.5.2. Op grond van artikel 10a van de Ontgrondingenwet bevordert het college een gecoördineerde voorbereiding van de voor de ontgronding benodigde besluiten wanneer de aanvrager daarom verzoekt. Vast staat dat [vergunninghoudster] daar niet om heeft verzocht en dat er in de onderhavige situatie derhalve geen verplichting tot coördinatie bestaat. Evenmin bestaat er rechtens enige aanleiding om de ontgrondingenvergunning in te trekken indien niet alle andere noodzakelijke vergunningen zijn verleend. Deze beroepsgrond faalt.

2.6. De Dorpsraad voert aan dat de verstrekte aanlegvergunning dient te worden ingetrokken.

De Afdeling stelt vast dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat een eventuele intrekking van de aanlegvergunning tot de bevoegdheid van de gemeente Cuijk behoort en daarom in deze procedure over de vergunning op grond van de Ontgrondingenwet geen rol kan spelen. Deze beroepsgrond faalt.

2.7. Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. K.J.M. Mortelmans, leden, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Klap

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2010

315.