Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL1816

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-02-2010
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
200904923/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 maart 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Edam-Volendam (hierna: het college) aan de Stichting Woningbeheer "De Vooruitgang" (hierna: de Stichting) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een appartementencomplex met 17 appartementen met trappenhuis, bergingen en fietsenstalling, op het perceel kadastraal bekend gemeente Edam, sectie D, nummer 9239 en 9240, plaatselijk bekend Siriusplein te Volendam (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 2:1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/262
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904923/1/H1.

Datum uitspraak: 3 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 10 juni 2009 in zaak nr. 08/5644 in het geding tussen:

[appellanten],

en

het college van burgemeester en wethouders van Edam-Volendam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Edam-Volendam (hierna: het college) aan de Stichting Woningbeheer "De Vooruitgang" (hierna: de Stichting) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een appartementencomplex met 17 appartementen met trappenhuis, bergingen en fietsenstalling, op het perceel kadastraal bekend gemeente Edam, sectie D, nummer 9239 en 9240, plaatselijk bekend Siriusplein te Volendam (hierna: het perceel).

Bij besluit van 11 juli 2008 heeft het college het door [appellanten] en anderen daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, voor zover het bezwaar mede namens anderen is ingediend en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 juni 2009, verzonden op 15 juni 2009, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] en 46 anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 juli 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brieven van 27 juli 2009 en 29 september 2009.

Het college heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de Stichting een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 januari 2010, waar [appellanten], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door A. Vink en C.J. Spolders, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de Stichting, vertegenwoordigd door mr. A.C. van Galen, advocaat te Best, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. [appellanten] hebben mede namens 46 anderen hoger beroep ingesteld.

De 46 anderen, namens wie hoger beroep is ingesteld, hebben geen beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar, waarin onder meer het gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard. Het hoger beroep is dan ook, gelet op het bepaalde in artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), voor zover ingesteld door 46 anderen,

niet-ontvankelijk.

2.2. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het college het bezwaar, voor zover door hen ingediend mede namens anderen, terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.2.1. Uit het bezwaarschrift blijkt dat uitsluitend [appellanten] het bezwaarschrift hebben ondertekend en daarbij hebben vermeld dat [appellant] namens "de huurders" optrad, en [appellanten] namens "de eigen huizen bezitters". Niet gebleken is echter dat bij het indienen van het bezwaarschrift machtigingen van anderen zijn overgelegd. [appellanten] kunnen dan ook niet worden geacht mede namens 46 anderen bezwaar te hebben gemaakt tegen de vrijstelling en de bouwvergunning voor het appartementencomplex.

De 46 door [appellanten] in hoger beroep overgelegde volmachten van buurtbewoners waarin wordt vermeld dat deze hebben besloten om in hoger beroep te gaan en zij daarbij [appellanten] hebben gemachtigd om "voor hen de zaak te verdedigen", leiden niet tot een ander oordeel, nu deze niet in bezwaar zijn overgelegd. Het college heeft het bezwaar dan ook, voor zover dit mede namens anderen zou zijn ingediend, terecht niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.

2.3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Volendam III" (hierna: het bestemmingsplan) rusten op het perceel de bestemmingen "Bijzondere doeleinden met bijbehorende terreinen" en "Openbaar groen".

Ingevolge artikel 12, aanhef, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de op de kaart voor "Bijzondere doeleinden met bijbehorende terreinen" aangewezen gronden bestemd voor openbare en bijzondere gebouwen zoals kerken, scholen, verenigingsgebouwen, gebouwen voor overheids- en semi-overheidsinstellingen, alsmede voor de daarbij behorende bijgebouwen, andere bouwwerken, verharde en onverharde terreinen.

Ingevolge artikel 17, lid A, onder 1, zijn de op de kaart voor "Openbaar groen" aangewezen gronden bestemd voor plantsoenen, bermen, kinderspeelplaatsen en wandelpaden, met dien verstande dat op deze gronden geen gebouwen mogen worden gebouwd.

2.4. Het bouwplan is wat betreft functie en goothoogte in strijd met het bestemmingsplan. Het college heeft daarom met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), zoals deze gold ten tijde van belang, vrijstelling van het bestemmingsplan verleend teneinde het bouwplan mogelijk te maken. Daarnaast heeft het college van het bepaalde in het eerste lid van artikel 2.5.30 van de Bouwverordening, ontheffing als bedoeld in het vierde lid verleend.

2.5. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat nu in de WRO voor het bestemmingsplan een geldingsduur van tien jaar is vastgelegd en dit bestemmingsplan ruimschoots ouder is, dit plan niet meer kan dienen als grondslag voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Het bouwplan had dan ook niet met toepassing van dit plan vergund kunnen worden.

2.5.1. De Afdeling begrijpt dit betoog aldus dat [appellanten] menen dat nu niet is voldaan aan artikel 33, eerste lid, van de WRO, waarin is bepaald dat het bestemmingsplan tenminste eenmaal in de tien jaren moet worden herzien, deze omstandigheid aan vergunningverlening voor het onderhavige bouwplan in de weg staat.

Dit betoog slaagt niet, reeds omdat voor de verlening van de bouwvergunning voor het bouwplan vrijstelling is verleend van het bestemmingsplan ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO. Door toepassing van genoemde vrijstelling is van het bestemmingsplan afgeweken. De vergunning is dus niet op basis van dit plan verleend.

Overigens is, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 juli 2006, in zaak nr. 200510037/1), de periode van tien jaar als bedoeld in artikel 33 van de WRO, in zoverre een termijn van orde, dat door het verstrijken van die termijn aan het bestemmingsplan niet de werking wordt ontnomen. Uit deze wettelijke bepaling, noch enige andere bepaling kan worden afgeleid dat het college na het verstrijken van deze termijn, bij het verlenen van bouwvergunningen niet meer aan een dergelijk plan zou mogen toetsen. Aan de omstandigheid dat in dit geval het bestemmingsplan ouder is dan tien jaar, kan dan ook niet de conclusie worden verbonden die [appellanten] daaraan verbonden willen zien.

Het betoog faalt.

2.6. [appellanten] betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan te kolossaal is voor de woonwijk waarin het is voorzien. Daarnaast stellen zij dat het bouwplan in onvoldoende parkeergelegenheid voorziet, waardoor de toch al hoge parkeerdruk in de buurt onaanvaardbaar zal toenemen. [appellanten] betogen verder dat de rechtbank, door te overwegen dat het college bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het verlenen van de vrijstelling heeft kunnen komen, heeft miskend dat de kwaliteit van hun woon- en leefomgeving ten gevolge van het bouwplan onaanvaardbaar zal verslechteren, onder meer door het verdwijnen van teveel groen, door geluid-en verkeershinder, alsmede door verlies aan privacy en uitzicht.

2.6.1. De ruimtelijke onderbouwing van het project is neergelegd in het rapport "Ruimtelijke onderbouwing Project 17 appartementen Siriusplein te Volendam", gedateerd juni 2007 (hierna: het rapport). Daarin wordt vermeld dat het bouwplan, dat is gelegen binnen het stedelijk gebied van Volendam, in lijn is met het provinciaal en gemeentelijk ruimtelijk beleid, in het bijzonder met het streven naar intensivering en verdichting van het grondgebruik binnen het stedelijk gebied. Voorts wordt in de ruimtelijke onderbouwing vermeld dat met het bouwplan wordt aangesloten op de reeds bestaande bebouwing in de omgeving, voor wat betreft massa, geleding en materialen. Volgens het rapport voegt het bouwplan zich daarmee geheel in de omgeving, versterkt het de stedenbouwkundige structuur ter plaatse, en voorziet het daarnaast in het versterken van de woonfunctie, daar waar een andersoortige functie ter plaatse overbodig is geworden.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat in hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd, geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college, de ruimtelijke onderbouwing in aanmerking genomen, zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan niet te kolossaal is voor de omgeving. Daarbij heeft het college, zoals de rechtbank eveneens terecht heeft overwogen, mede van belang kunnen achten dat het bestemmingsplan bebouwing van een grotere omvang toelaat, dan door het bouwplan wordt gerealiseerd.

2.6.2. Voor wat betreft de door [appellanten] naar voren gebrachte parkeerproblematiek als gevolg van het bouwplan, mede in relatie tot de door hen gestelde toch al hoge parkeerdruk in de buurt, staat voorop dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 juni 2007, in zaak nr. 200606965/1, www.raadvanstate.nl), bij de beantwoording van de vraag of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, alleen rekening behoort te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van de realisering van het bouwplan.

Het college is, bij het berekenen van het voor de appartementen benodigde aantal parkeerplaatsen, uitgegaan van de norm van 1 parkeerplaats per appartement, hetgeen is gebaseerd op de Aanbevelingen stedelijke verkeersvoorzieningen (ASVV 2004) van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de grond-, water- en wegenbouw en de verkeerstechniek (CROW). Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 september 2007 in zaak nr. 200700488/1) mag worden aangesloten bij de richtlijnen voor het aantal benodigde parkeerplaatsen zoals opgenomen in de ASVV 2004.

Het college heeft voldoende aannemelijk gemaakt in de benodigde parkeergelegenheid als gevolg van het bouwplan te voorzien, doordat in de directe omgeving daarvan 18 nieuwe parkeerplaatsen zullen worden aangelegd. Daarnaast stelt het college dat in de omgeving van het bouwplan de parkeergelegenheid in de buurt als geheel zal worden gereconstrueerd, waardoor er nog 5 nieuwe parkeerplaatsen in de nabijheid van het bouwplan zullen worden aangelegd. In totaal worden dus 23 nieuwe parkeerplaatsen aangelegd, waarmee aan de gehanteerde norm van 1 parkeerplaats per woning is voldaan.

De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat het college zich, gelet op het voorgaande, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in voldoende parkeergelegenheid ten behoeve van het bouwplan wordt voorzien. Anders dan [appellanten] stellen, is niet gebleken dat de wijze waarop het college stelt in de benodigde parkeerbehoefte te zullen voorzien, niet mogelijk zou zijn.

De betogen falen.

2.7. Hetgeen [appellanten] overigens in hoger beroep hebben aangevoerd, onder meer met betrekking tot verlies aan privacy en uitzicht, geluidsoverlast, verkeershinder en het verdwijnen van groen, is een herhaling van hetgeen zij hierover in beroep bij de rechtbank hebben aangevoerd. In de overwegingen van de aangevallen uitspraak is de rechtbank hierop ingegaan. [appellanten] hebben in hoger beroep geen redenen aangevoerd waarom de door de rechtbank gegeven weerlegging van de desbetreffende beroepsgronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling ziet in zoverre dan ook geen aanleiding voor vernietiging van de aangevallen uitspraak. Hetgeen verder ter zitting naar voren is gebracht, leidt niet tot een ander oordeel.

2.8. Het hoger beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van [appellanten] niet-ontvankelijk, voor zover ingesteld namens 46 anderen;

II. bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2010

357-640.