Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL1815

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-01-2010
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
200905904/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 juni 2009 heeft de raad van de gemeente Blaricum (hierna: de raad) het bestemmingsplan "Villagebieden" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905904/2/R3.

Datum uitspraak: 29 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1. de stichting Stichting Koningsbuurt, gevestigd te Blaricum,

2. [verzoeker sub 2] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

3. [verzoeker sub 3] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Blaricum,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 juni 2009 heeft de raad van de gemeente Blaricum (hierna: de raad) het bestemmingsplan "Villagebieden" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer de Stichting Koningsbuurt bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 september 2009, alsmede [verzoeker sub 2] en anderen (hierna tezamen in enkelvoud: [verzoeker sub 2]) en [verzoeker sub 3] en anderen (hierna tezamen in enkelvoud: [verzoeker sub 3]) bij brieven, bij de Raad van State ingekomen op 17 september 2009, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 september 2009, heeft de Stichting Koningsbuurt de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brieven, bij de Raad van State ingekomen op 17 september 2009, hebben [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 8 januari 2010, waar de Stichting Koningsbuurt, vertegenwoordigd door P.A. Kamman, werkzaam bij AOM Advies Op Maat, en [voorzitter] van de Stichting Koningsbuurt, [verzoeker sub 2], in persoon, [verzoeker sub 3], vertegenwoordigd door [gemachtigden], alsmede de raad, vertegenwoordigd door drs. K.I. de Graaf, werkzaam bij de BEL Combinatie, en I. Feiter, werkzaam bij RBOI, zijn verschenen.

Verder zijn NL Development B.V. en [naam], vertegenwoordigd door mr. E.M. van Bommel, advocaat te Amsterdam, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Het verzoek van de Stichting Koningsbuurt

2.2. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad. De Stichting Koningsbuurt heeft geen zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren gebracht bij de raad. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Deze omstandigheid doet zich naar het voorlopig oordeel van de voorzitter niet voor. Geen rechtvaardiging is gelegen in de door de Stichting Koningsbuurt gestelde omstandigheid dat zou zijn toegezegd dat terzake van de door haar bestreden plandelen geen bestemmingsplanprocedure zou worden gevolgd. Niet is gebleken is namelijk dat deze toezegging - wat daarvan verder ook zij - kan worden toegerekend aan de raad waarbij de bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust. Evenmin is een rechtvaardiging gelegen in de door de Stichting Koningsbuurt gestelde omstandigheid dat zij per abuis geen zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren heeft gebracht. Het ligt namelijk op de weg van de Stichting Koningsbuurt zichzelf op de hoogte te stellen van besluitvorming over ruimtelijke ontwikkelingen die voor haar van belang zijn. De zienswijze tegen het ontwerpplan van de Stichting Karakteristiek Blaricum is verder, anders dan de Stichting Koningsbuurt heeft gesteld, niet mede namens haar naar voren gebracht.

2.2.1. Gezien het voorgaande zal de Afdeling in de bodemprocedure het beroep van de Stichting Koningsbuurt vermoedelijk niet-ontvankelijk verklaren. De voorzitter ziet daarom aanleiding het verzoek van de Stichting Koningsbuurt af te wijzen.

De verzoeken van [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3]

2.3. De verzoeken van [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] richten zich tegen het bij het plan voorziene appartementengebouw aan de Naarderweg 15-19. Zij betogen dat het appartementengebouw niet past in de ruimtelijke structuur van Blaricum en het beleid dienaangaande. [verzoeker sub 2] betoogt verder dat ten onrechte alleen aan het belang van de projectontwikkelaar NL Development B.V. gewicht is toegekend.

2.3.1. De verbeelding van de plankaart, voor zover hier van belang, kent aan het perceel Naarderweg 15-19, dat een oppervlakte heeft van 4.873 m2, de bestemming "Wonen" en de aanduidingen "gestapeld", "maximum bebouwd oppervlak 650 m2" en "maximaal 8 wooneenheden". De verbeelding van de plankaart kent verder voor de noordzijde van het bouwvlak de aanduiding "maximale bouwhoogte 9 meter" en "maximale goothoogte 5 meter". Voor de zuidzijde van het bouwvlak kent de verbeelding van de plankaart de aanduiding "maximale bouwhoogte 7 meter" en "maximale goothoogte 3 meter" toe.

2.3.2. De voorzitter stelt voorop dat de raad beleidsvrijheid toekomt bij de vaststelling van een plan, waarbij ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening bestemmingen worden aangewezen en regels gegeven.

Op pagina 32 van de plantoelichting staan algemene uitgangspunten vermeld die bij de afweging worden betrokken om nieuwe appartementen toe te staan. Daarbij staat vermeld dat hiervan in specifieke gevallen kan worden afgeweken om initiatieven die leiden tot een ruimtelijke kwaliteitsverbetering van het plangebied toch mogelijk te maken.

2.3.3. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat in dit geval wordt voldaan aan de voorwaarde dat het nieuwe hoofdgebouw voor wat betreft massa, hoogten en vormgeving dient aan te sluiten op de karakteristieken van het gebied. De raad heeft er in dit verband op gewezen dat de maximale bouwhoogte van 9 meter voor de noordzijde van het bouwvlak aansluit bij de maximale bouwhoogte van de meeste woningen in het plangebied. De maximale goothoogte van 5 meter voor de noordzijde van het bouwvlak is 1 meter hoger dan de maximale goothoogte van de meeste woningen, maar sluit volgens de raad aan bij maximale goothoogte zoals deze was toegestaan op grond van het voorheen geldende plan Dorp I. De maximale bouw- en goothoogte voor de zuidzijde van het bouwvlak brengen volgens de raad mee dat aan de zuidzijde slechts één bouwlaag met kap kan worden gerealiseerd. De invloed van het appartementengebouw op de omliggende tuinen en woningen zal hierdoor volgens de raad beperkt zijn. Hetgeen [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] hebben aangevoerd, geeft geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid voormeld standpunt heeft kunnen innemen. De voorzitter neemt daarbij in aanmerking dat, anders dan [verzoeker sub 3] kennelijk veronderstelt, aan het voorheen gevoerde bestemmingsplanbeleid geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De voorzitter neemt tevens in aanmerking dat [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] niet aannemelijk hebben gemaakt dat vanwege het voorziene appartementengebouw een vermindering van privacy en bezonning zal optreden.

2.3.4. De raad heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het aanvaardbaar is dat in dit geval niet wordt voldaan aan de voorwaarde dat de omvang van het perceel minimaal 5.500 m2 moet bedragen. De raad heeft er in dit verband op gewezen dat in Blaricum een grote behoefte bestaat aan seniorenappartementen. Ter zitting heeft de raad verduidelijkt dat 41% van de bevolking in Blaricum ouder dan 55 jaar is, terwijl het aandeel van deze groep in de bevolking normaliter 28% bedraagt. De raad heeft er verder op gewezen dat handhaving van de huidige bedrijfsbestemming voor het perceel Naarderweg 15-19 ongunstig voor het woon- en leefklimaat van omwonenden kan zijn. Hetgeen [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] hebben aangevoerd, geeft evenmin een aanknopingspunt voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen afwijken van voormelde voorwaarde. De voorzitter neemt daarbij in aanmerking dat niet is gebleken dat de raad bij zijn afweging uitsluitend gewicht heeft toegekend aan het belang van NL Development B.V.

2.3.5. In hetgeen [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] voor het overige hebben aangevoerd, ziet de voorzitter evenmin een aanknopingspunt voor schorsing van het bestreden plandeel.

2.4. Gezien het vorenstaande ziet de voorzitter aanleiding de verzoeken van [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] af te wijzen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. B.S. Jansen, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Jansen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2010

399.