Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL1799

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-02-2010
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
200903483/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (hierna: het college) [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het perceel plaatselijk bekend [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Haarlemmermeer, sectie […], nummer […] (hierna: het perceel), binnen zes maanden te beëindigen en beëindigd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903483/1/H1.

Datum uitspraak: 3 februari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 2 april 2009 in

zaak nr. 08/5129 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (hierna: het college) [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het perceel plaatselijk bekend [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Haarlemmermeer, sectie […], nummer […] (hierna: het perceel), binnen zes maanden te beëindigen en beëindigd te houden.

Bij besluit van 26 juni 2008 heeft het college, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 april 2009, verzonden op 3 april 2009, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 mei 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 januari 2010, waar [appellant], in persoon en vergezeld door L.A. Jacobs, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.E.H. van Thoor, advocaat te Haarlem, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het bestemmingsplan "De Liede" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Agrarische doeleinden II".

Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef, van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor agrarisch gebruik, de daartoe nodige agrarische bedrijfsgebouwen en bouwwerken, met uitzondering van woningen.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder e, sub 3, wordt tot een gebruik van de gronden en opstallen strijdig met de bestemming gerekend het opslaan van goederen, waarvan de aanwezigheid voor de agrarische bedrijfsvoering niet noodzakelijk is.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de voorschriften die deel uitmaken van de partiële herziening "Herziening gebruiks- en overgangsbepalingen" (hierna: het Herzieningsbesluit), waarbij de gebruiks- en overgangsbepalingen van het bestemmingsplan zijn herzien, is het verboden de binnen het plan gelegen gronden of de bouwwerken te gebruiken op een andere wijze of voor een ander doel dan blijkens het plan toelaatbaar is.

Ingevolge artikel 3 van de voorschriften van het Herzieningsbesluit, mogen - voor zover thans van belang - binnen het plan gelegen gronden en bouwwerken die bij het van kracht worden van deze voorschriften in gebruik zijn voor andere doeleinden dan waarvoor zij blijkens het plan mogen worden gebruikt, voor die doeleinden in gebruik blijven, tenzij dit gebruik op basis van een voorgaande planologische regeling reeds als illegaal kan worden aangemerkt.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de voorschriften van het Herzieningsbesluit, is het verboden het in artikel 3 bedoelde strijdige gebruik te wijzigen, indien hierdoor de bestaande afwijking naar zijn aard en/of omvang wordt vergroot.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte bij hem de bewijslast heeft neergelegd met betrekking tot de vraag of sprake is van een overtreding. Volgens [appellant] is het aan het college om dit aan te tonen. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zijn beroep op het overgangsrecht niet kan slagen. Hij is van mening met de door hem in het geding gebrachte stukken voldoende te hebben aangetoond dat het gewraakte gebruik van het perceel al ver voor de relevante peildatum aan de orde was, zodat dit gebruik mag worden voortgezet.

2.2.1. Het betoog dat het aan het college is om aannemelijk te maken dat sprake is van de overtreding waartegen wordt opgetreden, is op zichzelf juist. Echter, anders dan [appellant] meent, is niet gebleken dat de rechtbank op dit punt bewijslast aan zijn zijde heeft aangenomen. De rechtbank heeft overwogen dat de enkele omstandigheid dat [appellant] ter plaatse geen agrarisch bedrijf exploiteert, meebrengt dat de opslag van goederen noodzakelijk voor de agrarische bedrijfsvoering niet aan de orde is. [appellant] heeft niet gesteld dat dit onjuist is.

Gelet hierop is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat [appellant] het betrokken perceel gebruikt in strijd met de daarop rustende bestemming "Agrarische doeleinden II".

2.2.2. Met het bestemmingsplan strijdig gebruik mag echter worden voortgezet, indien dat gebruik door het in het plan opgenomen overgangsrecht wordt beschermd. Degene die zich beroept op de toepasselijkheid van het overgangsrecht, dient aannemelijk te maken dat dit van toepassing is.

De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat de stukken die door [appellant] in het geding zijn gebracht niet tot de conclusie kunnen leiden dat een beroep op het overgangsrecht gerechtvaardigd is. Geen van deze stukken toont immers aan dat het gebruik in de vorm van opslag van de onderhavige (of soortgelijke) goederen reeds plaatsvond op de van belang zijnde peildatum, te weten 24 april 1990. Daarbij is van belang dat de rechtbank met betrekking tot de door [appellant] in het geding gebrachte brief van het Kadaster van 23 juli 2008 terecht heeft overwogen dat deze niet ter zake kan doen, nu deze enkel de bebouwing op het perceel betreft en niets zegt over het gebruik dat van het perceel werd gemaakt op en vóór de peildatum. Dit laatste geldt eveneens voor de in het geding gebrachte schriftelijke verklaringen van bekenden van [appellant], die ook enkel zien op de bebouwing op het perceel. Uit het taxatierapport van Borghouts en Cramer van 17 februari 2004 blijkt weliswaar iets over het gebruik van het perceel op dat moment, maar niet over het gebruik op en vóór de peildatum. Ook uit de akte van levering van de grond aan [appellant], gedateerd op 28 februari 1992, blijkt ter zake niets relevants. [appellant] is er dan ook niet in geslaagd aannemelijk te maken dat het overgangsrecht van toepassing is. Het betoog faalt.

2.3. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat de situatie ter plaatse het college al zeer lange tijd bekend was en het daar desondanks nooit tegen is opgetreden. Voorts is [appellant] van mening dat de rechtbank heeft miskend dat bij het besluit om tot handhaving over te gaan onvoldoende rekening is gehouden met zijn belangen. Deze omstandigheden staan volgens [appellant] aan handhaving in de weg.

2.4.1. De rechtbank heeft terecht geen bijzondere omstandigheden aanwezig geacht op grond waarvan het college diende af te zien van handhavend optreden. De vraag of het college, zoals [appellant] stelt, al lange tijd op de hoogte was van de situatie ter plaatse, kan in het midden blijven, nu aan die enkele omstandigheid niet de conclusie kan worden verbonden dat niet meer kan worden opgetreden tegen met het bestemmingsplan strijdig gebruik van de grond.

Evenmin is het handhavend optreden in dit geval onevenredig in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. De rechtbank heeft op goede gronden overwogen dat het college zijn belang bij het handhaven van de voorschriften heeft mogen laten prevaleren boven het belang van [appellant] bij het niet handhaven daarvan. De rechtbank heeft daarbij terecht in aanmerking genomen dat de raad van de gemeente Haarlemmermeer bij besluit van 22 maart 2007 het "Masterplan De Liede" heeft vastgesteld, waarmee onder meer wordt beoogd het groene karakter van het weidegebied waarvan het perceel van [appellant] deel uitmaakt, te versterken en de verrommeling van dit gebied tegen te gaan.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2010

357-640.