Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL1796

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
200909760/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 november 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Berkelland (hierna: het college) aan [verzoekster] lasten onder dwangsom opgelegd ten aanzien van haar inrichting, een ijzergieterij, aan de [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/253
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909760/1/M2.

Datum uitspraak: 27 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van [verzoekster], gevestigd te [plaats], om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van Berkelland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 november 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Berkelland (hierna: het college) aan [verzoekster] lasten onder dwangsom opgelegd ten aanzien van haar inrichting, een ijzergieterij, aan de [locatie] te [plaats].

Tegen dit besluit heeft [verzoekster] bezwaar gemaakt.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 december 2009, heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 12 januari 2010, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door mr. drs. E.C. Alders, ing. M. Hillmann en H. Ebbers, en het college, vertegenwoordigd door L.J. Oude Lenferink en J.M. Grotestam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. In voorschrift 3 van de op 22 januari 2002 aan [verzoekster] verleende milieuvergunning, zoals deze luidt na de wijziging bij besluit van 27 augustus 2008 (hierna: de vergunning) is, voor zover hier van belang, bepaald dat uiterlijk vóór 1 september 2008 en vervolgens iedere vier jaar voor de gehele inrichting een hernieuwd strategisch bedrijfsmilieuplan aan het bevoegd gezag dient te worden overgelegd. Dit plan dient tot stand te komen conform de Leidraad voor het opstellen van bedrijfsmilieuplannen (VROM, augustus 1997) en te voldoen aan de Handreiking beoordeling BMP's heterogene bedrijfstakken (IPO, juni 1997).

2.3. In voorschrift 6 van de vergunning is bepaald dat jaarlijks uiterlijk vóór 1 september een milieuverslag van het voorafgaande jaar aan het bevoegd gezag dient te worden overgelegd. In het milieuverslag dienen minimaal te worden opgenomen:

- overzichten van emissies naar lucht, water en bodem, geluidbelasting, energie- en grondstoffenverbruik, afval en externe veiligheid;

- de resultaten van het milieujaarprogramma;

- een toetsing aan de doelstellingen zoals opgenomen in deze vergunning en in het bedrijfsmilieuplan.

In voorschrift 4.8 dat reeds vanaf 22 januari 2002 van de vergunning deel uitmaakte is, verkort weergegeven, bepaald dat in het milieujaarverslag minimaal dienen te worden opgenomen:

- onvoorziene voorvallen die (mogelijk) negatieve gevolgen voor het milieu hebben;

- een overzicht van de binnengekomen klachten (zowel intern als extern), de aard van de klachten en de afhandeling;

- milieuneutrale en/of positieve wijzigingen in de inrichting (machines, installaties, gebouwen e.d.);

- voortgang met betrekking tot de gestelde doelstellingen en getroffen maatregelen van het afgelopen kalenderjaar;

- nieuwe geformuleerde doelstellingen voor het komende jaar of jaren rekening houdend met het streven naar reductie en preventie van de hoeveelheid afval, het energieverbruik, de geluidbelasting, de emissie van schadelijke stoffen naar bodem, water en lucht en het risico van opslag en gebruik van gevaarlijke stoffen.

Daarnaast dienen procestechnische verbeteringen (procesoptimalisaties) wanneer redelijkerwijs haalbaar te worden toegepast en dienen ook eventuele nieuwe knelpunten te worden opgenomen.

2.4. Bij het besluit van 4 november 2009 heeft het college [verzoekster] gelast om vóór 1 februari 2010 een bedrijfsmilieuplan in te dienen dat voldoet aan voorschrift 3 en eveneens vóór deze datum een milieujaarverslag in te dienen dat voldoet aan de voorschriften 4.8 en 6, beide op verbeurte van een dwangsom per geconstateerde overtreding.

Bedrijfsmilieuplan

2.5. [verzoekster] voert aan dat het voor haar onvoldoende duidelijk was waaraan het opnieuw in te dienen bedrijfsmilieuplan dient te voldoen, zodat zij niet vóór 1 februari 2010 aan de hierop betrekking hebbende last onder dwangsom kan voldoen.

2.5.1. [verzoekster] heeft reeds een aantal malen een bedrijfsmilieuplan ingediend, dat volgens het college steeds niet aan de in voorschrift 3 gestelde eisen voldeed. Nadat [verzoekster] zich sinds enkele maanden door een deskundige heeft laten bijstaan, hebben partijen overeenstemming bereikt over de uitgangspunten die in het licht van voorschrift 3 bij het opstellen van het voorgeschreven bedrijfsmilieuplan moeten worden gehanteerd. Aannemelijk is dat [verzoekster] niet in staat is vóór 1 februari 2010 een bedrijfsmilieuplan in te dienen, dat hieraan voldoet. Volgens [verzoekster] lukt dat vóór uiterlijk 1 maart 2010 wel. Onder deze omstandigheden ziet de voorzitter, bij afweging van belangen, aanleiding de begunstigingstermijn, die in het besluit van 4 november 2009 voor het indienen van een bedrijfsmilieuplan is gesteld, bij wijze van voorlopige voorziening tot 1 maart 2010 te verlengen.

Milieujaarverslag

2.6. [verzoekster] betoogt dat de in het besluit van 4 november 2009 gegeven begunstigingstermijn voor de daarin opgelegde last met betrekking tot de indiening van een milieujaarverslag eveneens ontoereikend is. De voorschriften 4.8 en 6 bieden volgens [verzoekster] onvoldoende duidelijkheid omtrent de eisen waaraan het overeenkomstig deze last in te dienen milieujaarverslag dient te voldoen.

2.7. [verzoekster] heeft op 30 september 2009 een milieujaarverslag ingediend dat volgens het college niet voldoet aan de voorschriften 4.8 en 6. Het college heeft evenwel niet voldoende duidelijk gemaakt wat in het licht van deze voorschriften aan voormeld milieujaarverslag schort. Ter zitting heeft het college te kennen gegeven dat daarin onder andere niet is vermeld wat de doelstellingen van de inrichting zijn en wanneer deze worden gehaald. Het college heeft niet duidelijk gemaakt in hoeverre in het milieujaarverslag ingevolge de voorschriften 4.8 en 6 op die doelstellingen moet worden ingegaan, gegeven de omstandigheid dat partijen wat betreft het in te dienen bedrijfsmilieuplan zijn overeengekomen dat dit gericht zal zijn op de maatregelen die de inrichting in het belang van het milieu zal treffen en dat het milieujaarverslag daarom niet zozeer betrekking zal hebben op door de inrichting na te streven doelstellingen. Bij afweging van de betrokken belangen ziet de voorzitter gelet op het vorenstaande aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

Proceskosten

2.8. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Ten aanzien van het verzoek van [verzoekster] om het college te veroordelen in de kosten van de door ing. M. Hillmann verleende rechtsbijstand, overweegt de voorzitter het volgende. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor zover hier van belang, kan een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht uitsluitend betrekking hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Niet aannemelijk is geworden dat het verlenen van rechtsbijstand door ing. M. Hillmann een bestendig onderdeel uitmaakt van haar werkzaamheden, zodat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Ten aanzien van het verzoek van [verzoekster] om het college te veroordelen in de kosten die zouden zijn gemaakt ter verkrijging van uitreksels uit openbare registers overweegt de voorzitter dat de hiertoe opgegeven kosten niet zijn gespecificeerd en onderbouwd. Het verzoek om een proceskostenveroordeling wordt reeds daarom ook in zoverre afgewezen.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. treft de voorlopige voorziening dat de in het besluit van 4 november 2009 opgenomen termijn voor de indiening van een bedrijfsmilieuplan wordt verlengd tot 1 maart 2010;

II. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Berkelland van 4 november 2009, kenmerk JG/16299, in zoverre dit besluit betrekking heeft op de last die strekt tot indiening van een milieujaarverslag, tot zes weken na de bekendmaking van het besluit op het gemaakte bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist;

III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Berkelland aan [verzoekster] het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M. van Hulst, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van Hulst

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2010

402.