Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL1795

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
200910016/1/H1 en 200910016/2/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 augustus 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woongebouw op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200910016/1/H1 en 200910016/2/H1.

Datum uitspraak: 27 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

de vereniging van eigenaren Westerdock, [appellant A], [appellant B], [appellant C], [appellant D], de vereniging van eigenaren Westerhaven, [appellant E], [appellant F], [appellant G], [appellant H],

[appellant I], [appellant J], de vereniging van eigenaren Lissabonflat, [appellant K], [appellant L], [appellant M], [appellant N] en [appellant O], gevestigd, onderscheidenlijk wonend, te [plaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen van 19 november 2009 in zaken nrs. 09/888 en 09/889 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 augustus 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woongebouw op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 19 november 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door de vereniging van eigenaren Westerdock, [appellant A], [appellant B], [appellant C], [appellant D], de vereniging van eigenaren Westerhaven, [appellant E], [appellant F], [appellant G], [appellant H], [appellant I], [appellant J], de vereniging van eigenaren Lissabonflat, [appellant K], [appellant L], [appellant M], [appellant N] en [appellant O] (hierna: de vve Westerdock en anderen) ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de vve Westerdock en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 december 2009, hoger beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 december 2009, hebben de vve Westerdock en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 14 januari 2010, waar namens de vve Westerdock en anderen, [appellant A], bijgestaan door mr. A.A. Westers, advocaat te Groningen, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.H. Leeuw, H. Postma en H.R. Tiggelaar, allen ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting vergunninghoudster, vertegenwoordigd door ing. J. Krol en ing. G. Honderd, gemachtigden, als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Het bouwplan, dat ziet op het oprichten van een woongebouw met 8 zelfstandige studentenappartementen en 72 studentenkamers, is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Westerhaven e.o." (hierna: het bestemmingsplan) dat aan het perceel de bestemming "Stadscentrum" toekent.

Om voor de uitvoering daarvan niettemin bouwvergunning te kunnen verlenen, heeft het college krachtens artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), gelezen in verbinding met de artikelen 6.3, aanhef en onder c, en 6.5, aanhef en onder c, van de planvoorschriften, alsmede krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling van het bestemmingsplan verleend.

2.3. Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de WRO kan bij bestemmingsplan worden bepaald dat burgemeester en wethouders met inachtneming van de in dat plan vervatte regelen bevoegd zijn van de bij het plan aan te geven voorschriften vrijstelling te verlenen.

Ingevolge artikel 19, tweede lid, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 6.3, aanhef en onder c, van de planvoorschriften, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan ten behoeve van kamerverhuur indien geen onevenredige aantasting van het woonklimaat plaatsvindt.

Ingevolge artikel 6.5, aanhef en onder c, voor zover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan voor het verhogen van het maximaal aantal bouwlagen met 1 bouwlaag.

Ingevolge artikel 6.4, aanhef en onder c, in samenhang bezien met de plankaart, dient een bebouwingspercentage van 50% in acht te worden genomen.

Ingevolge artikel 6.5, aanhef en onder d, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan voor het vermeerderen van het in acht te nemen bebouwingspercentage met 10%.

2.4. De vve Westerdock en anderen betogen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college niet in redelijkheid krachtens artikel 15 van de WRO, gelezen in verbinding met artikel 6.3, aanhef en onder c, van de planvoorschriften, vrijstelling heeft kunnen verlenen. Met de realisering van het bouwplan zal een onevenredige aantasting van het woonklimaat plaatsvinden, aldus de vve Westerdock en anderen.

2.4.1. Dit betoog faalt. Bij de vraag of een onevenredige aantasting van het woonklimaat aan de orde is komt het college beoordelingsruimte toe, zodat de bestuursrechter het door het college gegeven antwoord terughoudend dient te beoordelen.

Volgens het besluit van 13 augustus 2009 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de met het realiseren van het bouwplan te verwachten overlast zeer gering zal zijn. Zo voorziet het bouwplan in een inpandige fietsenstalling. Voorts is de woningcorporatie, met het inzetten van beheerders, in staat de overlast voor omwonenden tot een minimum te beperken, aldus het college in dat besluit. Verder wordt in het besluit van 13 augustus 2009 verwezen naar het door het college ingezette zogenoemde flankerend beleid, inhoudende een pakket aan maatregelen ter stimulering van het overleg tussen bewoners en studenten in buurten met een aanzienlijke studentenpopulatie en ter realisering van fysieke voorzieningen, een en ander om eventueel te ervaren overlast tot een minimum te beperken.

Gegeven deze motivering, heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat het college zich rechtens op het standpunt kon stellen dat geen sprake is van een zodanige aantasting van het woonklimaat, dat om die reden medewerking aan het bouwplan zou moeten worden onthouden.

2.5. De vve Westerdock en anderen betogen voorts dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college niet in redelijkheid krachtens artikel 15 van de WRO, gelezen in verbinding met artikel 6.5, aanhef en onder c, van de planvoorschriften, heeft kunnen verlenen.

2.5.1. Anders dan de vve Westerdock en anderen betogen, is met het uitbreiden met een bouwlaag geen sprake van een ingrijpende wijziging van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, nu, zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen, in het bestemmingsplan daartoe uitdrukkelijk de mogelijkheid is geboden. Voorts heeft de voorzieningenrechter, in aanmerking genomen het in beroep aangevoerde, terecht geoordeeld dat niet valt in te zien dat het college in dit geval niet van deze in het bestemmingsplan geboden bevoegdheid gebruik kon maken.

Het betoog faalt.

2.6. De vve Westerdock en anderen betogen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college in dit geval niet bevoegd is krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling te verlenen. Het college had toepassing dienen te geven aan de in het bestemmingsplan vervatte wijzigingsbevoegdheid, aldus de vve Westerdock en anderen.

2.6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 april 2009 in zaak nr. 200805851/1/H1 en 200805867/1/H1) staat de bevoegdheid om krachtens artikel 19 van de WRO vrijstelling te verlenen los van de bevoegdheid die is geregeld in artikel 11 van die wet. Artikel 19 van de WRO, noch de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling, biedt aanknopingspunten voor het oordeel dat van de daarin geregelde bevoegdheden geen gebruik mag worden gemaakt indien voor de gronden waarop een project is voorzien, een wijzigingsbevoegdheid, geldt als bedoeld in artikel 11 van die wet.

Het betoog faalt.

2.7. De vve Westerdock en anderen betogen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college bij de openbare bekendmaking dat het bouwplan ter inzage is gelegd ten onrechte niet heeft vermeld dat het bouwplan ziet op het oprichten van een woongebouw ten behoeve van de huisvesting van studenten.

2.7.1. Dit betoog faalt evenzeer. Blijkens het ontwerpbesluit en de daarop betrekking hebbende stukken, zoals deze met ingang van 2 oktober 2008 opnieuw gedurende zes weken te inzage hebben gelegen, ziet het bouwplan op het oprichten van een woongebouw ten behoeve van de huisvesting van studenten. In de door de vve Westerdock en anderen naar voren gebrachte zienswijzen zijn bezwaren tegen studentenhuisvesting ter plaatse vervat. Onder deze omstandigheden hebben de vve Westerdock en anderen, daargelaten of met het in de kennisgeving vermelden dat vergunning is verzocht voor het oprichten van een woongebouw, niet aan de in artikel 3:12 van de Awb daaraan gestelde vereisten is voldaan, niet aannemelijk gemaakt dat daarmee enig belang is geschaad.

2.8. De vve Westerdock en anderen betogen voorts dat de voorzieningenrechter hen ten onrechte niet is gevolgd in het betoog dat niet alle bij het ontwerpbesluit betrekking hebbende stukken ter inzage hebben gelegen.

2.8.1. Het betoog faalt. Aangezien de vve Westerdock en anderen de enkele stelling dat slechts een deel van de bij het ontwerpbesluit betrekking hebbende stukken ter inzage hebben gelegen, niet nader hebben onderbouwd en het college ter zitting te kennen heeft gegeven dat gedurende de inzagetermijn alle relevante stukken ter inzage hebben gelegen, heeft de voorzieningenrechter met het in het beroep aangevoerde terecht niet aannemelijk gemaakt geacht dat het college ten onrechte bepaalde stukken niet ter inzage heeft gelegd.

Dat, zoals de vve Westerdock en anderen in het kader van hun betoog terzake van de brandveiligheid van het op te richten gebouw stellen, rapportages omtrent de brandveiligheid niet ter inzage zijn gelegd, is ter zitting namens het college op aannemelijke wijze en niet of althans onvoldoende weersproken betwist.

2.9. De vve Westerdock en anderen betogen voorts dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Met het realiseren van het bouwplan wordt ingrijpend afgeweken van de in het bestemmingsplan vervatte stedenbouwkundige beleidsuitgangspunten, aldus de vve Westerdock en anderen.

2.9.1. Als ruimtelijke onderbouwing van het bouwplan dient de "Ruimtelijke onderbouwing voor het oprichten van een woongebouw, [vijf locaties]" (hierna: de ruimtelijke onderbouwing).

In de ruimtelijke onderbouwing is uiteengezet dat het bouwplan recht doet aan de stedenbouwkundige uitgangspunten ten aanzien van licht en lucht, de korrel, de continuïteit van het ruimtelijke netwerk van de stad en de openheid naar de Julianaschool. Het bouwplan is voorts als een gewenste ontwikkeling aan te merken die in ruimtelijk functioneel opzicht bijdraagt aan de stad, de stedelijkheid en het stedelijk beeld ter plaatse, aldus de ruimtelijke onderbouwing.

2.9.2. Gegeven deze motivering, heeft de voorzieningenrechter in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing niet aan de eisen voldoet die daaraan in dit geval dienen te worden gesteld. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat, anders dan de vve Westerdock en anderen betogen, het verschil tussen hetgeen met het verlenen van vrijstelling mogelijk wordt gemaakt en hetgeen ingevolge het bestemmingsplan reeds mogelijk was, niet van dien aard is dat sprake is van een grote inbreuk op het planologisch regime. Ingevolge het bestemmingsplan wordt op het perceel een bebouwingspercentage van 50% in acht genomen, welk percentage krachtens een in het bestemmingsplan vervatte vrijstellingsmogelijkheid met 10% kan worden vermeerderd.

Met het realiseren van het bouwplan bedraagt het bebouwingspercentage op het perceel 63%.

2.10. Voorts betogen de vve Westerdock en anderen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat ten onrechte een bodemparagraaf in de ruimtelijke onderbouwing ontbreekt. Weliswaar is voor het perceel met een saneringsplan ingestemd, maar dat plan is onvoldoende concreet, aldus de vve Westerdock en anderen.

2.10.1. De omstandigheid dat in de ruimtelijke onderbouwing geen bodemparagraaf is opgenomen, leidt niet tot het door de vve Westerdock en anderen beoogde resultaat. Conform het bepaalde in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning, is bij de voorliggende aanvraag om bouwvergunning een saneringsplan voor het perceel verstrekt, met welk plan het college van gedeputeerde staten van Groningen bij besluit van 23 oktober 2002 heeft ingestemd.

Voor zover het betoog van de vve Westerdock en anderen tegen dat saneringsplan is gericht, kan dat in de voorliggende procedure niet aan de orde komen. Ook dit betoog slaagt derhalve niet.

2.11. Voorts betogen de vve Westerdock en anderen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat in de ruimtelijke onderbouwing ten onrechte een waterparagraaf ontbreekt.

2.11.1. Dit betoog faalt evenzeer. Blijkens de stukken heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan voorziet in de uitvoering voor de afvoer op de gebruikelijke wijze. Het rioleringsstelsel is prima berekend op de toevoeging van het bouwplan, aldus het college. De voorzieningenrechter heeft in het door de vve Westerdock en anderen in beroep aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college zich niet op dat standpunt kon stellen.

2.12. Het betoog van de vve Westerdock en anderen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat een onderzoek naar eventuele archeologische waarden ontbreekt, hetgeen in strijd is met de in het Verdrag van Valetta vervatte uitgangspunten, is louter een herhaling van hetgeen terzake in beroep is aangevoerd. De voorzieningenrechter is op goede gronden tot het oordeel gekomen dat in het beroep aangevoerde geen grond is gelegen voor het oordeel dat het college zich niet op het standpunt kon stellen dat er geen aanleiding is tot het stellen van nadere eisen, dan wel het doen van nader onderzoek.

2.13. De vve Westerdock en anderen betogen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college, na afweging van de betrokken belangen, niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten vrijstelling te verlenen, zoals het heeft gedaan. De voorzieningenrechter heeft volgens hen ten onrechte overwogen dat het college aan de belangen van omwonenden geen doorslaggevende betekenis heeft hoeven toekennen.

2.13.1. Bij de beslissing op een verzoek om vrijstelling van het bestemmingsplan heeft het college beleidsvrijheid, zodat de rechter de beslissing in zoverre terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit om de vrijstelling te verlenen heeft kunnen komen.

2.13.2. Volgens het besluit van 13 augustus 2009 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat met het realiseren van het bouwplan het woongenot van omwonenden niet onevenredig wordt aangetast. Daarbij heeft het zich onder meer gebaseerd op een "Onderzoek beschaduwing project 'Studentenhuisvesting Lissabonstraat' te Groningen" van adviesburo Nieman B.V. van 28 maart 2008. Daaruit blijkt volgens het college dat het te realiseren bouwplan gemiddeld een extra beschaduwing geeft voor de woningen ten noorden van het te realiseren bouwplan ten opzichte van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, van in de periode van april tot en met september omstreeks 15 minuten per dag en in de periode van oktober tot en met maart van omstreeks een uur per dag. Voorts is op een enkel vlak sprake van extra bezonning en is, onder bepaalde weersomstandigheden, de situatie ten aanzien van de bezonning/beschaduwing voor voormelde woningen gunstiger dan ten opzichte van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt.

Voorts heeft het college zich bij dat besluit op het standpunt gesteld dat de met het realiseren van het bouwplan te verwachten overlast zeer gering zal zijn. Zoals hiervoor onder 2.4.1 is overwogen, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat van een zodanige aantasting van het woonklimaat, dat om die reden medewerking aan het bouwplan zou moeten worden onthouden, geen sprake is.

2.13.3. Onder deze omstandigheden, heeft de voorzieningenrechter in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college na afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten vrijstelling, zoals verzocht, te verlenen.

2.14. De vve Westerdock en anderen betogen ten slotte dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het college ontheffing van het vereiste van artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening van de gemeente Groningen (hierna: de bouwverordening) heeft kunnen verlenen.

2.14.1. Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.

Ingevolge het vierde lid, voor zover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid:

a. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of

b. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

2.14.2. De voorzitter overweegt met betrekking tot deze beroepsgrond het volgende. Volgens de ruimtelijke onderbouwing heeft het college de berekening van de parkeerbehoefte gebaseerd op de door de raad der gemeente Groningen bij besluit van 23 april 2008 vastgestelde "Nota Parkeernormen 2008". Met toepassing van de in deze nota vervatte normen, dient te worden voorzien in 40 parkeerplaatsen. Het bouwplan voorziet in het realiseren van 25 parkeerplaatsen. Het besluit tot verlening van ontheffing krachtens artikel 2.5.30, vierde lid, van de bouwverordening, is in de ruimtelijke onderbouwing aldus gemotiveerd, dat in de nabijgelegen parkeergarage Westerhaven in de benodigde 15 parkeerplaatsen kan worden voorzien. Nu de vve Westerdock en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat het college zich niet op het standpunt kon stellen dat op andere wijze in de nodige parkeerruimte kan worden voorzien, heeft de voorzieningenrechter in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college geen ontheffing van het bepaalde in artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening heeft kunnen verlenen.

2.15. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.16. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.E.B. de Haseth, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. De Haseth

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2010

476.