Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL1792

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
200909809/2/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 juni 2009 heeft verzoeker (hierna: het college) na het volgen van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure in het kader waarvan door de afdeling Zuid-Oost Groningen van het Koninklijk Verbond van Ondernemers in het Horeca- en Aanverwante Bedrijf Horeca Nederland (hierna: KHN) een schriftelijke zienswijze is ingebracht, aan de Gereformeerde Kerk Hoogezand-Sappemeer (hierna: de Gereformeerde Kerk) een vergunning verleend, onder voorschriften, voor het uitoefenen van een horecabedrijf voor het door de Gereformeerde Kerk geëxploiteerde zalencentrum Brandpunt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909809/2/H3.

Datum uitspraak: 27 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de

Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer,

verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 23 november 2009 in zaak nr. 09/723 in het geding tussen:

de afdeling Zuid-Oost Groningen van het Koninklijk Verbond van Ondernemers in het Horeca- en Aanverwante Bedrijf Horeca Nederland,

gevestigd te Sappemeer, gemeente Hoogezand-Sappemeer,

en

verzoeker.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2009 heeft verzoeker (hierna: het college) na het volgen van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure in het kader waarvan door de afdeling Zuid-Oost Groningen van het Koninklijk Verbond van Ondernemers in het Horeca- en Aanverwante Bedrijf Horeca Nederland (hierna: KHN) een schriftelijke zienswijze is ingebracht, aan de Gereformeerde Kerk Hoogezand-Sappemeer (hierna: de Gereformeerde Kerk) een vergunning verleend, onder voorschriften, voor het uitoefenen van een horecabedrijf voor het door de Gereformeerde Kerk geëxploiteerde zalencentrum Brandpunt.

Bij uitspraak van 23 november 2009, verzonden op 24 november 2009, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) het door KHN daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 19 juni 2009 vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit neemt.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 december 2009, hoger beroep ingesteld. Bij deze brief heeft het college de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 21 januari 2010, waar het college, vertegenwoordigd door R. Top-van Houdt en P. Doldersum, ambtenaren in dienst van de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Ingevolge artikel 3 van de Drank- en Horecawet (hierna: de DHW) is het verboden zonder daartoe strekkende vergunning van burgemeester en wethouders het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, verbinden burgemeester en wethouders aan een vergunning, die krachtens artikel 3 aan een rechtspersoon, niet zijnde een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die zich op activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard richt, wordt verleend een of meer voorschriften of beperkingen die, gelet op de plaatselijke of regionale omstandigheden, nodig zijn ter voorkoming van mededinging door het verstrekken van alcoholhoudende drank, die uit een oogpunt van ordelijk economisch verkeer als onwenselijk moet worden beschouwd.

Ingevolge het tweede lid kunnen de in het eerste lid bedoelde voorschriften of beperkingen op geen andere onderwerpen betrekking hebben dan:

a. in de inrichting te houden bijeenkomsten van persoonlijke aard, zoals bruiloften en partijen;

b. het openlijk aanprijzen van de mogelijkheid tot het houden van bijeenkomsten als bedoeld onder a;

c. de tijden gedurende welke in de betrokken inrichting alcoholhoudende drank wordt verstrekt.

2.3. Het college heeft de Gereformeerde Kerk een vergunning verleend, als bedoeld in artikel 3 van de DHW. Aan deze vergunning heeft het college de volgende voorschriften en beperkingen, als bedoeld in artikel 4 van de DHW, verbonden:

1. Er mogen maximaal 12 keer per jaar bijeenkomsten van persoonlijke aard georganiseerd worden;

2. Het is niet toegestaan om reclame te maken voor bijeenkomsten van persoonlijke aard;

3. Alcoholhoudende drank mag uitsluitend worden verstrekt twee uur vóór, tijdens en twee uur na de activiteiten die in het zalencentrum mogen plaatsvinden, waarbij het laatstgenoemde tijdstip niet na 24.00 uur mag liggen.

2.4. Het verzoek strekt ertoe te voorkomen dat het college hangende het door hem ingestelde hoger beroep dient over te gaan tot sluiting van het zalencentrum Brandpunt, dat als gevolg van de aangevallen uitspraak wordt geëxploiteerd zonder vergunning. Het college heeft gesteld dat het zalencentrum van 1982 tot 19 juni 2009 met een reguliere drank- en horecawetvergunning werd geëxploiteerd, waarbij onbeperkt bijeenkomsten van persoonlijke aard mochten worden georganiseerd. De in de vergunning van 19 juni 2009 opgenomen beperking vormt een flinke beperking in de bedrijfsvoering. Het thans stilleggen van alle activiteiten waarbij alcohol mag worden geschonken, zou leiden tot een onevenredige benadeling van het door de Gereformeerde Kerk geëxploiteerde zalencentrum, aldus het college.

2.5. In geschil is, samengevat weergegeven, het oordeel van de rechtbank dat het besluit tot vergunningverlening in strijd is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, dat het college nader onderzoek dient te doen naar de vraag in hoeverre zalencentrum Brandpunt als een paracommerciële instelling is te beschouwen en aan de hand van mede dit onderzoek dient te beoordelen of ter voorkoming van onwenselijke mededinging aan de vergunning verder strekkende voorschriften of beperkingen dienen te worden verbonden dan thans het geval is, en dat het voor de hand ligt dat het college bij de besluitvorming betrekt dat het beroep tegen de gehandhaafde weigering om op grond van het bestemmingsplan handhavend op te treden tegen het organiseren van bijeenkomsten van persoonlijke aard, op 29 juli 2009 door de rechtbank gegrond is verklaard.

2.6. De voorzitter ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of het college een spoedeisend belang heeft, nu de rechtbank eerder heeft geoordeeld dat het college wegens strijd met het bestemmingsplan tegen het gebruik van het perceel voor het organiseren van bijeenkomsten van persoonlijke aard door de Gereformeerde Kerk moet optreden. De voorzitter beantwoordt die vraag bevestigend. De vraag of het college thans op grond van het bestemmingsplan handhavend moet optreden tegen het organiseren van bijeenkomsten van persoonlijke aard en in hoeverre het is geoorloofd dat het college, zoals het ter zitting heeft vermeld, op dit punt een ontheffing van het bestemmingsplan voorbereidt, kan niet afdoen aan het spoedeisend belang van het college bij het verzoek, reeds omdat de met de aangevallen uitspraak vernietigde vergunning meer toelaat dan alleen het organiseren van bijeenkomsten van persoonlijke aard.

2.7. Naar voorlopig oordeel van de voorzitter bestaat gerede twijfel dat de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep zonder meer in stand zal blijven, althans dat uiteindelijk zal worden geoordeeld dat het college de vergunning niet heeft mogen verlenen zoals het heeft gedaan. Naar voorlopig oordeel valt immers niet in te zien dat de Gereformeerde Kerk geen rechtspersoon is als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de DHW, zodat in rechte dan nog slechts de vraag resteert welke voorschriften of beperkingen aan de vergunning mogen worden verbonden, die nodig zijn ter voorkoming van mededinging door het verstrekken van alcoholhoudende drank, die uit een oogpunt van ordelijk economisch verkeer als onwenselijk moet worden beschouwd. Gelet hierop en gelet op de betrokken belangen, waarbij niet is gebleken van zodanig dringende belangen aan de zijde van KHN dat het zalencentrum geen gebruik mag maken van de vergunning hangende het door het college ingestelde hoger beroep, ziet de voorzitter aanleiding om de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

schorst bij wijze van voorlopige voorziening de werking van de uitspraak van de rechtbank Groningen van 23 november 2009 in zaak nr. 09/723.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Van der Smissen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2010

419.