Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL1787

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-01-2010
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
200908102/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 september 2009 heeft de raad van de gemeente Nijmegen (hierna: de raad) het bestemmingsplan "Lindenholt West - 8, Centraal voorzieningencentrum" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200908102/2/R3.

Datum uitspraak: 26 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

1. [verzoeker sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [verzoekster sub 2], gevestigd te [plaats], en Schuitema Vastgoed B.V., gevestigd te Amersfoort,

en

de raad van de gemeente Nijmegen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 september 2009 heeft de raad van de gemeente Nijmegen (hierna: de raad) het bestemmingsplan "Lindenholt West - 8, Centraal voorzieningencentrum" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [verzoeker sub 1] bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 22 oktober 2009, en [verzoekster sub 2] en Schuitema Vastgoed B.V. (hierna in enkelvoud: C1000) bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 2 november 2009, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 23 oktober 2009, heeft [verzoeker sub 1] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 2 november 2009, heeft C1000 de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 11 januari 2010, waar [verzoeker sub 1], in persoon en bijgestaan door mr. P.A.W. Standhardt-Jonkers, advocaat te Utrecht, C1000, eveneens vertegenwoordigd door mr. P.A.W. Standhardt-Jonkers, en de raad, vertegenwoordigd door drs. B.A. Crebolder en ir. M. Muntjewerff, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting als partij gehoord [belanghebbende], vertegenwoordigd door C.A.M. Gulickx.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. De voorzitter overweegt allereerst dat het niet op voorhand vaststaat dat de Afdeling in de bodemprocedure het beroep van C1000, voor zover ingediend door Schuitema Vastgoed B.V. ontvankelijk zal achten, nu ernstige twijfel bestaat aan de belanghebbendheid van Schuitema Vastgoed B.V. bij het plan. Omdat in ieder geval [verzoekster sub 2] als belanghebbende kan worden aangemerkt, zal naar het oordeel van de voorzitter sprake zijn van een, in zoverre, ontvankelijk beroep.

2.3. Het plan is opgesteld vanwege de voorziene revitalisering van het voorzieningencentrum De Horstacker in het stadsdeel Lindenholt.

2.4. Ter zitting hebben de raad en [belanghebbende] verklaard dat een aanvraag om bouwvergunning voor het plan is ingediend en dat zo spoedig mogelijk zal worden gestart met de realisatie van het plan. Derhalve acht de voorzitter een spoedeisend belang aanwezig.

2.5. C1000 kan zich niet verenigen met het besluit, omdat de vestiging van een discountsupermarkt met een bedrijfsvloeroppervlakte van 1500 m² ernstig verstorend en ontwrichtend zal werken op de voorzieningen in Lindenholt. Verschillende onderzoeken wijzen er op dat er voor een supermarkt met die omvang geen distributieve ruimte bestaat.

2.5.1. De voorzitter stelt voorop dat, voor zover de bezwaren zijn ingegeven door concurrentievrees, er geen aanleiding bestaat om in het kader van een goede ruimtelijke ordening terzake regulerend op te treden. Voorts heeft de Afdeling overwogen, onder meer bij uitspraak van 10 juni 2009 in zaak nr. 200808122/1/R3, dat voor de vraag of sprake is van een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau in een bepaalde sector, niet van doorslaggevende betekenis is of er sprake is van overaanbod en mogelijke sluiting van bestaande detailhandelsvestigingen. Van belang is of voor de inwoners van de gemeente een voldoende voorzieningenniveau behouden blijft in die zin dat zij op een aanvaardbare afstand van hun woonplaats hun geregelde inkopen kunnen doen. Uit het door BRO uitgevoerde distributie-planologisch onderzoek (DPO) en de "notitie contra-expertise" van 3 juni 2009 blijkt dat een discountsupermarkt ter plaatse wenselijk is en dat de komst van een dergelijke supermarkt niet zal leiden tot een duurzame ontwrichting van de voorzieningenstructuur. Uit de door C1000 overgelegde onderzoeksrapporten van Adviesbureau Kardol is de voorzitter op voorhand niet gebleken dat hiervan, als gevolg van vestiging van de desbetreffende supermarkt, wel sprake zou zijn. De conclusie in deze rapporten dat de vestiging van de discountsupermarkt met een bedrijfsvloeroppervlakte van 1500 m² distributief niet verantwoord zou zijn, kan naar het oordeel van de voorzitter niet aldus worden opgevat dat voor het behoud van een voldoende voorzieningenniveau wordt gevreesd. De voorzitter ziet in hetgeen C1000 heeft aangevoerd dan ook op voorhand geen aanleiding voor het oordeel dat de door het plan mogelijk gemaakte komst van de discountsupermarkt een duurzame ontwrichting van de voorzieningenstructuur tot gevolg heeft.

2.6. Het betoog van [verzoeker sub 1] richt zich tegen de mogelijkheid van het oprichten van een appartementencomplex tegenover zijn woning. Van het complex zal hij negatieve gevolgen ondervinden wat betreft privacy, uitzicht en bezonning, zo stelt [verzoeker sub 1]. Voorts richt [verzoeker sub 1] zich tegen de mogelijkheid van vestiging van een supermarkt. Het bevoorradend vrachtverkeer zal geluids- en trillingsoverlast veroorzaken en brengt gevaarlijke verkeerssituaties met zich. In het plan is voorts, naar zijn stellen, niet in voldoende parkeerplaatsen voorzien.

2.6.1. Met betrekking tot de door [verzoeker sub 1] gestelde nadelige gevolgen vanwege de maximale hoogte van 15 meter van de voorgenomen woonbebouwing, overweegt de voorzitter dat in beginsel aan de raad een grote mate van vrijheid toekomt om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht.

Volgens de plantoelichting en het verweerschrift dienen er duidelijke pleinwanden te ontstaan om ervoor te zorgen dat een goede centrumplek kan ontstaan.

De voorzitter stelt vast dat de desbetreffende bebouwing tot op een afstand van 15 meter van de woning van [verzoeker sub 1] mogelijk wordt gemaakt. Gelet op deze afstand, en mede gelet op het feit dat het hier een stedelijke omgeving betreft, is de voorzitter er, onder meer gelet op de in de nota zienswijzen weergegeven uitkomsten van het ter zake uitgevoerde bezonningsonderzoek, op voorhand niet van overtuigd dat sprake zou zijn van een onaanvaardbare inbreuk op het uitzicht, de lichtinval en de privacy van [verzoeker sub 1].

De voorzitter ziet, gezien het vorenoverwogene, in zoverre geen grond voor het oordeel dat de in het plan mogelijk gemaakte woonbebouwing zich niet verdraagt met een goede ruimtelijke ordening.

2.6.2. De voorzitter is er voorts, gelet op de afstand van de laad- en losplaats tot de woning van [verzoeker sub 1] en de ligging van zijn woning in een stedelijke omgeving waar ook voorheen al een supermarkt aanwezig was, niet van overtuigd dat het vrachtverkeer ten behoeve van de supermarkt een dusdanige geluid- of trillingshinder met zich zal brengen dat de raad het plan in zoverre niet had mogen vaststellen.

Ook in het gestelde met betrekking tot de door de vrachtwagens te veroorzaken verkeersonveiligheid ziet de voorzitter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de door de raad gekozen expeditieroute, waarbij een zogenoemde "lus" zal worden aangelegd zodat vrachtwagens vooruit kunnen blijven rijden, in een zo veilig mogelijke verkeerssituatie voorziet.

2.6.3. De raad heeft voor het bepalen van de parkeerbehoefte in het plangebied en de nabije omgeving de parkeernormen zoals aanbevolen door het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek, zoals neergelegd in CROW-publicatie 182, als uitgangspunt genomen. Uit berekeningen bij het verweerschrift is gebleken dat op een koopavond de meeste parkeerplaatsen benodigd zijn, namelijk 286 parkeerplaatsen. Na realisatie van het plan zullen in het gebied ongeveer 292 parkeerplaatsen beschikbaar komen, hetgeen gelet op voornoemde berekening voldoende wordt geacht. Het uitgangspunt van de raad dat medewerkers van de voorzieningen bij de sporthal (en niet bij het gezondheidscentrum of de supermarkt) dienen te parkeren, brengt naar het oordeel van de voorzitter niet op voorhand met zich dat dit tot onoverkomelijke parkeerproblemen zal leiden.

2.7. In hetgeen C1000 alsmede [verzoeker sub 1] voor het overige hebben aangevoerd ziet de voorzitter op voorhand geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het bestreden besluit in de bodemprocedure geen stand zal kunnen houden.

2.8. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Matulewicz

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2010

45-612.