Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL1783

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-01-2010
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
200907208/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 juli 2009, kenmerk PZH-2009-490685, heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Den Haag (hierna: de raad) bij besluit van 27 november 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Bloemenbuurt".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907208/2/R2.

Datum uitspraak: 25 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2009, kenmerk PZH-2009-490685, heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Den Haag (hierna: de raad) bij besluit van 27 november 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Bloemenbuurt".

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 september 2009, beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft [verzoeker] de voorzitter tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 11 januari 2010, waar [verzoeker] in persoon, en het college, vertegenwoordigd door ing. M. Verhoef, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de raad, vertegenwoordigd door mr. drs. L.C. van Enkhuijzen, ambtenaar in dienst van de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het verzoek om een voorlopige voorziening richt zich tegen de goedkeuring van de plandelen met de bestemming "W1 (Woondoeleinden 1)", voor zover daarbij de aanduiding "5 (maximaal aantal bouwlagen)" is toegekend aan de in het plangebied gelegen stroken bebouwing aan de noordzijde van de Laan van Meerdervoort. [verzoeker] beoogt met zijn verzoek onomkeerbare gevolgen van de inwerkingtreding van het plan te voorkomen.

2.3. Ter zitting heeft de raad betoogd dat [verzoeker] niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht kan worden beschouwd en dat zijn beroep dientengevolge niet-ontvankelijk is. De voorzitter acht het vooralsnog aannemelijk dat [verzoeker], in zijn beroep met betrekking tot de plandelen aan de Laan van Meerdervoort, voor zover gelegen tussen de Kamillestraat en de Valkenboskade, in de bodemprocedure niet-ontvankelijk zal worden verklaard, gelet op de afstand van zijn perceel tot die plandelen en het geheel ontbreken van enig zicht daarop. In zoverre dient het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening derhalve te worden afgewezen.

Gelet op de afstand van ongeveer 130 meter tussen het perceel van [verzoeker] tot de dichterbij gelegen percelen aan de Laan van Meerdervoort, die liggen tussen de Hyacinthweg en de Kamillestraat, en het zicht dat [verzoeker] mogelijk heeft op de voorziene bouwlagen, gaat de voorzitter er voorshands vanuit dat het beroep, voor zover het betrekking heeft op die plandelen, althans een deel daarvan, in de bodemprocedure ontvankelijk zal worden verklaard.

2.4. Ter zitting is gebleken dat tot dusver geen aanvragen voor een bouwvergunning zijn ingediend voor de realisering van extra bouwlagen op de woningen aan Laan van Meerdervoort, die liggen tussen de Hyacinthweg en de Kamillestraat. Voorts is ter zitting door de raad aangegeven dat van verzoeken om informatie dan wel andere aanwijzingen dat een dergelijke aanvraag zal worden ingediend, geen sprake is. Ook anderszins bestaan er thans naar het oordeel van de voorzitter geen aanwijzingen dat hangende het beroep op de Afdeling bouwaanvragen voor voornoemde woningen zullen worden ingediend. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat de mogelijkheid voor het toevoegen van extra bouwlagen in het plan is opgenomen om de structuurvisie "Den Haag 2020, Wereldstad aan zee" op bestemmingsplanniveau te vertalen, en dat deze mogelijkheid niet naar aanleiding van enig concreet bouwvoornemen in het plan is opgenomen. Gelet hierop is de voorzitter van oordeel dat een spoedeisend belang tot het treffen van een voorlopige voorziening met betrekking tot het betreffende plandeel ontbreekt. Het verzoek om voorlopige voorziening dient dan ook om die reden voor het overige te worden afgewezen.

De voorzitter wijst erop dat, mocht hangende het beroep toch ter zake een aanvraag om bouwvergunning bij de gemeente worden ingediend, de raad betrokkene daarvan onverwijld op de hoogte dient te stellen, zodat hij indien hij dat wenst opnieuw een verzoek om voorlopige voorziening kan indienen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Matulewicz

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2010

45-612.