Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL1780

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-01-2010
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
200905317/2 en 200905316/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 mei 2009, kenmerk PZH-2009-390618, heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Nieuwkoop (hierna: de raad) bij besluit van 2 oktober 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Gezoneerd bedrijventerrein Hoekse Aarkade" (hierna: het plan "Bedrijventerrein").

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905317/2 en 200905316/2.

Datum uitspraak: 25 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de vereniging Vereniging Burgerbelang Hoekse Aarkade, gevestigd te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop,

verzoekster,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2009, kenmerk PZH-2009-390618, heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Nieuwkoop (hierna: de raad) bij besluit van 2 oktober 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Gezoneerd bedrijventerrein Hoekse Aarkade" (hierna: het plan "Bedrijventerrein").

Bij besluit van 26 mei 2009, kenmerk PZH-2009-390568, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad bij besluit van 2 oktober 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Geluidszone Hoekse Aarkade 2008" (hierna: het plan "Geluidszone").

Tegen deze besluiten heeft de vereniging Vereniging Burgerbelang Hoekse Aarkade (hierna: de Vereniging) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 juli 2009, beroep ingesteld.

Tevens heeft de Vereniging de voorzitter verzocht voorlopige voorzieningen te treffen.

[belanghebbende] en de raad hebben een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De voorzitter heeft de zaken gevoegd ter zitting behandeld op 5 januari 2010, waar de Vereniging, vertegenwoordigd door [voorzitter], en het college, vertegenwoordigd door J.A. Looij, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door A.J.R. Roosken, werkzaam bij het planbureau mRO, en R. Kouch, ambtenaar in dienst van de gemeente, en [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. J.G. Bos, advocaat te Rotterdam, en J.H. Granneman, werkzaam bij adviesbureau Peutz.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Procedurele aspecten

2.2. Het college en [belanghebbende] betogen dat de beroepen en verzoeken om voorlopige voorziening van de Vereniging niet-ontvankelijk zijn, omdat de Vereniging haar zienswijzen tegen de ontwerpplannen eerst bij brief van 9 juni 2008 en derhalve niet binnen de daartoe gestelde termijn heeft gemotiveerd en dat dit niet verschoonbaar kan worden geacht.

De voorzitter ziet in dit betoog in het licht van de uitspraak van de Afdeling van 13 mei 2008, inzake nummer 200705158/1, onvoldoende aanleiding om er thans vanuit te gaan dat de beroepen van de Vereniging in de bodemprocedure niet-ontvankelijk zullen worden verklaard en dat de verzoeken om voorlopige voorziening reeds daarom moeten worden afgewezen.

2.3. [belanghebbende] betoogt voorts dat de beroepen en verzoeken om voorlopige voorziening niet van inhoudelijke bezwaren tegen de bestemmingsplannen zijn voorzien. Dienaangaande overweegt de voorzitter dat de door de Vereniging bij brief van 9 juni 2008 nader ingediende zienswijzen die inhoudelijke bezwaren bevatten, in deze procedure zijn overgelegd. De voorzitter zal bij de beoordeling van de verzoeken om voorlopige voorziening deze nader ingediende zienswijzen en de ter zake daarvan in deze procedure ingenomen standpunten van de andere partijen betrekken.

Materiële aspecten

2.4. Het plan "Bedrijventerrein" voorziet in uitbreidingsmogelijkheden voor het op het bedrijventerrein Hoekse Aarkade gevestigde bedrijf [belanghebbende] De voorgenomen uitbreiding bestaat uit de bouw van een ketelhuis en opslagruimten. Het plan "Geluidszone" voorziet in een wijziging van de huidige geluidszone rond dit bedrijventerrein.

2.5. Ter zitting is gebleken dat [belanghebbende] momenteel gebruik maakt van tijdelijke oplossingen om in het gebrek aan opslagruimte te voorzien en dat zij reeds aanvragen voor bouwvergunningen heeft ingediend. Gelet hierop acht de voorzitter een spoedeisend belang aanwezig.

2.6. De Vereniging betoogt dat de raad de belangen van de omwonenden van het bedrijventerrein Hoekse Aarkade onvoldoende heeft meegewogen. Zij voert aan dat het verkeer ten gevolge van de uitbreiding van [belanghebbende] zal toenemen. Dit is onwenselijk gezien de bestaande verkeersonveilige situatie op het Oude Kerkpad en de Oostkanaalweg. Ook is geen rekening gehouden met deze verkeerstoename in het onderzoek naar de luchtkwaliteit, aldus de Vereniging. Zij betoogt voorts dat de raad geen rekening heeft gehouden met de toename van het verkeer ten gevolge van een eventuele uitbreiding van het op het bedrijventerrein gevestigde bedrijf Menken Maritiem. De Vereniging vreest dat de plannen een opmaat vormen tot een verdere uitbreiding van het bedrijventerrein. Daarnaast betoogt de Vereniging dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de in het plangebied aanwezige flora en fauna. Tot slot betoogt de Vereniging dat de aanduiding van het plangebied als bedrijventerrein misleidend is, dat de voorschriften van het plan "Bedrijventerrein" onduidelijk zijn en dat de aanduiding van de plangrens ontbreekt op de plankaart van dit plan.

2.7. De voorzitter stelt voorop dat een verdere uitbreiding van het bedrijventerrein dan met de onderhavige plannen wordt mogelijk gemaakt in deze procedure niet aan de orde is. De raad betoogt dat de voorgenomen uitbreiding een geringe toename van het vrachtverkeer tot gevolg heeft. Hij heeft ter zitting toegelicht dat de verkeersintensiteit na de uitbreiding circa 40 verkeersbewegingen per etmaal zal bedragen, en stelt zich op het standpunt dat deze verkeersintensiteit geen verkeersproblemen op het wegennet zal veroorzaken. Voorts heeft [belanghebbende] ter zitting toegelicht dat het vrachtverkeer van en naar het bedrijventerrein na de uitbreiding zal plaatsvinden via de Hoekse Aarkade naar de zuidoostkant van het bedrijventerrein, waardoor het vrachtverkeer een grotere afstand tot de huizen van omwonenden aanhoudt. Gelet hierop heeft het college naar het voorlopig oordeel van de voorzitter zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de uitbreiding van [belanghebbende] niet zal leiden tot een onaanvaardbare toename van het verkeer.

Uit het onderzoek "Luchtkwaliteit [belanghebbende] te [plaats]" van 11 januari 2007 volgt dat in dit onderzoek gebruik is gemaakt van een opgave van de huidige verkeersintensiteiten en prognoses van de provincie Zuid-Holland, en tellingen van de gemeente uit 1998 waarbij rekening is gehouden met een verkeerstoename van 1% per jaar. Gelet hierop is naar het voorlopig oordeel van de voorzitter in het onderzoek voldoende rekening gehouden met de verkeerstoename ten gevolge van de uitbreiding van het bedrijventerrein. Voorshands heeft de Vereniging niet onderbouwd, en derhalve niet aannemelijk gemaakt, dat deze verkeerstoename groter is dan waarmee in het onderzoek rekening is gehouden.

Voor zover de Vereniging zich voorts richt tegen het plan "Geluidszone" overweegt de voorzitter op voorhand dat niet aannemelijk is dat de Vereniging door dit plan ernstig in haar belangen wordt geschaad. Niet is gebleken van geluidgevoelige bestemmingen of gebieden binnen de geluidszone. Door de raad is onvoldoende weersproken gesteld dat met het vastleggen van deze geluidszone juist is beoogd het woon- en leefklimaat van de direct omwonenden te beschermen.

In hetgeen de Vereniging voorts aanvoert over de aanduiding van het plangebied als bedrijventerrein, en de planvoorschriften en plangrens van het plan "Bedrijventerrein", ziet de voorzitter op voorhand geen aanleiding voor het oordeel dat de besluiten in de bodemprocedure in zoverre niet in stand zullen blijven.

Gelet op het voorgaande heeft het college naar het voorlopig oordeel van de voorzitter in redelijkheid bij de afweging van de betrokken belangen een doorslaggevend gewicht kunnen toekennen aan het belang dat [belanghebbende] heeft bij de voorgenomen uitbreiding en de hiermee samenhangende wijziging van de geluidszone.

2.8. Over de aanwezige flora en fauna in het plangebied is in de plantoelichting van het plan "Bedrijventerrein" opgenomen dat de gronden in de huidige situatie voor circa 80% zijn verhard. Het terrein biedt geen geschikte habitat voor flora en fauna die dan ook nauwelijks op het terrein aanwezig zijn. Binnen of direct grenzend aan het plangebied zijn geen ecologische aandachtsgebieden en/of stiltegebieden aanwezig, aldus de plantoelichting. Gelet hierop wordt geen aanvullend onderzoek nodig geacht. Naar het voorlopig oordeel van de voorzitter heeft de Vereniging niet aannemelijk gemaakt dat de conclusie dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is, onjuist is.

2.9. Gelet hierop bestaat geen aanleiding de verzoeken van de Vereniging om het treffen van een voorlopige voorziening toe te wijzen.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.P. de Rooy, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. De Rooy

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2010

59-618.