Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL1497

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-01-2010
Datum publicatie
01-02-2010
Zaaknummer
200910287/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / zicht op uitzetting / uitlezen mobiele telefoon

De omstandigheid dat het uitlezen van de mobiele telefoon van de vreemdeling zonder wettelijke grondslag zou hebben plaatsgevonden, brengt op zichzelf niet met zich dat de maatregel van bewaring onrechtmatig moet worden geacht. De mobiele telefoon is na het opleggen van de bewaring uitgelezen om gegevens van de vreemdeling te verkrijgen in het kader van zijn uitzetting. Reeds omdat het traject ter verkrijging van een laissez passer bij de Palestijnse Autoriteit is ingezet naar aanleiding van het met de vreemdeling op 15 december 2009 gehouden vertrekgesprek bestaat geen grond voor het oordeel dat het zicht op uitzetting afhankelijk was van de informatie, verkregen door het uitlezen van de mobiele telefoon, en zonder die informatie ontbrak. Deze handeling heeft daarom geen directe betekenis gehad voor het opleggen en voortduren van de maatregel. De rechtbank is dan ook ten onrechte tot het oordeel gekomen dat voortzetting van de maatregel van bewaring met ingang van 21 december 2009 onrechtmatig is.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Politiewet 1993
Politiewet 1993 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/105 met annotatie van dr. G.N. Cornelisse
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200910287/1/V3.

Datum uitspraak: 25 januari 2010

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 21 december 2009 in zaak nr. 09/45630 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 december 2009 is [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij mondelinge uitspraak van 21 december 2009, waarvan het proces-verbaal is verzonden op 22 december 2009, heeft de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 22 december 2009 bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 28 december 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de enige grief klaagt de staatssecretaris, samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het zicht op uitzetting weliswaar niet volledig afhankelijk was van het uitlezen van de mobiele telefoon van de vreemdeling aangezien de staatssecretaris niet alleen, op basis van die gegevens, een traject is gestart bij de Marokkaanse autoriteiten, maar er eveneens een traject is opgestart bij de autoriteiten van Libanon (lees: bij de Palestijnse Autoriteit), maar dat uit het dossier en het verhandelde ter zitting wel duidelijk is geworden dat door het uitlezen van de telefoon het traject naar Marokko is ingeslagen. Hij betoogt hiertoe dat naar aanleiding van de verklaring van de vreemdeling tijdens het eerste vertrekgesprek op 15 december 2009 een traject ter verkrijging van een laissez passer is gestart bij de Palestijnse Autoriteit. Uit het dossier blijkt voorts dat de vreemdeling bij zijn aanhouding op 7 december 2009 heeft verklaard dat zijn paspoort nog in Marokko ligt, zodat het zicht op uitzetting met betrekking tot het traject ter verkrijging van een laissez passer van de autoriteiten van Marokko evenmin afhankelijk was van de informatie die is verkregen door het uitlezen van de mobiele telefoon van de vreemdeling.

2.2. De omstandigheid dat het uitlezen van de mobiele telefoon van de vreemdeling zonder wettelijke grondslag zou hebben plaatsgevonden, brengt op zichzelf niet met zich dat de maatregel van bewaring onrechtmatig moet worden geacht. De mobiele telefoon is na het opleggen van de bewaring uitgelezen om gegevens van de vreemdeling te verkrijgen in het kader van zijn uitzetting. Reeds omdat het traject ter verkrijging van een laissez passer bij de Palestijnse Autoriteit is ingezet naar aanleiding van het met de vreemdeling op 15 december 2009 gehouden vertrekgesprek bestaat geen grond voor het oordeel dat het zicht op uitzetting afhankelijk was van de informatie, verkregen door het uitlezen van de mobiele telefoon, en zonder die informatie ontbrak. Deze handeling heeft daarom geen directe betekenis gehad voor het opleggen en voortduren van de maatregel. De rechtbank is dan ook ten onrechte tot het oordeel gekomen dat voortzetting van de maatregel van bewaring met ingang van 21 december 2009 onrechtmatig is.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen overigens in het hoger-beroepschrift is aangevoerd behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 8 december 2009 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg naar voren gebrachte beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

2.4. De vreemdeling heeft betoogd dat uit het proces-verbaal van bevindingen van 8 december 2009 blijkt dat het strafrecht is gebruikt voor een vreemdelingenrechtelijk doel en dat op het moment dat hem werd verzocht zich te legitimeren er geen redelijk vermoeden bestond van illegaal verblijf.

2.4.1. Uit het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 8 december 2009 blijkt, voor zover thans van belang, het volgende.

Op 7 december 2009 om 04.36 uur kregen de verbalisanten van de meldkamer opdracht naar de [adres ] te gaan waar twee mannen in het trapportaal aan het vechten waren. Ter plaatse hebben de verbalisanten gesproken met de vrouw die de melding had gedaan. Zij verklaarde dat zij had gezien dat twee mannen, van Marokkaanse of Turkse afkomst en beiden klein van stuk, met elkaar aan het vechten waren en dat zij dacht dat deze mannen op de bovenste verdieping wonen. Omdat de verbalisanten op de bovenste verdieping niets zagen dat aanleiding gaf voor een verder onderzoek zijn zij weggegaan.

Om 05.00 uur kregen de verbalisanten het verzoek van de meldkamer om terug te gaan naar de [adres] omdat een van de mannen naar beneden zou zijn gekomen. Ter plaatse zagen de verbalisanten een man die aan het opgegeven signalement voldeed. Deze man verklaarde dat hij een vriend had thuisgebracht, maar dat zij niet hadden gevochten.

Vervolgens zijn de verbalisanten de [adres] binnengegaan. De verbalisanten zagen daar een man, naar later bleek de vreemdeling, die voldeed aan het eerder opgegeven signalement van een van de mannen die aan het vechten zou zijn geweest. Desgevraagd kon de vreemdeling zich niet legitimeren, waarop de verbalisanten hem hebben aangehouden wegens overtreding van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: WvSr).

2.4.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 juli 2001, in zaak nr. 200102650/1, JV 2001/234), is het niet aan de rechter in vreemdelingenzaken te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) toegekende bevoegdheden.

Voor de vaststelling of sprake is van een rechtmatige staandehouding krachtens de Vw 2000 is van belang dat in het betreffende proces-verbaal niet slechts melding wordt gemaakt van de grond van de aanhouding, maar tevens inzicht wordt verschaft in de omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot de staandehouding. Dit geldt temeer als de staandehouding niet heeft plaats gevonden in het kader van de Vw 2000. In de Memorie van Toelichting bij de Wet op de uitgebreide identificatieplicht (TK 2003-2004, 29218, nr. 3, pagina 13) is ook vermeld dat het van belang is dat in een proces-verbaal dat wordt opgemaakt ter zake van overtreding van artikel 447e van het WvSr wordt opgenomen, in welk kader de desbetreffende vordering werd gedaan en waarom deze noodzakelijk is voor een redelijke taakuitoefening.

2.4.3. Uit het proces-verbaal, zoals hiervoor onder 2.4.1. weergegeven, blijkt genoegzaam dat de vreemdeling in het kader van de uitvoering van algemene politietaak en niet in het kader van de uitoefening van bij of krachtens de Vw 2000 toegekende bevoegdheden is verzocht een legitimatiebewijs te tonen. Niet is gesteld dat een daartoe bevoegde rechter de onrechtmatigheid van de aanwending van de in het kader van de algemene politietaak toegekende bevoegdheden heeft vastgesteld. Het betoog faalt.

2.5. Het inleidende beroep is ongegrond. Er is geen grond voor schadevergoeding.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 21 december 2009 in zaak nr. 09/45630;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. B. van Wagtendonk, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Vonk

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2010

345.

Verzonden: 25 januari 2010

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser