Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL1483

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-01-2010
Datum publicatie
01-02-2010
Zaaknummer
200905017/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Somalië / Mogadishu / situatie als bedoeld in artikel 15c, Definitierichtlijn / motivering

Uit de stukken – in het bijzonder uit de hiervoor weergegeven citaten daaruit – kan worden afgeleid dat ten tijde van de totstandkoming van het besluit van 15 juni 2009 in Mogadishu sprake was van een gewapend conflict tussen de regeringstroepen gesteund door Ethiopische troepen enerzijds en een complex geheel van rebellengroeperingen anderzijds die onderling ook strijd leverden. Het geweld in Mogadishu als gevolg van dat conflict is in mei 2009 opgelaaid, waarbij vele burgerslachtoffers zijn gevallen en een grote vluchtelingenstroom - circa 40.000 mensen in mei 2009, opgelopen tot ongeveer 190.000 mensen in juni 2009 - op gang is gekomen. Hoewel de staatssecretaris in zijn nadere toelichting ter zitting in hoger beroep stelt vorenomschreven omstandigheden te hebben betrokken bij zijn beoordeling, heeft hij ter motivering van zijn standpunt dat in Mogadishu ten tijde van belang geen sprake is van een uitzonderlijke situatie, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn, volstaan met de enkele stelling dat in het aantal burgerslachtoffers geen aanleiding wordt gevonden voor het aannemen van zodanige uitzonderlijke situatie. Gelet op de aard en intensiteit van het geweld als gevolg van het conflict en de gevolgen daarvan voor de burgerbevolking van Mogadishu, zoals die uit voormelde stukken kunnen worden afgeleid, heeft de staatssecretaris met die enkele stelling ontoereikend gemotiveerd dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat de mate van het willekeurig geweld in Mogadishu ten tijde van de totstandkoming van het besluit van 15 juni 2009 dermate hoog was dat zwaarwegende gronden bestonden om aan te nemen dat een burger, louter door zijn aanwezigheid aldaar, op dat moment een reëel risico liep op ernstige schade, als vorenbedoeld. De voorzieningenrechter heeft derhalve terecht, zij het niet op geheel juiste gronden, overwogen dat voormeld besluit in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht is genomen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/78
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905017/1/V2.

Datum uitspraak: 26 januari 2010

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, van 3 juli 2009 in zaak nrs. 09/21625 en 09/21627 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 juni 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 3 juli 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 10 juli 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 2 september 2009 heeft de vreemdeling nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 september 2009, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, en de vreemdeling, bijgestaan door mr. S.D. Lugt, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen. De zaak is gelijktijdig behandeld met het hoger beroep in zaak nr. 200901427/1/V2.

Na de zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend. Bij brief van 15 september 2009 heeft de Afdeling de vreemdeling om inlichtingen verzocht, die zij bij brieven van 6 en 9 oktober 2009 heeft verstrekt. Bij brief van 13 november 2009 heeft de staatssecretaris een reactie ingediend.

Met toestemming van partijen, gegeven bij brief van 13 november 2009 door de staatssecretaris en bij brief van 16 december 2009 door de vreemdeling, is van een hernieuwd onderzoek ter zitting afgezien. Vervolgens is het onderzoek opnieuw gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De staatssecretaris klaagt in de eerste en tweede grief dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) van 17 februari 2009 in zaak C-465/07 (JV 2009/111), kan worden afgeleid dat het aan hem is om aannemelijk te maken dat geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven, en de inhoud van de verleende bescherming van de Raad van de Europese Unie (hierna: de richtlijn) en dat hij niet afdoende heeft gemotiveerd dat in Mogadishu, gelegen in Zuid-Somalië, geen sprake is van deze uitzonderlijke situatie. De staatssecretaris betoogt daartoe dat het aan de vreemdeling is om het bestaan van voormelde uitzonderlijke situatie aannemelijk te maken en dat zij daarin met de door haar overgelegde stukken niet is geslaagd.

2.1.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 25 mei 2009 in zaak nr. 200702174/2/V2; www.raadvanstate.nl, kan uit rechtsoverweging 43 van voormeld arrest van het Hof van 17 februari 2009, gelezen in samenhang met de rechtsoverwegingen 35 tot en met 40 van dat arrest, worden afgeleid dat artikel 15, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de richtlijn, bescherming beoogt te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn bedoelde ernstige schade. Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voorziet in de aldus vereiste bescherming, aangezien deze bepaling de grondslag biedt voor vergunningverlening in situaties die door artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden worden bestreken en laatstgenoemde bepaling - gezien de daaraan door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens gegeven uitleg in het arrest van 17 juli 2008 in zaak nr. 25904/07, NA. tegen het Verenigd Koninkrijk (JV 2008/329) - ook ziet op de uitzonderlijke situatie, beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn.

2.1.2. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 15 januari 2010 in zaak nr. 200908528/1/V2 (ter voorlichting van partijen aangehecht) volgt hieruit dat de desbetreffende vreemdeling aan artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn aanspraak op bescherming kan ontlenen, indien hij erin slaagt aannemelijk te maken dat de mate van willekeurig geweld in het kader van het door hem gestelde gewapend conflict in zijn land van herkomst ten tijde van de totstandkoming van het besluit dermate hoog was dat zwaarwegende gronden bestonden om aan te nemen dat een burger, louter door zijn aanwezigheid aldaar, op dat moment een reëel risico liep op ernstige schade, als vorenbedoeld. De voorzieningenrechter heeft dit niet onderkend. De in de grieven vervatte klacht is derhalve terecht voorgedragen, maar de grieven kunnen, gelet op het volgende, niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.

2.1.3. De vreemdeling heeft in beroep, onder verwijzing naar haar zienswijze, betoogd dat zij, indien zij moet terugkeren naar Mogadishu, waar zij voorafgaand aan haar vertrek uit Somalië haar normale woon- en verblijfplaats heeft gehad, daar louter door haar aanwezigheid een reëel risico loopt op de ernstige schade, als beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn. Ter onderbouwing van haar betoog heeft zij verwezen naar een brief van Amnesty International van 23 april 2009, een brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 8 mei 2009 alsmede naar het algemeen ambtsbericht inzake Somalië van de minister van Buitenlandse Zaken van maart 2009 (hierna: het ambtsbericht). In hoger beroep heeft zij in dit verband tevens verwezen naar:

- de notitie 'Veiligheidssituatie in Centraal- en Zuid-Somalië' van Vluchtelingenwerk Nederland van augustus 2009;

- de notitie 'Somalië, afschaffing categoriaal beschermingsbeleid' van Vluchtelingenwerk Nederland van augustus 2009;

- een aantal berichten van allAfrica.com van 21 augustus tot en met 1 september 2009;

- een bericht van Protection Cluster Update van 21 augustus 2009;

- een bericht van de United Nations High Commissioner for Refugees (hierna: UNHCR) en het United Nations International Children's Emergency Fund (hierna: UNICEF) 'Human Rights Violations Escalate in War-torn Mogadishu' van 9 juni 2009;

- een bericht van Factiva 'Ramadan fighting in Mogadishu is worst in 20 years' van 10 september 2009;

- een bericht uit het NRC Handelsblad 'Helft Somaliërs heeft hulp nodig' van 25 augustus 2009;

- een overzicht 'Geweldsincidenten in Mogadishu september 2009' van Vluchtelingenwerk Nederland van 1 oktober 2009;

- een overzicht 'Geweldsincidenten Mogadishu januari-juni 2009' van Garowe online;

- een overzicht 'Ontheemden Mogadishu sinds mei 2009' van Vluchtelingenwerk Nederland van 1 oktober 2009;

- een e-mail van SAACID van 28 september 2009;

- de notitie 'standpunt van Vluchtelingenwerk Nederland over de voorgestelde maatregelen met betrekking tot asielzoekers uit Somalië' van 8 mei 2009;

- een verslag van een telefoongesprek van een medewerker van Vluchtelingenwerk Nederland met Bediako Buahene, de Protection Officer for UN Office for the Coordination of Humanitarian Affairs in Nairobi, Kenya van 2 oktober 2009;

- een e-mail van het Internationale Rode Kruis van 5 oktober 2009;

- een e-mail van UNHCR Representation for Somalia van 5 oktober 2009 en

- een advies van UNHCR 'Returns to Somalia' van 6 oktober 2009.

2.1.4. De staatssecretaris heeft zich, voor zover thans van belang, in het besluit van 15 juni 2009, waarin het voornemen van 11 juni 2009 is ingelast, op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Aan dit standpunt heeft hij ten grondslag gelegd dat de vreemdeling op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat in het gebied waaruit zij afkomstig is sprake is van een situatie waarbij de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapende conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat zij bij terugkeer louter door haar aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn bedoelde ernstige schade.

Ter zitting in hoger beroep heeft de staatssecretaris nader toegelicht dat de algemene situatie in Somalië zorgwekkend is en dat in Mogadishu sprake is van willekeurig geweld en grote aantallen ontheemden. Hierbij heeft hij in aanmerking genomen dat de secretaris-generaal van de Verenigde Naties in een verslag van 20 juli 2009 heeft gerapporteerd dat de veiligheidssituatie fluïde blijft en dat de humanitaire situatie in Somalië ernstig is verslechterd door, onder meer, de gevechten in Mogadishu sinds 7 mei 2009. Voorts heeft de staatssecretaris hierbij betrokken dat volgens de UNHCR naar schatting 204.000 mensen hun huizen hebben verlaten om te verblijven in veiliger delen van Mogadishu. Volgens de staatssecretaris kan uit de door de vreemdeling ingebrachte informatie echter niet worden afgeleid dat het aantal willekeurige slachtoffers zodanig omvangrijk is dat in Mogadishu sprake is van een uitzonderlijke situatie als beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn. Daarbij heeft hij in aanmerking genomen dat het aantal burgerslachtoffers in 2009 naar schatting gemiddeld enkele honderden per maand bedraagt en dat het aantal inwoners van Mogadishu, vanwege het ontbreken van betrouwbare tellingen en de zeer omvangrijke migratiestromen, feitelijk niet is vast te stellen; de laagste informele schatting die de staatssecretaris heeft vernomen gaat uit van 500.000 inwoners.

2.1.5. In het ambtsbericht is in paragraaf 2.3.2. het volgende vermeld:

"De veiligheidssituatie in geheel Zuid- en Centraal-Somalië bleef in de verslagperiode onverminderd slecht. In dit gebied werd gedurende de verslagperiode een conflict uitgevochten tussen regeringstroepen gesteund door Ethiopische troepen enerzijds en een complex geheel van rebellengroeperingen anderzijds die onderling ook strijd leveren. Zoals eerder vermeld, was in de verslagperiode een troepenmacht van de AMISOM als vredesmacht in Mogadishu aanwezig, die geregeld werd aangevallen door rebellengroeperingen en daarmee ook strijd leverde.

De voornaamste rebellengroeperingen (...) beschikken over een zekere organisatiestructuur (er zijn trainingskampen, deze rebellengroeperingen hebben toegang tot wapens en beheersen delen van Zuid- en Centraal-Somalië) en voeren aanhoudende en samenhangende gewapende operaties uit jegens de strijdkrachten van de autoriteiten van dit land en jegens elkaar. De voornaamste leiders van deze rebellengroeperingen zijn bekend. Over de bevelstructuur van deze groepen is onvoldoende bekend.

In de verslagperiode vonden in Zuid- en Centraal-Somalië geregeld gevechten tussen de diverse groeperingen plaats, waarbij veel burgerslachtoffers vielen. Bij gevechten tussen juni en september 2008 kwamen volgens schattingen meer dan 800 burgers om het leven. De hevigste gevechten tijdens deze verslagperiode vonden plaats in Kismayo en Mogadishu (…).

(…)

Gevechten in Mogadishu

In september 2008 vonden in Mogadishu de zwaarste gevechten in de verslagperiode plaats. Nadat een vliegtuig van de Afrikaanse Unie een verbod negeerde van Al-Shabaab op het gebruik van de luchthaven van Mogadishu, braken er hevige gevechten uit tussen de rebellengroeperingen enerzijds en het leger van de TFG en Ethiopische troepen en AMISOM-troepen anderzijds. In de dagenlange gevechten vonden ten minste 100 mensen de dood en raakten minstens 300 mensen gewond. De gevechten zorgden voor een grote stroom ontheemden uit Mogadishu. Schattingen van het aantal ontheemden daags na deze gevechten variëren tussen de 12.000 en 18.500. In de maand na deze gevechten zijn tussen de 35.000 en 61.000 mensen Mogadishu ontvlucht.

In de verslagperiode is de veiligheidssituatie in geheel Mogadishu slecht gebleven. In Mogadishu werden gedurende de verslagperiode geregeld in vaak lukrake aanvallen zware wapens als artillerie, mortieren en bermbommen gebruikt, waarbij veel burgerslachtoffers vielen. Ernstige en wijdverspreide schendingen van mensenrechten zorgden ervoor dat de situatie in Mogadishu tijdens de verslagperiode slecht was.

Gezien het vaak lukrake karakter van de gewelddadigheden in Mogadishu is het niet mogelijk een duidelijk onderscheid te maken in de veiligheidssituaties in diverse wijken in Mogadishu."

2.1.6. In paragraaf 2.3.3.4. van het ambtsbericht is, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

"In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat volgens de criteria van de Raad van State in Zuid- en Centraal-Somalië sprake is van een binnenlands gewapend conflict."

2.1.7. In voormelde notitie 'Veiligheidssituatie in Centraal- en Zuid-Somalië' van Vluchtelingenwerk Nederland is het volgende vermeld:

"Ontwikkelingen sinds verslagperiode ambtsbericht (vanaf januari 2009)

In januari 2009 trokken de Ethiopische troepen zich terug uit Somalië. De Verenigde Naties berichten in maart 2009 dat de veiligheidssituatie in Somalië veranderlijk blijft. Rebellengroepen namen in de periode van eind 2008 tot maart 2009 verschillende steden en gebieden in, hoewel zij op steeds meer weerstand stuitten van clans en andere lokale milities. In april 2009 spreken de VN wederom van een extreem veranderlijke en onvoorspelbare veiligheidssituatie in Somalië. Aanvallen van rebellen blijven plaatsvinden en worden steeds geavanceerder, beter gecoördineerd en dodelijker. Al-Shabaab en daaraan gelieerde rebellenfracties hebben nog altijd grote delen van Centraal- en Zuid-Somalië in handen.

Mogadishu

In Mogadishu namen clanmilities direct na de terugtrekking van de Ethiopiërs in januari 2009 strategische posities in. Wijdverbreide gevechten bleven in eerste instantie uit, maar de aanvallen tegen AMISOM (de vredesmissie van de Afrikaanse Unie) intensiveerden. In maart 2009 waarschuwt AMISOM dat de kalmte in Mogadishu slechts schijn is. Gezien de berichten over de toestroom van buitenlandse radicale strijders is eerder sprake van een tactische terugtrekking alvorens over te gaan tot een nieuwe golf van aanvallen. In mei 2009 laait het geweld in Mogadishu inderdaad weer op. Door veel Somalische burgers wordt dit geweld omschreven als het meest destructieve van de laatste jaren.

De Noord-Somalische nieuwssite Garowe online bevat een groot aantal nieuwsberichten met betrekking tot de actuele veiligheidssituatie in Mogadishu, die zijn geïnventariseerd voor de periode januari tot en met juni 2009. Hoewel het geen volledig overzicht betreft, geeft dit wel een belangrijke indicatie waar en hoe vaak het geweld zich in de afgelopen periode in Mogadishu heeft voorgedaan. De berichten maken allemaal melding van geweld dat willekeurig van aard is, zoals vuurgevechten, bomexplosies, mortieraanvallen en zelfmoordaanslagen waarvan burgers het slachtoffer kunnen worden of daadwerkelijk zijn geworden.

Uit de inventarisatie komt naar voren dat in de periode januari tot en met juni 2009 vrijwel dagelijks berichten naar buiten kwamen over zware gevechten en andere geweldsincidenten in verschillende wijken van de hoofdstad. Geregeld was er sprake van dagenlange (straat)gevechten. Naast gevechtshandelingen bestond het geweld onder andere uit aanslagen met bermbommen, mortieraanvallen en zelfmoordaanslagen. Hiervan waren weliswaar regeringstroepen of rebellen geregeld het beoogde doelwit, maar vaak kwamen burgers hierbij om het leven of raakten gewond doordat zij zich op het verkeerde moment op de verkeerde plek bevonden.

(…)

Geweldsniveau uitgedrukt in burgerslachtoffers

Naast bovengenoemde recente gebeurtenissen laten cijfers over een langere periode zien dat het aantal burgerdoden in het conflict in Somalië aanzienlijk is. Zo bericht Reuters dat in 2007 en 2008 in totaal meer dan 16.000 burgers zijn gedood. Zo’n 29.000 mensen raakten in die periode gewond. Van de 7.574 mensen die in 2008 zijn omgekomen in het conflict, vond het merendeel de dood in Mogadishu, aldus een nieuwsbericht van Garowe online van 10 maart 2009. Sinds het oplaaien van de gevechten in Mogadishu sinds 7 mei 2009 zijn ten minste 397 mensen om het leven gekomen, zo heeft het Somalische Elman Peace and Human Rights Centre becijferd. Zeker 1.738 mensen raakten in die periode gewond.

Geweldsniveau uitgedrukt in ontheemden/vluchtelingen

(…)

Mogadishu

Human Rights Watch meldt in december 2008 dat tussen begin 2007 en eind 2008 in totaal meer dan 870.000 burgers Mogadishu zijn ontvlucht vanwege het geweld. Dat is meer dan tweederde van de populatie van de stad van voor december 2006. Hoewel tussen januari en april 2009 ongeveer 70.000 mensen terugkeerden naar Mogadishu vanwege afname van de gevechten, ontvluchtten zo’n 40.000 mensen de stad opnieuw in mei 2009, zo staat in een rapport van het Internal Displacement Monitoring Centre uit mei 2009. Volgens UNHCR is dit tot bijna 190.000 ontheemden opgelopen in juni 2009.

Aard en willekeur van het geweld

(…)

Mogadishu

In de Britse asielpraktijk wordt aangenomen dat in Mogadishu sprake is van een dermate hoge mate van willekeurig geweld, dat er gronden zijn om aan te nemen dat een individu louter door zijn aanwezigheid een reëel risico loopt op de ernstige bedreiging zoals bedoeld in artikel 15c van de Definitierichtlijn. Dit blijkt uit de Guidance Note van UK Home Office uit maart 2009. Human Rights Watch meldt in het eerdergenoemde rapport uit december 2008 dat het gebruik van kleine wapens, artillerie en raketaanvallen – in combinatie met wilde, opportunistische aanvallen op burgers – vele mensen Mogadishu heeft uitgedreven. Grote delen van de stad zijn leeggeplunderd en verlaten. Het dagelijkse, onvoorspelbare geweld maakt het voor inwoners van Mogadishu nog het moeilijkst om de situatie het hoofd te bieden. Ze leven met de constante mogelijkheid om alles te verliezen door een verdwaalde kogel of een verkeerd terechtgekomen mortiergranaat. Bombardementen vinden bijna dagelijks plaats en volgen meestal een bepaald patroon: rebellen vuren vanuit een woonwijk mortieren af op regeringstroepen, waarbij vaak burgers worden geraakt. De rebellen vluchten vervolgens, waarna de bewoners van de woonwijk worden geconfronteerd met de onvermijdelijke tegenaanval van de regeringstroepen. Daarnaast gebeurt het dat rebellengroeperingen hinderlagen leggen voor de regerings- of Ethiopische troepen, waarbij ze bewoonde huizen of mensenmenigtes gebruiken als bescherming. Deze aanvallen worden vaak gevolgd door vuurgevechten die burgerdoden veroorzaken. Zulke confrontaties ontstaan vaak zo onverwacht dat burgers compleet worden verrast."

2.1.8. In voormeld bericht van UNHCR en UNICEF van 9 juni 2009 is vermeld: "UNICEF and UNHCR are gravely concerned over the extent to which civilians are being affected by the escalating violence in Mogadishu and the human rights violations being committed by the parties to the conflict. Many Somali civilians and media describe the recent violence which erupted in Mogadishu on May 7, generated by fighting between Government-allied forces and armed opposition groups, as the most devastating in the last few years. Reported bombing of civilian residences and public places has forced an estimated 117,000 people to flee their homes in Mogadishu during the past four weeks alone.

(…)

More than 200 people were reportedly killed in the last month alone, the majority of whom civilians. Reports from hospitals indicate that some 700 people were wounded in the clashes."

2.1.9. Hoewel het ambtsbericht en het in 2.1.8. vermelde bericht van UNHCR en UNICEF geen betrekking hebben op de situatie in Mogadishu ten tijde van de totstandkoming van het besluit van 15 juni 2009, kan uit de in 2.1.3. genoemde stukken die wel betrekking hebben op de situatie in Mogadishu ten tijde van belang worden afgeleid dat de situatie aldaar op dat moment niet wezenlijk anders was dan is beschreven in de hiervoor weergegeven citaten uit het ambtsbericht en het bericht van UNHCR en UNICEF.

2.1.10. Uit de stukken – in het bijzonder uit de hiervoor weergegeven citaten daaruit – kan worden afgeleid dat ten tijde van de totstandkoming van het besluit van 15 juni 2009 in Mogadishu sprake was van een gewapend conflict tussen de regeringstroepen gesteund door Ethiopische troepen enerzijds en een complex geheel van rebellengroeperingen anderzijds die onderling ook strijd leverden. Het geweld in Mogadishu als gevolg van dat conflict is in mei 2009 opgelaaid, waarbij vele burgerslachtoffers zijn gevallen en een grote vluchtelingenstroom - circa 40.000 mensen in mei 2009, opgelopen tot ongeveer 190.000 mensen in juni 2009 - op gang is gekomen. Hoewel de staatssecretaris in zijn nadere toelichting ter zitting in hoger beroep stelt vorenomschreven omstandigheden te hebben betrokken bij zijn beoordeling, heeft hij ter motivering van zijn standpunt dat in Mogadishu ten tijde van belang geen sprake is van een uitzonderlijke situatie, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn, volstaan met de enkele stelling dat in het aantal burgerslachtoffers geen aanleiding wordt gevonden voor het aannemen van zodanige uitzonderlijke situatie. Gelet op de aard en intensiteit van het geweld als gevolg van het conflict en de gevolgen daarvan voor de burgerbevolking van Mogadishu, zoals die uit voormelde stukken kunnen worden afgeleid, heeft de staatssecretaris met die enkele stelling ontoereikend gemotiveerd dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat de mate van het willekeurig geweld in Mogadishu ten tijde van de totstandkoming van het besluit van 15 juni 2009 dermate hoog was dat zwaarwegende gronden bestonden om aan te nemen dat een burger, louter door zijn aanwezigheid aldaar, op dat moment een reëel risico liep op ernstige schade, als vorenbedoeld. De voorzieningenrechter heeft derhalve terecht, zij het niet op geheel juiste gronden, overwogen dat voormeld besluit in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht is genomen.

2.2. Omdat de overwegingen van de voorzieningenrechter, waartegen de eerste en tweede grief zijn gericht, dragend zijn voor het oordeel dat het beroep van de vreemdeling gegrond is en voormeld besluit dient te worden vernietigd, behoeven de derde, vierde en vijfde grief, die betrekking hebben op het oordeel van de voorzieningenrechter over de beroepsgrond van de vreemdeling inzake artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, thans geen bespreking. Hoewel de voorzieningenrechter uitdrukkelijk en zonder voorbehoud over deze beroepsgrond heeft geoordeeld, kan deze beroepsgrond, nu de staatssecretaris in zijn grieven is opgekomen tegen het oordeel hierover en deze grieven thans onbesproken blijven, opnieuw worden beoordeeld in een eventuele procedure over het nieuw te nemen besluit.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins de Vin en mr. T.M.A. Claessens, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van Loo

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2010

418-563.

Verzonden: 26 januari 2010

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser