Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL0755

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
27-01-2010
Zaaknummer
200904508/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 12 april 2006 in zaak nr. 200506295/1 heeft de Afdeling het door [verzoekster] ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard, de aangevallen uitspraak bevestigd en het beroep tegen het besluit van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) van 20 september 2005 ongegrond verklaard. De uitspraak is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904508/1/H3.

Datum uitspraak: 27 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzoek van:

[verzoekster], wonend te [woonplaats],

om herziening (artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht) van de uitspraak van de Afdeling van 12 april 2006, in zaak nr. 200506295/1.

1. Procesverloop

Bij uitspraak van 12 april 2006 in zaak nr. 200506295/1 heeft de Afdeling het door [verzoekster] ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard, de aangevallen uitspraak bevestigd en het beroep tegen het besluit van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) van 20 september 2005 ongegrond verklaard. De uitspraak is aangehecht.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 juni 2009, heeft [verzoekster] de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien.

De minister voor Wonen, Wijken en Integratie heeft een reactie ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft het verzoek ter zitting behandeld op 22 december 2009, waar [verzoekster] is verschenen. Voorts is daar als getuige gehoord [getuige].

2. Overwegingen

2.1. De uitspraak van 12 april 2006 had betrekking op de in bezwaar gehandhaafde besluiten van de minister waarbij is geweigerd aan [verzoekster] met terugwerkende kracht huursubsidie toe te kennen over de subsidietijdvakken 1 juli 1997 tot 1 juli 2003.

Bij brief van 24 juli 2006 heeft [verzoekster] de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien. Bij uitspraak van 29 november 2006 in zaak nr. 200605566/1 heeft de Afdeling dit verzoek afgewezen.

Bij brief van 28 maart 2008 heeft [verzoekster] de Afdeling nogmaals verzocht de uitspraak van 12 april 2006 te herzien. Bij uitspraak van 22 oktober 2008 in zaak nr. 200802527/1 heeft de Afdeling dit verzoek eveneens afgewezen.

Thans verzoekt [verzoekster] de Afdeling opnieuw de uitspraak van 12 april 2006 te herzien.

2.2. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan de Afdeling op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2.3. Het herzieningsverzoek van [verzoekster] van 28 maart 2008 is op 9 oktober 2008 ter zitting behandeld. Naar aanleiding van die zitting heeft op 27 november 2008 een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoekster] en een vertegenwoordigster van de minister over de wijze waarop de minister haar zaak heeft behandeld. In de brief die [verzoekster] naar aanleiding van dat gesprek heeft ontvangen, schrijft de gemachtigde van de minister onder meer: "Bij deze bied ik u, namens het ministerie van VROM, mijn excuses aan voor de behandeling van uw zaak. Tevens bied ik u mijn excuses aan dat uw situatie verkeerd is ingeschat door de telefonische medewerkers van VROM in 1997. U hebt geen leugens verkondigd."

[verzoekster] betoogt dat uit de bekentenis van de minister in deze brief blijkt dat het aan hem is toe te rekenen dat zij in 1997 geen aanvraag om huursubsidie heeft ingediend. Aangezien volgens [verzoekster] nu vaststaat dat haar niets valt te verwijten, verzoekt zij om herziening van de uitspraak van 12 april 2006.

2.4. Hoewel de uitdrukkelijke erkenning van de minister dat hij de situatie van [verzoekster] in 1997 onjuist heeft ingeschat op zichzelf een nieuw feit is, kan dit gegeven niet als feit of omstandigheid worden aangemerkt als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb. In het bijzonder wordt niet voldaan aan de voorwaarde dat het feit, ware het bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zou hebben kunnen leiden. Vaststaat dat [verzoekster] de aanvraag voor de onder 2.1 genoemde subsidietijdvakken niet binnen de daarvoor geldende termijn heeft ingediend en dat deze termijnoverschrijding fataal is. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 12 april 2006, zijn de besluiten die de minister naar aanleiding van die aanvraag heeft genomen in overeenstemming met de destijds geldende Huursubsidiewet en derhalve op zichzelf rechtmatig. [verzoekster] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot herziening van dat oordeel moeten leiden.

Ten aanzien van de omstandigheid dat de minister de situatie van [verzoekster] verkeerd blijkt te hebben ingeschat en haar zo de mogelijkheid blijkt te hebben onthouden tijdig een aanvraag in te dienen voor de betreffende subsidietijdvakken, wordt het volgende overwogen. De bestuursrechter is ingevolge artikel 8:1 van de Awb alleen bevoegd te oordelen over besluiten of handelingen van een bestuursorgaan die daarmee zijn gelijkgesteld. Het telefonisch inlichtingen verstrekken door medewerkers van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer betreft feitelijk handelen. De bestuursrechter is niet bevoegd hierover te oordelen. Over een verzoek tot vergoeding van de schade die [verzoekster] stelt te hebben geleden als gevolg van het feitelijk handelen van deze medewerkers van het Ministerie, kan alleen bij de burgerlijke rechter worden geprocedeerd.

2.5. Het verzoek dient te worden afgewezen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Van Hardeveld

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2010

312-611.