Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL0754

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
27-01-2010
Zaaknummer
200904870/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 juni 2008 heeft de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) geweigerd ten behoeve van`[appellant] een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie B in het rijbewijzenregister te registreren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200904870/1/H3.

Datum uitspraak: 27 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], [gemeente],

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 8 juni 2009 in zaak nr. 08/2053 in het geding tussen:

[appellant]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2008 heeft de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) geweigerd ten behoeve van`[appellant] een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie B in het rijbewijzenregister te registreren.

Bij besluit van 14 november 2008 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, dat besluit herroepen en ten behoeve van [appellant] een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie B voor een termijn van één jaar geregistreerd.

Bij uitspraak van 8 juni 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 juli 2009, hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft bij brieven van 11 september 2009, 1 oktober 2009 en 30 oktober 2009 nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 december 2009, waar het CBR, vertegenwoordigd door mr. M.C.A. van den Hil-van Vliet, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 97, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen (hierna: het Reglement) worden, op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief, verklaringen van geschiktheid door het CBR in het rijbewijzenregister geregistreerd ten behoeve van een ieder die voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen. Het CBR doet van deze registratie mededeling aan de aanvrager.

Ingevolge artikel 103, eerste lid, registreert het CBR, indien de aanvrager naar haar oordeel voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft, in het rijbewijzenregister ten behoeve van de aanvrager voor die categorie of categorieën een verklaring van geschiktheid.

Ingevolge het tweede lid registreert het CBR, indien naar haar oordeel redelijke grond bestaat voor de verwachting dat de aanvrager slechts aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voldoet voor een daarbij te bepalen termijn die korter is dan de in artikel 122, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 voorziene geldigheidsduur, die termijn in het rijbewijzenregister.

Ingevolge artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (hierna: de Regeling) worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

In die bijlage is in paragraaf 8.8 bepaald dat voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen een specialistisch rapport is vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar met dit misbruik zijn gestopt, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring - op basis van een specialistisch rapport - geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen voor de verkeersveiligheid oplevert.

2.2. Het CBR heeft zich in het besluit op bezwaar op het standpunt gesteld dat de psychiater E.J.M. Eterman-Peters (hierna: de psychiater), die [appellant] op 26 april 2008 heeft gekeurd, in eerste instantie tot de conclusie alcoholmisbruik heeft kunnen komen, aangezien volgens het rapport van die keuring [appellant] een voorgeschiedenis van alcoholmisbruik en "bingedrinking" heeft en verhoogde waarden van gamma-GT en ALAT bij hem zijn gevonden. Bij de keuring is niet gebleken van mogelijke andere oorzaken voor de afwijkende bloedwaarden, zoals non-alcoholische ziekten. De internist/nefroloog drs. M.J.M. Schonck (hierna: de internist) heeft na medisch onderzoek bij schrijven van 12 augustus 2008 geconcludeerd dat de verhoogde waarden mogelijk een andere oorzaak hebben dan overmatig alcoholgebruik. Daarom heeft de psychiater geadviseerd [appellant] geschikt te achten met een termijnbeperking van één jaar. Het CBR heeft in navolging van dit advies [appellant] het voordeel van de twijfel gegeven en te zijnen behoeve een verklaring van geschiktheid voor één jaar geregistreerd.

2.3. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte de aan de verklaring van geschiktheid gestelde termijnbeperking van één jaar redelijk heeft geacht.

De psychiater heeft bij brief van 17 oktober 2008, in reactie op de conclusie van de internist dat de leverfunctiestoornis mogelijk door een component spierenzym gerelateerd aan sporten wordt veroorzaakt, aan het CBR meegedeeld het gepast te achten die conclusie serieus te nemen, met dien verstande dat moet worden gestreefd naar een herbepaling van de leverfunctie over enige tijd, waarbij de invloed van de door de internist gestelde mogelijke alternatieve oorzaak voor de stoornis moet worden geminimaliseerd. Alleen op die manier kan volgens de psychiater de conclusie van de internist worden bekrachtigd dan wel ontkracht.

De Afdeling acht, evenals de rechtbank, geen grond aanwezig voor het oordeel dat het CBR de reactie van de psychiater van 17 oktober 2008 en het hierin opgenomen advies [appellant] voor een periode van één jaar geschikt te achten in redelijkheid niet aan het besluit op bezwaar ten grondslag heeft kunnen leggen.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de verhoogde waarden een andere oorzaak dan alcoholmisbruik hebben. Het betoog van [appellant] dat de verhogingen aan een erfelijke afwijking gerelateerd kunnen zijn, vindt geen steun in de medische rapporten van de psychiater en de internist en is ook anderszins niet met enige medische verklaring gestaafd. De rechtbank heeft voorts terecht en op goede gronden overwogen dat het feit dat bij het onderzoek van 26 april 2008 bij [appellant] een CDT-waarde is gevonden die binnen de normaalwaarde valt, niet kan leiden tot de conclusie dat geen sprake van alcoholmisbruik kan zijn, zodat dit geen aanleiding behoefde te vormen het advies van de psychiater niet te volgen.

Ook de uitslag van bij [appellant] in 2009 verricht bloedonderzoek, blijkend uit de door hem in hoger beroep ingebrachte rapportages van de internist Schonck van 11 augustus 2009 en van de psychiater M.J.T. Harmelink van 3 oktober 2009, werpt geen ander licht op de feiten ten tijde van het nemen van het besluit van 14 november 2008. Uit deze rapportages blijkt niet dat het advies van de psychiater in de schriftelijke reactie van 17 oktober 2008 onjuist moet worden geacht.

De termijnbeperking van één jaar sluit aan bij de door het CBR als uitgangspunt gehanteerde vuistregel, dat een persoon na een recidiefvrije periode van één jaar geschikt wordt geacht voor een termijn van één jaar, tenzij op basis van het keuringsrapport twijfel over recidief alcoholgebruik bestaat. In de uitspraak van 3 december 2008, in zaak nr. 200802335/1, heeft de Afdeling, gelet op de beoordelingsruimte die het CBR ingevolge artikel 103, tweede lid, van het Reglement toekomt en de strekking van paragraaf 8.8 van de bijlage bij de Regeling, deze vuistregel in het algemeen niet onredelijk geacht.

In het besluit op bezwaar is een op de vuistregel aansluitende motivering gegeven, dat [appellant] na een aanhouding in 2006 op verdenking van rijden onder invloed van alcohol, ongeschikt is geacht voor het besturen van motorrijtuigen wegens alcoholmisbruik en dat dientengevolge bij besluit van 18 juni 2007 zijn rijbewijs ongeldig is verklaard. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden, zodat in deze procedure van de rechtmatigheid daarvan dient te worden uitgegaan. Gelet hierop faalt het betoog van [appellant] dat hij geen voorgeschiedenis van alcoholmisbruik kent.

Nu volledige duidelijkheid over de oorzaak van de bij het onderzoek op 26 april 2008 bij [appellant] gevonden verhoogde waarden ontbreekt, heeft het CBR zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een herbeoordeling van de geschiktheid van [appellant] na één jaar noodzakelijk is. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de wijze waarop het CBR in dit geval de vuistregel heeft gehanteerd niet onredelijk is.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. [appellant] verzoekt de Afdeling het CBR te veroordelen tot vergoeding van de schade die hij lijdt indien en voor zover hij na 31 oktober 2009 niet over het rijbewijs voor motorrijtuigen van de categorie B kan beschikken.

2.5.1. Ingevolge artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gelezen in samenhang met artikel 39, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, kan de Afdeling, indien zij het hoger beroep gegrond verklaart, indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij het bestuursorgaan veroordelen tot vergoeding van de schade die die partij lijdt.

Reeds omdat artikel 8:73 van de Awb niet de mogelijkheid biedt schadevergoeding toe te kennen ingeval het hoger beroep ongegrond wordt verklaard, dient het verzoek van [appellant] om toepassing van artikel 8:73 van de Awb te worden afgewezen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos w.g. Neuwahl

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2010

280-598.