Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL0750

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
27-01-2010
Zaaknummer
200905105/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juli 2008 heeft de raad van de gemeente Venlo (hierna: de raad) onder meer het aan [appellant] in eigendom toebehorende perceel, kadastraal bekend gemeente Venlo, sectie […], nummer […] (hierna: het perceel), aangewezen als grond waarop de artikelen 10 tot en met 24, 26 en 27 van de Wet voorkeursrecht gemeenten (hierna: de Wvg) van toepassing zijn.

Wetsverwijzingen
Wet voorzieningen gehandicapten
Wet voorzieningen gehandicapten 10
Wet voorzieningen gehandicapten 26
Wet voorzieningen gehandicapten 27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/182
Ruimtelijk Bestuursrecht 2010/80
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905105/1/H3.

Datum uitspraak: 27 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Venlo,

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 10 juni 2009 in zaak nr. 09/16 in het geding tussen:

[appellant]

en

de raad van de gemeente Venlo.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2008 heeft de raad van de gemeente Venlo (hierna: de raad) onder meer het aan [appellant] in eigendom toebehorende perceel, kadastraal bekend gemeente Venlo, sectie […], nummer […] (hierna: het perceel), aangewezen als grond waarop de artikelen 10 tot en met 24, 26 en 27 van de Wet voorkeursrecht gemeenten (hierna: de Wvg) van toepassing zijn.

Bij besluit van 26 november 2008 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 juni 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 juli 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 15 juli 2009.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting aan de orde gesteld op 22 december 2009.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2 van de Wvg kan de gemeenteraad gronden aanwijzen waarop de artikelen 10 tot en met 24, 26 en 27 van de wet van toepassing zijn.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, komen voor aanwijzing in aanmerking gronden waaraan bij het bestemmingsplan, projectbesluit of inpassingsplan een niet-agrarische bestemming is toegekend en waarvan het gebruik afwijkt van dat plan of besluit.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, kan een verkoper eerst tot vervreemding overgaan nadat de gemeente in de gelegenheid is gesteld het desbetreffende goed te kopen.

2.2. De raad heeft aan de vestiging van het voorkeursrecht op het perceel het op 2 juli 2008 vastgestelde bestemmingsplan 'Q4' ten grondslag gelegd.

2.3. [appellant] voert aan dat op het perceel op 1 april 1999 reeds een voorkeurskooprecht is gevestigd ten behoeve van een ander dan de gemeente. Door te overwegen dat de raad desondanks bevoegd was een voorkeursrecht op het perceel te vestigen ten behoeve van de gemeente, heeft de rechtbank volgens [appellant] miskend dat dit leidt tot een voor hem onrechtvaardige en onevenredig bezwarende situatie, waarin zijn rechten als eigenaar van het perceel worden geschonden. Volgens [appellant] zijn de twee voorkeursrechten niet met elkaar te verenigen, komt hij door de vestiging van het gemeentelijk voorkeursrecht in een nadelige onderhandelingspositie, en wordt verkoop van het perceel feitelijk nagenoeg onmogelijk gemaakt.

2.3.1. De rechtbank heeft terecht verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 25 augustus 2004 in zaak nr. 200400753/1. In die uitspraak is de Afdeling tot het oordeel gekomen dat de raad bevoegd is een voorkeursrecht te vestigen op het perceel van [appellant] hoewel hierop al een voorkeurskooprecht is gevestigd ten behoeve van een ander dan de gemeente. In hetgeen [appellant] thans aanvoert, ziet de Afleiding geen aanleiding om van dat oordeel terug te komen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Zoals de Afdeling meermalen heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 4 maart 2009 in zaak nr. 200803878/1), is bij het vestigen van een voorkeursrecht weliswaar sprake van een inbreuk op het ongestoorde genot van het eigendomsrecht, doch vindt deze inbreuk plaats in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de Wvg. Het wettelijke voorkeursrecht maakt slechts een betrekkelijk beperkte inbreuk op het eigendomsrecht. De vestiging van het voorkeursrecht heeft niet tot gevolg dat [appellant] als eigenaar van het perceel niet langer de hem toekomende eigendomsrechten zou kunnen uitoefenen en houdt evenmin in dat hij verplicht is het perceel te verkopen. Indien hij echter tot verkoop wenst over te gaan dient hij, ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Wvg, eerst de gemeente in de gelegenheid te stellen het perceel te kopen. Artikel 14 van de Wvg biedt de verkoper de mogelijkheid bij gedeputeerde staten om ontheffing te verzoeken van de verplichting met de gemeente te onderhandelen over de verkoop, in dier voege dat de verkoper voor zover het het daarbij betrokken goed betreft, de vrijheid zal hebben tot vervreemding hiervan aan derden. De mogelijkheid van [appellant] om het perceel te verkopen aan degene ten behoeve van wie op 1 april 1999 een voorkeurskooprecht op het perceel is gevestigd, is daarmee niet bij voorbaat uitgesloten.

Zoals de Afdeling voorts eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 21 oktober 2009 in zaak nr. 200900336/1/H3), biedt de in de Wvg geregelde procedure in geval van verkoop aan de gemeente voldoende waarborgen ten aanzien van de prijsvorming. [appellant] wordt derhalve niet onevenredig benadeeld in zijn onderhandelingspositie. Voorts heeft de wetgever bij de totstandkoming van de Wvg het met het vestigen van een voorkeursrecht te dienen algemene belang afgewogen tegen het individuele financiële belang van de betrokken grondeigenaren, zodat de raad het enkele financiële belang van de grondeigenaren niet meer afzonderlijk bij de besluitvorming behoefde te betrekken.

Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid het perceel met een voorkeursrecht heeft kunnen bezwaren, zoals ook de rechtbank heeft overwogen. Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn stelling dat het bestemmingsplan 'Q4' zowel wat de inhoud als wat de wijze van totstandkoming betreft gebreken vertoont. Volgens [appellant] kunnen zijn bezwaren tegen het bestemmingsplan bij deze procedure worden betrokken, aangezien het bestemmingsplan ten grondslag ligt aan het vestigen van een voorkeursrecht.

2.4.1. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat [appellant] zijn bezwaren tegen het op 2 juli 2008 vastgestelde bestemmingsplan 'Q4' in de bestemmingsplanprocedure naar voren heeft kunnen brengen en dat deze in deze zaak, waarbij de vestiging van het voorkeursrecht ter beoordeling voorstaat, niet ter beoordeling voorliggen. Voorts vereist de Wvg, anders dan [appellant] betoogt, voor het vestigen van een voorkeursrecht niet dat het bestemmingsplan onherroepelijk is vastgesteld.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken van willekeur bij het aanwijzen van de gronden waarop een voorkeursrecht wordt gevestigd. Volgens [appellant] heeft de raad niet, althans ondeugdelijk, gemotiveerd waarom het perceel is aangewezen.

2.5.1. De raad heeft aan het besluit waarbij het voorkeursrecht op het perceel is gevestigd, het uitgangspunt ten grondslag gelegd dat de gemeente bij de toekomstige ontwikkeling en realisatie van het plangebied Q4 zelf de regie wenst te voeren. Ter waarborging van die gemeentelijke regiefunctie, ter voorkoming van speculatie en prijsopdrijving en ter vergroting van de verwervingsmogelijkheden ten behoeve van volledig kostenverhaal, is het vestigen van een voorkeursrecht op een aantal percelen, waaronder dat van [appellant], noodzakelijk geacht. Daarnaast wijkt het huidige gebruik van het perceel als garage af van de toegedachte bestemming. Het gebied waarin het perceel is gelegen heeft namelijk de bestemming 'Gemengd-2' gekregen, hetgeen inhoudt dat de woonfunctie zal overheersen, maar kleinschalige andere functies zijn toegestaan om de levendigheid in het gebied te versterken. Gelet op deze motivering is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken van willekeur bij het aanwijzen van het perceel.

Eveneens juist is het oordeel van de rechtbank dat de stelling van [appellant] dat de raad verplicht zou zijn het huidige gebruik van het perceel te registreren, geen steun vindt in de wet.

Ten aanzien van [appellant] betoog dat het wegens gewijzigd gemeentelijk beleid niet langer nodig is om ter realisatie van de gemeentelijke plannen voor gebied Q4 een voorkeursrecht op het perceel te vestigen, wordt overwogen dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 4 maart 2009 in zaak nr. 200803878/1), de systematiek van de Wvg mee brengt dat het op het moment waarop het voorkeursrecht wordt gevestigd, meestal onzeker zal zijn of de geplande ontwikkeling daadwerkelijk zal kunnen worden gerealiseerd. Gelet op het doel van de wet, het verschaffen van voorrang aan gemeenten bij aankoop van grond benodigd voor het realiseren van toekomstige planologische ontwikkelingen, staat deze onzekerheid niet in de weg aan het gebruikmaken van de bij wet gegeven bevoegdheid tot het vestigen van een voorkeursrecht.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Van Hardeveld

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2010

312-611.