Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2010:BL0749

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
27-01-2010
Zaaknummer
200904982/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 september 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn (hierna: het college) [appellant] met ingang van 25 augustus 2008 uitgeschreven als inwoner van de gemeente Alphen aan den Rijn, met de vermelding 'vertrokken naar onbekend'.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2010, 30
Module GBA 2010/641
BA 2010/45
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904982/1/H3.

Datum uitspraak: 27 januari 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], woonplaats kiezend te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 17 juni 2009 in zaak nr. 09/746 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn (hierna: het college) [appellant] met ingang van 25 augustus 2008 uitgeschreven als inwoner van de gemeente Alphen aan den Rijn, met de vermelding 'vertrokken naar onbekend'.

Bij besluit van 27 januari 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 juni 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 juli 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting aan de orde gesteld op 22 december 2009.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de Wet GBA), zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, wordt in deze wet en de daarop rustende bepalingen verstaan onder:

[…]

- uitschrijving: de overdracht van een persoonslijst door de gemeente van inschrijving aan de volgende gemeente van inschrijving;

[…]

- woonadres:

a. het adres waar betrokkene woont, waaronder begrepen het adres van een woning die zich in een voertuig of vaartuig bevindt, indien het voertuig of vaartuig een vaste stand- of ligplaats heeft, of, indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres waar hij naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten;

b. het adres waar, bij het ontbreken van een adres als bedoeld onder a, betrokkene naar redelijke verwachting gedurende drie maanden ten minste twee derden van de tijd zal overnachten;

- briefadres: het adres waar voor betrokkene bestemde geschriften in ontvangst worden genomen en waar, indien daartoe grond bestaat, zorg wordt gedragen dat geschriften of inlichtingen daarover, betrokkene bereiken;

- adres: het woonadres, dan wel bij het ontbreken hiervan of bij toepassing van artikel 67, het briefadres;

[…]

Ingevolge artikel 30, eerste lid, geschiedt uitschrijving uitsluitend op grond van de mededeling van het college van burgemeester en wethouders van een andere gemeente dat heeft besloten tot inschrijving van de betrokken persoon in zijn basisadministratie. De uitschrijving geschiedt terstond na ontvangst van de mededeling. Tegen de in de eerste volzin bedoelde beslissing staat voor het college van burgemeester en wethouders geen voorziening open.

Ingevolge artikel 47, tweede lid, draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar betrokkene zijn adres heeft, indien een ingezetene die zijn adres heeft gewijzigd in gebreke is met het doen van aangifte, ambtshalve zorg voor opneming van gegevens betreffende het adres. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd de gegevens alsnog aan de aangifte van de betrokkene te ontlenen, indien de aangifte na afloop van de aangiftetermijn geschiedt.

Ingevolge het derde lid wordt als datum van adreswijziging de dag opgenomen waarop de aangifte is ontvangen, dan wel de dag waarop van het voornemen tot ambtshalve opneming van gegevens betreffende het adres aan betrokkene schriftelijk mededeling is gedaan.

2.1.1. Bij de toepassing van de Wet GBA hanteert het college de Handleiding Uitvoeringsprocedures. Procedure 6.3 "Wijziging in de verblijfplaats bij adres onbekend" luidt, voor zover thans van belang:

1. Een persoon is in de GBA ingeschreven met een bepaald adres en vertrekt daarna zonder een nieuw adres op te geven.

Alvorens een actualisering uit te voeren, dient eerst een gedegen onderzoek te zijn ingesteld naar het feitelijke adres van de betrokkene.

De uitkomst van dit onderzoek kan zijn:

[…];

B. persoon heeft een nieuw adres in een andere gemeente (zie procedure 4.4 Vervolginschrijving intergemeentelijke adreswijziging);

[…];

E. persoon is vertrokken met onbekende bestemming (VOW).

 

[…]

Ad E.

Adres en gemeente van inschrijving kunnen niet worden bepaald.

Er wordt vastgesteld dat de verblijfplaats van de burger onbekend is. In een aantal gevallen bestaat de verwachting dat de burger geen ingezetene meer is van een Nederlandse gemeente. De burger is volkomen onbereikbaar.

2.2. Aangezien uit het besluit van 25 september 2008 niet blijkt van uitschrijving als bedoeld in artikel 30 gelezen in verband met artikel 1 van de Wet GBA, begrijpt de Afdeling dat besluit aldus dat het college de inschrijving van [appellant] in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: de GBA) op het adres Prins Bernhardlaan 8A met ingang van 25 augustus 2008 ambtshalve heeft gewijzigd in: 'vertrokken naar onbekend'.

2.3. Op 12 januari 2008 heeft [appellant] van Stichting Aandachtscentrum Alphen aan den Rijn 'Het Open Venster' (hierna: Het Open Venster), gevestigd op het adres Prins Bernhardlaan 8A, toestemming gekregen om aldaar een briefadres te vestigen, hetgeen hij op 14 januari 2008 aan het college heeft gemeld. Op 4 juli 2008 heeft Het Open Venster het college te kennen gegeven dat [appellant] bij zijn moeder in Amsterdam woont. Het college heeft daarop een adresonderzoek ingesteld. Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat uit dat adresonderzoek is gebleken dat [appellant] een woonadres heeft te Amsterdam en derhalve geen briefadres in Alphen aan den Rijn kan hebben.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college het adresonderzoek onzorgvuldig heeft uitgevoerd en zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij is 'vertrokken naar onbekend'. Daartoe voert hij aan dat volgens Procedure 6.3 van de Handleiding Uitvoeringsprocedures alleen tot die conclusie kan worden gekomen indien de burger volkomen onbereikbaar is. Volgens [appellant] is hij altijd op het briefadres bereikbaar geweest en bestaat tevens geen enkele grond om aan te nemen dat hij elders een adres heeft.

2.4.1. Vooropgesteld wordt dat het doel van de Wet GBA is dat de in de GBA vermelde gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn en dat de gebruikers van de gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn. Met het oog daarop dienen in de GBA gegevens over de feitelijke verblijfplaats van de betrokkene te worden geregistreerd. Voor zover geen adres kan worden aangewezen dat door de betrokkene wordt bewoond, moet ingevolge artikel 1 van de Wet GBA het adres waar hij naar redelijke verwachting gedurende drie maanden ten minste twee derden van de tijd zal overnachten als diens woonadres worden beschouwd. Eerst bij het ontbreken van een woonadres, geldt een briefadres als adres.

2.4.2. Procedure 6.3 van de Handleiding Uitvoeringsprocedures schrijft voor dat in de situatie dat een persoon in de GBA is ingeschreven op een bepaald adres en vervolgens vertrekt zonder een nieuw adres op te geven, een gedegen onderzoek moet worden ingesteld naar het feitelijke adres van de betrokkene. Op grond van de mededeling van Het Open Venster van 4 juli 2008 bestond bij het college het vermoeden dat [appellant] niet meer in Alphen aan den Rijn verbleef, maar een adres van feitelijk verblijf te Amsterdam had. De Afdeling stelt vast dat het daarop door het college ingestelde adresonderzoek heeft bestaan uit het sturen van twee brieven naar het briefadres van [appellant] en een verzoek aan het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om een onderzoek in te stellen naar de verblijfplaats van [appellant]. Daarnaast is het college in het bezit gekomen van een drietal van [appellant] afkomstige stukken, alle gedateerd vóór de mededeling van Het Open Venster van 4 juli 2008, waarin het adres [locatie] te Amsterdam wordt genoemd, dan wel wordt verwezen naar een verblijfadres in Amsterdam. Voorts heeft [appellant] tijdens de hoorzitting in bezwaar verklaard dat hij bij zijn moeder in Amsterdam overnacht ter overbrugging van zijn huidige situatie en heeft de Commissie bezwaarschriften in haar advies van 29 december 2008, dat in het besluit op bezwaar door het college is overgenomen, geconcludeerd dat [appellant] een woonadres in Amsterdam heeft.

De Afdeling is van oordeel dat het voorgaande niet strookt met de conclusie van het college dat [appellant] is 'vertrokken naar onbekend'. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat deze conclusie volgens Procedure 6.3 van de Handleiding Uitvoeringsprocedures alleen op haar plaats is als de burger volkomen onbereikbaar is, hetgeen in deze zaak niet het geval is. [appellant] heeft zowel op de eerste naar zijn briefadres verzonden brief gereageerd als op het besluit van 25 september 2008. Voorts is niet gebleken dat het college alvorens het besluit van 25 september 2008 te nemen het resultaat van het adresonderzoek van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam heeft afgewacht. Bijgevolg moet worden geoordeeld dat het college onvoldoende zorgvuldig onderzoek heeft verricht naar het feitelijke woonadres van [appellant] om het onder 2.2. genoemde adres van [appellant] ambtshalve te wijzigen in: 'vertrokken naar onbekend'. De rechtbank heeft dat ten onrechte niet onderkend.

Het betoog slaagt. Gelet daarop behoeft het betoog van [appellant] dat hij belang heeft bij het behoud van een briefadres in Alphen aan den Rijn in verband met het toegewezen krijgen van een woning in die plaats, geen bespreking meer.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 27 januari 2009 van het college alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt eveneens voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en zal het primaire besluit van 25 september 2008 herroepen, omdat vaststaat dat [appellant] niet had mogen worden uitgeschreven met de toevoeging 'vertrokken naar onbekend' en voorts is gebleken dat hij met ingang van 13 mei 2009 alsnog met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Wet GBA is uitgeschreven als inwoner van de gemeente Alphen aan den Rijn. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.6. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 17 juni 2009 in zaak nr. 09/746;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn van 27 januari 2009, kenmerk 2008/21009;

V. herroept het besluit van 25 september 2008, kenmerk BZ/3153;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 27 januari 2009;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 373,00 (zegge: driehonderddrieënzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Van Hardeveld

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2010

312-611.